Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:4719

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
31-08-2016
Datum publicatie
05-10-2016
Zaaknummer
407741 / HA ZA 16-42
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Tussenbeschikking
Inhoudsindicatie

Erfrecht. Erfgenaam wenst jegens bank inzage in bankafschriften erflater. Ambtshalve toepasssing art. 6:233 BW. Onredelijk bezwarende algemene voorwaarde dat erfgenaam geen inzage krijgt in rekeningverloop voor datum overlijden erflater?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2016-0185
AR 2016/2876
RN 2016/109
RFR 2017/25

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/407741 / HA ZA 16-42

Vonnis van 31 augustus 2016

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] , Duitsland,

eiseres,

advocaat mr. E. Pasman te Amsterdam,

tegen

1. de coöperatie

RABOBANK ENSCHEDE HAAKSBERGEN U.A.,

gevestigd te Enschede,

gedaagde,

advocaat mr. C.A.M. Luttikhuis te Enschede,

2. de naamloze vennootschap

SNS BANK NV,

gevestigd te Utrecht,

gedaagde,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna [eiseres] , Rabobank en SNS Bank genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de akte tot in het geding brengen producties van [eiseres]

  • -

    de rolkaart waaruit blijkt dat tegen SNS Bank verstek is verleend op 13 januari 2016

  • -

    de conclusie van antwoord van Rabobank

  • -

    de conclusie van repliek

  • -

    de conclusie van dupliek van Rabobank.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op [2009] is overleden de heer [A] (hierna te noemen: erflater). Erflater was ten tijde van zijn overlijden in tweede echt gehuwd met mevrouw [B] . Erflater en [B] waren gehuwd onder huwelijkse voorwaarden inhoudende uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen en zonder enig verrekenbeding. [B] is op [2010] overleden.

2.2.

Erflater heeft bij testament van 14 juni 2000 over zijn nalatenschap beschikt. In dit testament heeft erflater primair zijn echtgenote [B] tot zijn enig erfgenaam benoemd en subsidiair, voor het geval zijn dochter [eiseres] (eiseres) – die geen dochter is van [B] – een beroep zou doen op haar legitieme portie, tot zijn erfgenamen benoemd zijn echtgenote [B] voor drie vierde gedeelte en zijn dochter [eiseres] voor een vierde gedeelte van zijn nalatenschap. [eiseres] heeft een beroep gedaan op haar legitieme portie en de nalatenschap evenals [B] aanvaard. Verder heeft erflater de ouderlijke boedelverdeling van artikel 4:1167 BW oud van toepassing verklaard, waarbij alle baten aan [B] zijn toegedeeld, onder de last alle schulden van de nalatenschap voor haar rekening te nemen, en aan [eiseres] is toegedeeld een (bij leven van [B] niet opeisbare) vordering jegens [B] ter grootte van haar erfdeel, vermeerderd met een (eveneens bij levens van [B] niet opeisbare) enkelvoudige rente van zes procent per jaar vanaf de datum van overlijden van erflater.

2.3.

In de nalatenschap van [B] zijn erfgenaam haar kinderen uit haar eerste huwelijk, te weten [C] , [D] en [E] (hierna te noemen: de erven [B] ).

2.4.

[eiseres] heeft een procedure gevoerd bij de rechtbank Overijssel (zaak-/rolnummer: 170359 HA ZA 15-213) tegen de erven [B] waarin zij onder meer heeft gevorderd veroordeling van de erven [B] tot afgifte van afschriften alle van bankrekeningen die haar vader had bij onder meer Rabobank en SNS Bank. Deze procedure tussen [eiseres] en de erven [B] is geëindigd door een minnelijke regeling zoals opgenomen in het proces-verbaal van comparitie van 15 december 2015, waarbij de erven [B] zijn aangeduid als “de familie [familienaam van C, D en E] ” en [eiseres] als “mevrouw [achternaam] ”:

“Partijen komen ter comparitie overeen om het geschil (…) te beëindigen door middel van een compromis als volgt:

De familie [familienaam van C, D en E] (…) verleent onvoorwaardelijk toestemming aan mevrouw [achternaam] , om onbeperkt informatie in te winnen met betrekking tot de nalatenschap van de heer [A] bij allen, bij wie zij dat geïndiceerd acht. Mevrouw [achternaam] heeft toestemming van de familie [familienaam van C, D en E] om de onderhavige computer te laten onderzoeken door wie zij wenst. De familie [familienaam van C, D en E] ontheft eventuele geheimhouders zoals advocaten, notarissen, accountants, belastingadviseurs en of banken en of anderen van enigerlei in het belang van de familie [familienaam van C, D en E] in acht te nemen geheimhoudingsverplichtingen, met uitzondering van de advocaat van familie [familienaam van C, D en E] .

