Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:4708

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
31-08-2016
Datum publicatie
04-10-2016
Zaaknummer
C/16/414584 / FA RK 16-2833
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Wijziging kinderalimentatie; interen op vermogen; belangen van kinderen in acht nemen bij keuzes die draagkracht negatief kunnen beïnvloeden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2016-0271

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht

locatie Utrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/16/414584 / FA RK 16-2833

zaaknummer / rekestnummer: C/16/414583 / FA RK 16-2832

Wijziging kinderalimentatie

Beschikking van 31 augustus 2016

in de zaak van

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

hierna te noemen: de vrouw,

en

[dochter] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

hierna te noemen: [dochter] ,

voor wie mr. J.G.M. ter Avest als advocaat optreedt,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. M. van Harskamp.

1 Verloop van de procedure

1.1.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

  • -

    het verzoekschrift van de zijde van de vrouw en [dochter] , ingekomen ter griffie op 26 april 2016;

  • -

    het verweerschrift van de zijde van de man, tevens houdende zelfstandig verzoek;

  • -

    de correspondentie, waaronder met name:

o de brief van 27 juli 2016 van de zijde van de vrouw en [dochter] , met producties 6 tot en met 8;

o de brief van 27 juli 2016 van de zijde van de vrouw en [dochter] , met producties 9 tot en met 15;

o de brief van 2 augustus 2016 van de zijde van de man, met producties 6 tot en met 11;

o de fax van 2 augustus 2016 van de zijde van de vrouw en [dochter] , met bijlagen;

o de brief van 2 augustus 2016 van de zijde van de vrouw en [dochter] , met bijlagen.

1.2.

De zaak is behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren van 3 augustus 2016. Verschenen zijn: de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, alsmede de man, bijgestaan door zijn advocaat. Alhoewel behoorlijk opgeroepen is [dochter] niet verschenen.

2 Vaststaande feiten

2.1.

De vrouw en de man zijn op 15 april 1993 met elkaar gehuwd. Tussen hen is de echtscheiding uitgesproken door de Rechtbank Midden-Nederland bij beschikking van 13 maart 2013. Deze beschikking is op 22 juli 2013 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente [gemeente] .

2.2.

Uit het huwelijk van de man en de vrouw zijn de volgende kinderen geboren:

  • -

    [dochter] , geboren te [geboorteplaats] op [1997] ;

  • -

    [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [2003] .

2.3.

De man en de vrouw oefenen van rechtswege gezamenlijk het gezag uit over [minderjarige] .

2.4.

Ten tijde van de echtscheiding hebben de man en de vrouw in het door hen gesloten echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan afspraken gemaakt over de door de man te betalen kinderalimentatie. In voormeld echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan zijn zij overeengekomen dat de man met een bedrag van € 137,50 per kind per maand, zijnde € 275,- per maand in totaal, zal bijdragen, met ingang van 1 juli 2012, bij vooruitbetaling te voldoen voor de eerste van de maand. Het echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan maken deel uit van de echtscheidingsbeschikking van 13 maart 2013.

2.5.

Op grond van de wettelijke indexering is dit bedrag per 1 januari 2016 € 144,08 per kind per maand, zijnde € 288,16 per maand in totaal.

3 Beoordeling van het verzochte

3.1.

De vrouw en [dochter] verzoeken om bij beschikking voor zover de wet dit toelaat uitvoerbaar bij voorraad te bepalen dat de onderhoudsbijdrage met ingang van 15 oktober 2014 voor [dochter] , door de man te voldoen aan de vrouw op € 327,- per maand wordt gesteld, bij vooruitbetaling te voldoen en te bepalen dat de kinderalimentatie met ingang van 15 oktober 2014 voor [minderjarige] , door de man te voldoen aan de vrouw op € 327,- per maand wordt gesteld, bij vooruitbetaling te voldoen.

3.2.

Zij stellen daartoe dat de echtelijke woning inmiddels is verkocht, dat de woonlasten van de man lager zijn en dat hij een beter inkomen genereert. Daarnaast is de zorgregeling die partijen hebben afgesproken niet meer van toepassing. De man heeft zeer sporadisch contact met de kinderen. Daarnaast is [dochter] op [2015] meerderjarig geworden.

3.3.