De familie [familienaam van C, D en E] heeft uit hoofde van deze zaak geen verdere verplichtingen”.

2.5.

[eiseres] heeft na het overlijden van erflater Rabobank en SNS Bank herhaaldelijk gesommeerd om afschriften over te leggen zoals zij deze vordert in de onderhavige procedure.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert samengevat – dat de rechtbank, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis,

- Rabobank zal veroordelen tot:

I. het binnen twee weken na datum van het te wijzen vonnis aan [eiseres] overleggen van, dan wel inzage verlenen in bankafschriften van de volgende bankrekeningen:

1. [rekeningnummer] ten name van erflater,

2. [rekeningnummer] ten name van [B]

3. [rekeningnummer] ten name van [B]

4. [rekeningnummer] effectendepot ten name van [B]

II. het binnen twee weken na datum van het te wijzen vonnis aan [eiseres] overleggen van, dan wel inzage verlenen in alle overige financiële bescheiden berustende bij Rabobank met betrekking tot de nalatenschap van erflater, met het oog op de vaststelling van vermogensontwikkeling c.q. afname voor en vlak na het overlijden van erflater,

telkens op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag dat Rabobank niet aan al deze veroordelingen voldoet,

- SNS Bank zal veroordelen tot:

I. het binnen twee weken na datum van het te wijzen vonnis aan [eiseres] overleggen van, dan wel inzage verlenen in bankafschriften van de volgende bankrekening:

1. [rekeningnummer] ten name van erflater,

II. het binnen twee weken na datum van het te wijzen vonnis aan [eiseres] overleggen van, dan wel inzage verlenen in alle overige financiële bescheiden berustende bij SNS Bank met betrekking tot de nalatenschap van erflater, met het oog op de vaststelling van vermogensontwikkeling c.q. afname voor en vla na het overlijden van erflater,

telkens op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag dat SNS Bank niet aan al deze veroordelingen voldoet,

telkens met veroordeling van Rabobank en SNS Bank in de proceskosten.

3.2.

Rabobank c.s. voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] , met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten. SNS Bank is niet in het geding verschenen. Tegen SNS Bank is verstek verleend.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De rechtbank zal eerst ingaan op de vordering van [eiseres] op Rabobank (4.2.) en daarna op de vordering van [eiseres] op SNS Bank (4.3.).

4.2.

[eiseres] - Rabobank

4.2.1.

[eiseres] vordert van Rabobank, kort gezegd, afschrift van bankafschriften van een aantal met name genoemde bankrekeningen ten name van erflater, dan wel diens echtgenote [B] en alle overige financiële bescheiden met betrekking tot de nalatenschap van erflater teneinde de vermogensontwikkeling vlak voor en na het overlijden van erflater te kunnen vaststellen. [eiseres] stelt dat zij op 19 september 2011 een gesprek heeft gehad met mevrouw [F] , medewerkster van Rabobank, waaruit haar is gebleken dat erflater wel degelijk bankrekening(en) aanhield bij Rabobank. [eiseres] legt hieraan ten grondslag dat zij hierbij recht en belang heeft omdat zij zowel erfgenaam is voor een vierde deel van de nalatenschap van erflater als legitimaris is in deze nalatenschap van haar vader. [eiseres] wijst erop dat zij – vanwege de in de nalatenschap van erflater toepasselijke ouderlijke boedelverdeling – een vordering heeft verkregen op [B] , die na het overlijden van [B] opeisbaar is geworden jegens de erven [B] . [eiseres] stelt verder dat – vanwege de korte periode van minder dan een jaar tussen het overlijden van erflater en [B] – bij het overlijden van laatstgenoemde de afwikkeling van de nalatenschap van erflater en de vaststelling van haar vordering op [B] nog niet waren voltooid. Zij heeft de afgelopen jaren gepoogd van de erven [B] en de gedaagde banken informatie te verkrijgen om de haar uit hoofde van de ouderlijke boedelverdeling toekomende vordering te kunnen vaststellen en of zij nog aanspraken heeft als legitimaris. In dit kader heeft [eiseres] gewezen op mogelijke verschuivingen van het vermogen van erflater naar dat van [B] en verwezen naar de door haar (als productie 5 bij repliek) overgelegde belastingaangiften van erflater, waaruit blijkt dat het vermogen in box 3 van erflater is afgenomen van € 1.413.403,-- in 2001 tot € 930.933,-- op datum overlijden ( [2009] ). Inmiddels heeft [eiseres] een regeling getroffen met de erven [B] en is zij door laatstgenoemde gemachtigd om ten behoeve van de nalatenschap van erflater onder meer bij banken (onder ontheffing van geheimhoudingsplichten) “onbeperkt informatie” in te winnen.

4.2.2.

De Rabobank heeft aan haar weigering om de gevraagde informatie te verstrekken het volgende ten grondslag gelegd.

[eiseres] is uitsluitend erfgenaam in de nalatenschap van erflater. Volgens Rabobank hebben vanaf 2004 geen bankproducten ten name van erflater gestaan, zodat zij in zoverre ook niets aan [eiseres] kan overleggen. Voor zover in de belastingaangiften van erflater bankrekeningen bij Rabobank worden genoemd, betreffen dit kennelijk bankrekeningen ten name van [B] , die daarin enkel zijn genoemd op grond van fiscale regels (fiscaal partnerschap van erflater en [B] gedurende hun huwelijk). Verder betoogt Rabobank dat [eiseres] in de nalatenschap van [B] – vanwege de door erflater gemaakte ouderlijke boedelverdeling – slechts een schuldeiser is van die nalatenschap. [eiseres] dient zich voor de door haar gewenste informatie met betrekking tot de bankrekeningen van [B] te wenden tot de erven [B] . Enkel de erven [B] kunnen zich rechtstreeks wenden tot Rabobank voor deze informatie. Volgens Rabobank kan ook de door [eiseres] verkregen schriftelijke toestemming van de erven [B] niets afdoen aan het uitgangspunt dat Rabobank op grond van de wettelijke en contractuele bepalingen niet gehouden is om de verlangde informatie aan [eiseres] te verstrekken.

Ten slotte beroept Rabobank zich in de rechtsverhoudingen tussen enerzijds haarzelf en anderzijds (de erven van) erflater en [B] op de sinds 2001 geldende artikel 5 Algemene Bankvoorwaarden, luidende:

“ Verklaring van erfrecht/informatie

Artikel 5

Na het overlijden van een rekeninghouder kan de bank verlangen dat degene(n) die in de plaats van een overleden rekeninghouder treedt/treden ten bewijze van diens bevoegdheid om over een tegoed op de rekening te mogen beschikken een verklaring van erfrecht overlegt/overleggen. De bank behoeft aan de rechtverkrijgende(n) van de rekeninghouder geen inlichtingen te verstrekken over het verloop van de rekening voor de datum van het overlijden van de rekeninghouder”.

Op grond van de laatste zin bestaat geen verplichting voor Rabobank om inlichtingen te verstrekken over het verloop van de bankrekeningen voorafgaand aan de datum van overlijden van erflater respectievelijk [B] , aldus Rabobank.

4.2.3.

De rechtbank overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat [eiseres] als één van de erfgenamen van erflater rechtsopvolger onder algemene titel is van erflater en aldus is getreden in eventuele ten tijde van het overlijden van erflater bestaande rechten en verplichtingen van erflater jegens Rabobank (zie conclusie van antwoord Rabobank, nrs. 11-12). Tussen partijen is overigens wel in geschil of erflater in de periode vanaf 2004 tot aan zijn overlijden bankrekeningen of andere bankproducten aanhield bij Rabobank.

4.2.4.

Verder bestaat tussen partijen verschil van mening over de vraag of [eiseres] – die geen erfgenaam is van [B] – enig recht op inzage toekomt jegens Rabobank inzake de nalatenschap van [B] .