De man voert verweer en concludeert tot afwijzing van het verzoek van de vrouw en [dochter] . Bij wege van zelfstandig verzoek verzoekt de man, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud en verzorging van zijn kinderen zoals vastgelegd in de beschikking d.d. 13 maart 2013 per 1 januari 2016 wordt verlaagd naar € 50,- per kind per maand, althans een bijdrage en per datum die de rechtbank in goede justitie juist acht, met bepaling dat de kinderalimentatie tot 1 januari 2016 gelijk wordt gesteld aan het bedrag dat feitelijk door de man aan de vrouw en [dochter] is voldaan als bijdrage in de kosten van levensonderhoud van [minderjarige] en [dochter] .

3.4.

Hij stelt daartoe dat hij over onvoldoende draagkracht beschikt om de door de vrouw en [dochter] verzochte bijdrage te voldoen, dan wel om de huidige bijdrage te blijven voldoen. Daarnaast stelt hij dat destijds de bijdrage met grove miskenning van de wettelijke maatstaven is vastgesteld, omdat de behoefte op een te hoog bedrag is gesteld. Ten slotte maakt hij bezwaar tegen de door de vrouw en [dochter] verzochte ingangsdatum.

3.5.

De vrouw en [dochter] hebben verweer gevoerd tegen het zelfstandig verzoek van de man.

Wijziging van omstandigheden (ontvankelijkheid)

3.6.

Partijen zijn het erover eens dat de verkoop van de voormalige echtelijke woning een wijziging van omstandigheden inhoudt die een herbeoordeling van de kinderalimentatie rechtvaardigt. Om die reden zal de rechtbank dan ook hierna de behoefte en de draagkracht opnieuw beoordelen.

Ingangsdatum

3.7.

Om procestechnische redenen zal de rechtbank eerst een beslissing nemen omtrent de ingangsdatum van een eventuele wijziging van de alimentatie.

3.8.

De vrouw en [dochter] verzoeken een eventuele verhoging van de bijdrage in te laten gaan per 15 oktober 2014. Zij stellen daartoe dat partijen gezamenlijk een alimentatieberekening hebben laten opstellen door het LBIO op die datum. De man kon en moest vanaf die datum rekening houden met een verhoging van de kinderalimentatie.

3.9.

De man voert verweer tegen de door [dochter] en de vrouw verzochte ingangsdatum voor een verhoging van de kinderalimentatie. Hij erkent weliswaar dat partijen het LBIO hebben benaderd voor een herberekening, maar hij stelt dat hij het van meet af aan niet eens is geweest met de uitkomst van die herberekening. Verder stelt hij dat hij voorafgaande aan deze procedure al een hogere bijdrage heeft betaald. Zo heeft hij in het hele jaar 2015 een bedrag van € 250,- per kind per maand betaald. De vrouw en [dochter] hebben daarbij nooit om een hogere bijdrage verzocht. De man mocht er dan ook vanuit gaan dat zij met dit bedrag instemden. Wat zijn zelfstandig verzoek tot verlaging, stelt hij dat deze in dient te gaan per 1 januari 2016.

3.10.

De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank stelt voorop dat pas na een beoordeling van de behoefte en de draagkracht kan worden vastgesteld of een verhoging dan wel een verlaging van de kinderalimentatie aan de orde is. Voor zover hierna zal blijken dat een verhoging van de alimentatie is aangewezen, ziet de rechtbank geen aanleiding om uit te gaan van een ingangsdatum van 15 oktober 2014. Daartoe overweegt de rechtbank dat de herberekening van het LBIO slechts een advies is, zoals ook blijkt uit de door de vrouw en [dochter] overgelegde brief van het LBIO, en de man heeft aangegeven daarmee niet te kunnen instemmen. Bovendien dateert de herberekening alweer van 2014 en zijn de vrouw en [dochter] niet eerder een procedure gestart om de man te bewegen het door het LBIO becijferde bedrag te betalen. Naar het oordeel van de rechtbank dient in dit geval bij een verhoging van de alimentatie te worden aangesloten bij de datum van indiening van het verzoekschrift van de vrouw en [dochter] , te weten 26 april 2016, omdat de man vanaf dat moment redelijkerwijs rekening kon houden met een eventuele verhoging van de alimentatie. Voor zover hierna zal blijken dat juist een verlaging van de alimentatie is aangewezen, zal de rechtbank de ingangsdatum bepalen op de datum van indiening van het verweerschrift, houdende zelfstandig verzoek, te weten 23 juni 2016. Vanaf dat moment konden de vrouw en [dochter] immers rekening houden met een eventuele verlaging van de alimentatie.

Behoefte

3.11.

Volgens de vrouw en [dochter] dient voor de bepaling van de behoefte te worden aangesloten bij hetgeen de man en de vrouw zijn overeengekomen in het echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan, te weten een bedrag van € 550,-- per kind per maand. Geïndexeerd naar 2016 komt dat volgens de vrouw en [dochter] op een bedrag van € 566,66 per kind per maand. Ten aanzien van [dochter] geven de vrouw en [dochter] de rechtbank in overweging om voor de bepaling van haar behoefte aan te sluiten bij de normen als genoemd in de Wet Studiefinanciering.

3.12.

De man heeft zich op het standpunt gesteld dat de in het echtscheidingsconvenant en het ouderschapsplan opgenomen behoefte van € 550,-- per kind per maand met grove miskenning van de wettelijke maatstaven is overeengekomen. Hij stelt daartoe dat de behoefte te hoog is vastgesteld, gelet op zijn inkomen als genoemd in de aangiften voor de inkomstenbelasting over de jaren 2011 tot en met 2013. Volgens de man zou de behoefte van [minderjarige] en [dochter] € 360,-- per kind per maand zijn, uitgaande van dit inkomen. Ten slotte merkt de man op dat voor [dochter] niet moet worden aangesloten bij de normen als genoemd in de Wet Studiefinanciering, omdat de kosten voor haar niet wezenlijk zijn veranderd sinds zij meerderjarig is geworden.

3.13.

De rechtbank overweegt als volgt. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen reden om aan te nemen dat de behoefte, als overeengekomen in het echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan, met grove miskenning is vastgesteld. Daartoe overweegt de rechtbank dat partijen bij de totstandkoming van het echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan zijn bijgestaan door familierechtadvocaten. Bovendien is voor de bepaling van de behoefte, anders dan de man lijkt te veronderstellen, niet alleen zijn fiscale inkomen van invloed, maar dient te worden gekeken naar wat de man en de vrouw voor [dochter] en [minderjarige] te besteden hadden. Hierbij zijn – onder meer – ook de onttrekkingen uit de onderneming van de man van belang. Niet valt uit te sluiten dat met die onttrekkingen door (de advocaten van) de man en de vrouw rekening is gehouden bij de bepaling van de behoefte. Van een wijziging van omstandigheden ten aanzien van de behoefte kan verder ook geen sprake zijn, aangezien de behoefte wordt gerelateerd aan de welstand die de kinderen tijdens het huwelijk gewend waren en daarmee afhankelijk is van gegevens in het verleden. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank aansluiten bij hetgeen de man en de vrouw in het echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan zijn overeengekomen en – in lijn met de stellingen van de vrouw en [dochter] – de behoefte bepalen op € 566,66 per kind per maand. Ten aanzien van de behoefte van [dochter] overweegt de rechtbank verder nog dat zij geen aanleiding ziet om aan te sluiten bij de normen als genoemd in de Wet Studiefinanciering, aangezien door de man onbetwist is gesteld dat de kosten voor [dochter] niet wezenlijk zijn veranderd sinds zij meerderjarig is geworden.

Draagkracht van de man

3.14.

Voor de berekening van de draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van de navolgende financiële gegevens. Voor zover deze gegevens tussen partijen niet vaststaan, zal de rechtbank hierop gemotiveerd ingaan.

Inkomen van de man

3.15.

De man is als zelfstandig ondernemer (mede-)eigenaar van de volgende ondernemingen: [VOF 1] v.o.f., de eenmanszaak [VOF 2] v.o.f. Voor de bepaling van het inkomen uit deze ondernemingen stelt de man dat moet worden uitgegaan van de gemiddelde winst, als genoemd in de aangiftes voor de inkomstenbelasting van de jaren 2013 tot en met 2015. Dit komt neer op een gemiddelde winst van € 23.153,33 bruto per jaar. Volgens de man zijn deze gegevens volledig en kan hiervan dan ook worden uitgegaan. Hij wijst er daarbij op dat dit ook de gegevens zijn zoals hij deze bij de Belastingdienst heeft ingediend.

3.16.