De rechtbank overweegt dat uit artikel 4:182 lid 1 BW volgt dat met het overlijden van [B] de erven [B] van rechtswege zijn getreden in alle voor overgang vatbare rechten van [B] . Dit betekent dat ten aanzien van de rechtsverhouding tussen [B] en Rabobank sinds het overlijden van [B] de erven [B] als rechtsopvolgers onder algemene titel deze rechtspositie van [B] jegens Rabobank hebben voortgezet. Hiertoe behoort ook het recht van aanvankelijk [B] – en na haar overlijden van de erven [B] – om afschrift en inzage te vragen in alle bankafschriften en andere bescheiden die betrekking hebben op de rechtsverhouding tussen [B] en Rabobank. Naar de rechtbank begrijpt uit het (hiervoor onder 2.4 geciteerde) proces-verbaal strekt de door de erven [B] verleende machtiging (“toestemming”) aan [eiseres] onder meer ertoe om ten aanzien van voornoemd recht op afschrift “onbeperkt informatie” op te vragen bij onder meer banken. Het belang van [eiseres] is erin gelegen om de omvang van haar na de ouderlijke boedelverdeling ontstane vordering op [B] te kunnen vaststellen, dan wel om te kunnen nagaan of sprake is van de voor vaststelling van haar legitieme portie relevante schenkingen of giften van erflater aan [B] . Niet in te zien valt dat de erven [B] dit recht op inzage en afschrift (behorende bij hun rechtsverhouding jegens Rabobank) niet zouden kunnen overdragen aan een derde ( [eiseres] ). Het verweer van Rabobank dat zij op grond van de wettelijke of contractuele bepalingen niet gehouden is om de door [eiseres] verlangde informatie met betrekking tot [B] te overleggen, ziet eraan voorbij dat de erven [B] rechtsgeldig hun bevoegdheid tot het opvragen van de verlangde informatie aan [eiseres] hebben overgedragen. In zoverre wordt dit verweer van Rabobank dan ook verworpen.

4.2.5.

De rechtbank overweegt als volgt ten aanzien van het verweer van Rabobank dat zij (op grond van artikel 5 van haar Algemene Bankvoorwaarden) jegens erfgenamen niet gehouden is om enige informatie te verstrekken over het rekeningverloop voorafgaand aan de datum van overlijden. [eiseres] heeft weliswaar geen verweer gevoerd tegen het beroep van Rabobank op deze bepaling, maar de rechtbank is niettemin gehouden ambtshalve na te gaan of een contractueel beding valt onder Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten en, zo ja, te onderzoeken of dit oneerlijk is, indien zij over de daartoe noodzakelijke gegevens, feitelijk en rechtens, beschikt, ook indien daarop gerichte stellingen niet aan de vordering of het verweer ten grondslag zijn gelegd. Richtlijn 93/13/EEG is niet rechtstreeks van toepassing in de Nederlandse rechtsorde. Een richtlijnconforme uitleg van het Nederlandse recht brengt echter mee dat de Nederlandse rechter op grond van artikel 6:233 BW gehouden is het hiervoor bedoelde onderzoek zo nodig ambtshalve te verrichten (HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:691, NJ 2014, 274). Volgens artikel 6:233 BW is een beding in algemene voorwaarden vernietigbaar indien het, gelet op de aard en de overige inhoud van de overeenkomst, de wijze waarop de voorwaarden zijn tot stand gekomen, de wederzijds kenbare belangen van partijen en de overige omstandigheden van het geval, onredelijk bezwarend is voor de wederpartij.

4.2.6.

De rechtsverhouding tussen zowel erflater als [B] enerzijds en Rabobank anderzijds dienen te worden aangemerkt als een consumentenovereenkomst in de hiervoor bedoelde zin. Erflater en [B] zijn beide immers natuurlijke personen die – anders dan Rabobank – niet handelden in de uitoefening van beroep of bedrijf. Het overlijden van erflater en [B] en de daaruit voortvloeiende rechtsopvolging onder algemene titel van hun erfgenamen leidt niet tot een wijziging in de aard van de overeenkomsten. Dit blijven consumentenovereenkomsten. Uit voornoemd artikel 4:182 lid 1 BW volgt immers dat de erfgenamen van [eiseres] en [B] zijn getreden in alle voor overgang vatbare rechten van [eiseres] respectievelijk [B] , waaronder ook de rechten als consument. Daarnaast geldt dat de erfgenamen van zowel erflater als [B] eveneens natuurlijke personen zijn die niet handelen in de uitoefening van beroep of bedrijf. De na het overlijden van erflater respectievelijk [B] voortgezette rechtsverhouding tussen hun erfgenamen enerzijds en Rabobank anderzijds is ook om die reden een consumentenovereenkomst in de zin van Richtlijn 93/13/EEG.

4.2.7.