De vrouw en [dochter] betwisten het door de man gestelde bedrag van € 23.153,33 bruto per jaar. Volgens hen dient daarentegen uit te worden gegaan van de privé-onttrekkingen uit [VOF 1] v.o.f. en de eenmanszaak [VOF 2] in 2015, die zij stellen op € 40.000,-- netto per jaar. Zij trekken de geloofwaardigheid van de door de man overgelegde cijfers in twijfel. Zo bestaan er volgens hen onverklaarbare discrepanties tussen de omzetcijfers en het bedrijfsresultaat. Daarnaast merken zij op dat de component ‘overige bedrijfskosten’ exorbitant is gestegen en niet in verhouding staat tot de omzet.

3.17.

De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de door de man overlegde cijfers. Dit gelet op de verklaring van de man ter zitting, inhoudende dat in de hoveniersbranche veelal sprake is van een fluctuatie in - onder meer - werkvoorraad en (machine)kosten, wat tot fluctuaties in de cijfers leidt. Bovendien heeft de man deze gegevens ook als zodanig bij de Belastingdienst ingediend en is niet gebleken dat de Belastingdienst deze gegevens niet heeft geaccepteerd. Tevens is de rechtbank van oordeel dat de in het afgelopen jaar gedane privéonttrekkingen uit [VOF 1] v.o.f. en de eenmanszaak [VOF 2] niet als uitgangspunt voor de bepaling van de draagkracht van de man kunnen dienen, daar het onvoldoende aannemelijk is geworden dat vergelijkbare privé-onttrekkingen ook in de toekomst zullen en kunnen plaatsvinden. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank voor de bepaling van de draagkracht van de man uitgaan van de gemiddelde bruto winst, als genoemd in de aangiftes voor de inkomstenbelasting van [VOF 1] v.o.f. en de eenmanszaak [VOF 2] van de jaren 2013 tot en met 2015. Eventuele inkomsten uit de onderneming Terrasreinigers v.o.f. worden niet meegenomen, aangezien deze onderneming pas in april 2016 is opgericht en de (opstart)kosten op dit moment de inkomsten nog overstijgen. De bruto winst uit [VOF 1] v.o.f. en de eenmanszaak [VOF 2] tezamen was in 2013 € 18.215,-- in 2014 € 29.321,-- en in 2015 € 21,924,--. De gemiddelde bruto winst uit deze ondernemingen in deze jaren komt daarmee (afgerond) op € 23.153,-- per jaar, zijnde (afgerond) € 1.929,-- per maand.

Premie arbeidsongeschiktheidsverzekering en lijfrenten

3.18.

De man stelt dat voor de berekening van zijn draagkracht de door hem te betalen premies voor lijfrente en arbeidsongeschiktheidsverzekering op zijn netto besteedbaar inkomen in mindering moeten worden gebracht. De netto premie voor de lijfrente van de man bedroeg in 2015, zoals volgt uit de aangifte voor de inkomstenbelasting 2015 € 540,-- per jaar, zijnde € 45,-- per maand. De netto premie voor de arbeidsongeschiktheidsverzekering van de man bedroeg in 2015, zoals volgt uit de aangifte voor de inkomstenbelasting 2015 € 6.215,-- per jaar, zijnde € 517,92 per maand. Tezamen komt dit op een bedrag van € 6.755,-- per jaar aan uitgaven inkomensvoorzieningen, zijnde een bedrag van € 562,92 per maand.

3.19.