Rabobank erkent (conclusie van antwoord, nr. 6) dat zij jegens haar rekeninghouders een wettelijke plicht heeft om gegevens betreffende de bankrekening gedurende een periode van zeven jaar te bewaren (artikel 2:10 lid 1 en 3 BW). De rechtbank is voorshands van oordeel dat artikel 5, slotzin, van de algemene voorwaarden van Rabobank – waarin staat dat de bank aan de rechtverkrijgenden van de rekeninghouder geen inlichtingen behoeft te verstrekken over het verloop van de rekening voor de datum van het overlijden van de rekeninghouder – onredelijk bezwarend is in de zin van artikel 6:233 BW. Vooralsnog valt de redelijkheid niet in te zien waarom een rekeninghouder bij leven zonder meer tot zeven jaar terug inzage kan vragen bij de bank in de gegevens van zijn bankrekening, maar dat na diens overlijden zijn erfgenamen c.q. de voortzettende rekeninghouders genoegen dienen te nemen met mededeling van het banksaldo op de datum van overlijden. Op deze wijze ontslaat de bank zich eenzijdig jegens de erfgenamen van elke verantwoordingsplicht voor het beheer en de administratie van de bankrekening. Terwijl anderzijds aangenomen kan worden dat door de geautomatiseerde opslag van deze gegevens het voor de bank relatief eenvoudig is om deze gegevens aan de erfgenamen c.q. voortzettende bankrekeninghouders ter beschikking te stellen.

4.2.8.

De vraag of artikel 5, slotzin, algemene voorwaarden van Rabobank onredelijk bezwarend is in de zin van artikel 6:233 BW is door de rechtbank ambtshalve aan de orde gesteld en nog niet betrokken geweest in het partijdebat. Het beginsel van hoor en wederhoor brengt mee dat partijen alsnog gelegenheid dienen te krijgen om zich over het voorgaande uit te laten, en desgewenst, hun stellingen daaraan aan te passen (zie rov. 3.9.1 van voornoemd arrest HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:691, NJ 2014, 274).

4.2.9.

De rechtbank zal de zaak naar de rol verwijzen voor het door beide partijen gelijktijdig nemen van een akte waarin zij zich kunnen uitlaten over de vraag of artikel 5, slotzin, algemene voorwaarden van Rabobank onredelijk bezwarend is in de zin van artikel 6:233 BW.

4.2.10.

De rechtbank zal iedere verdere beslissing aanhouden.

4.3.

[eiseres] -SNS Bank

4.3.1.

Op de rol van 13 januari 2016 is tegen SNS Bank verstek verleend. Nu de rechtbank de vorderingen van [eiseres] tegen SNS Bank niet onrechtmatig of ongegrond voorkomen (art. 139 Rv), zullen deze worden toegewezen. De rechtbank zal daarbij het petitum voor zover daarin staat dat SNS Bank de gevraagde bescheiden dient over te leggen binnen twee weken na uitspraak van dit vonnis verstaan als binnen twee weken na betekening van dit vonnis. Een dwangsom kan immers niet worden verbeurd vóór de betekening van de uitspraak waarbij zij is vastgesteld (art. 611a lid 3 Rv). De rechtbank zal ambtshalve een maximum van € 50.000,-- verbinden aan de eventueel door SNS Bank te verbeuren dwangsom.

4.3.2.

SNS Bank zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. De proceskosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

dagvaarding: € 105,78

vast recht: € 288,00

advocaatkosten: € 904,00 (2 punten tarief II, € 452,-- per punt)

totaal: € 1.297,78.

5 De beslissing

De rechtbank

in de zaak tussen [eiseres] en Rabobank:

5.1.

verwijst de zaak naar de rol van woensdag 28 september 2016 voor het door beide partijen gelijktijdig nemen van een akte zoals bedoeld in rechtsoverweging 4.2.9.,

5.2.

houdt iedere verdere beslissing aan,

in de zaak tussen [eiseres] en SNS Bank:

5.3.

veroordeelt SNS Bank om binnen twee weken na betekening van dit vonnis aan [eiseres] afschriften over te leggen, dan wel inzage te verschaffen van SNS Bankrekening [rekeningnummer] ten name van [A] en alle overige financiële bescheiden berustende bij SNS Bank met betrekking tot de nalatenschap van [A] ,

5.4.

veroordeelt SNS Bank om aan [eiseres] een dwangsom te betalen van € 500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de in 5.3 uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, totdat een maximum van € 50.000,-- is bereikt,

5.5.

veroordeelt SNS Bank in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] begroot op € 1.297,78,

5.6.

verklaart onderdeel 5.3., 5.4 en 5.5. van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Beens en in het openbaar uitgesproken op

31 augustus 2016.1

1 type: JFB coll: DW