De vrouw en [dochter] betwisten dat er een bedrag van € 562,92 aan uitgaven voor inkomensvoorzieningen op het netto besteedbaar inkomen van de man in mindering moet worden gebracht. Zij stellen daartoe dat de vrouw zelf geen ruimte heeft om dergelijke voorzieningen te treffen, omdat zij de zorg heeft voor [dochter] en [minderjarige] . Indien de rechtbank aan de kant van de man dan wel rekening houdt met dergelijke voorzieningen bij de berekening van diens draagkracht, zou dit volgens de vrouw en [dochter] onrechtvaardig zijn tegenover de vrouw en ook met name tegenover [dochter] en [minderjarige] . Het rekening houden met deze kosten bij de berekening van de draagkracht van de man zou in dit geval geen recht doen aan de plek die kinderalimentatie heeft in ons rechtssysteem. [dochter] en [minderjarige] zouden dan immers lijden onder het pensioen en de arbeidsongeschiktheidsverzekering van de man. Daarnaast stellen de vrouw en [dochter] dat het door de man gestelde bedrag aan premie voor de arbeidsongeschiktheidsverzekering van de man in verhouding tot zijn inkomen erg hoog is. Zij verwijzen daarvoor naar de staffel uit 2012 van de betreffende verzekering zoals door de man overgelegd tijdens een eerder gevoerde procedure. Uit deze staffel volgt dat in 2016 (jaar 4 na 2012) het verzekerde bedrag aan inkomen € 33.775,-- is. De termijnpremie die hierbij hoort is € 376,99. Voor een termijnbedrag van € 376,99 zou de man derhalve al een inkomen kunnen verzekeren dat hoger is dan het door hem gestelde inkomen van € 23.153,-- bruto per jaar. Uit het feit dat de man een premie van € 517,92 per maand voldoet, concluderen de vrouw en [dochter] dat de man ofwel een veel te hoog inkomen heeft verzekerd ofwel dat zijn inkomen hoger is dan hij zegt. Volgens de vrouw en [dochter] dient zowel de premie voor de lijfrente als de premie voor de arbeidsongeschiktheidsverzekering niet te worden meegenomen bij de berekening van de draagkracht van de man. In het geval dat de rechtbank wel rekening houdt met de premie van de arbeidsongeschiktheidsverzekering van de man stellen de vrouw en [dochter] dat dit dan een lager bedrag dient te zijn dan de door de man gestelde € 517,92,-- per maand.

3.20.

De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank is van oordeel dat de premie voor lijfrente van de man bij de berekening van diens draagkracht niet in mindering dient te worden gebracht op zijn winst uit onderneming. Hiertoe overweegt de rechtbank dat nu de behoefte van [dochter] en [minderjarige] gezien het beperkte inkomen van de man zijn draagkracht te boven gaat, (de aftrek van de kosten aangaande) het pensioen van de man geen voorrang heeft op de kinderalimentatie. Naar het oordeel van de rechtbank gaat de dringende onderhoudsverplichting van de man ten aanzien van [dochter] en [minderjarige] hierop voor. De premie voor de arbeidsongeschiktheidsverzekering van de man dient naar het oordeel van de rechtbank wel meegenomen te worden bij de berekening van diens draagkracht. Dit aangezien een arbeidsongeschiktheidsverzekering voor de man in beginsel ook in het belang is van [dochter] en [minderjarige] . Indien de man onverhoopt arbeidsongeschikt zou raken, is hij dan immers van een inkomen verzekerd dat hij kan aanwenden voor de betaling van kinderalimentatie. Ten aanzien van de hoogte van deze premie overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank acht de door de man gestelde premie van € 517,92 per maand niet in verhouding staan tot diens bovenstaand vastgestelde bruto winst uit onderneming van € 23.153,-- per jaar. Voor de bepaling van de hoogte van de premie arbeidsongeschiktheidsverzekering zal de rechtbank dan ook aansluiten bij de staffel uit 2012 van de desbetreffende verzekering. Dit komt neer op een bedrag van (afgerond) € 377,-- per maand. Deze premie zal de rechtbank, verminderd met het fiscaal voordeel dat de man hierover ontvangt, in mindering brengen op zijn netto besteedbaar inkomen.

Netto besteedbaar inkomen van de man

3.21.

Uitgaande van voormeld inkomen uit onderneming en voormelde premie voor de arbeidsongeschiktheidsverzekering, becijfert de rechtbank – onder verwijzing naar de bijgevoegde berekening – het netto besteedbaar inkomen van de man op € 1.490,-- per maand.

Draagkrachttabel (woonlasten)

3.22.

De man stelt dat aangesloten moet worden bij het forfaitaire stelsel voor het berekenen van zijn draagkracht voor de kinderalimentatie. Hij geeft daarbij te kennen op dit moment woonlasten te hebben, bestaande uit de huur van een kamer op [adres] te [woonplaats] . Hij verklaart dat dit een tijdelijke situatie betreft en dat hij op zoek is naar een eigen permanente woning. Gelet op de lasten die hij nu heeft en in de toekomst zal hebben, dient volgens hem te worden aangesloten bij de forfaitaire wijze van draagkracht berekenen, zoals gehanteerd wordt door de Expertgroep alimentatienormen en dient derhalve 30% van het netto besteedbaar inkomen van de man als woonlasten te worden beschouwd bij de berekening van diens draagkracht.

3.23.

De vrouw en [dochter] betwisten dat de man woonlasten heeft. De man zou niet woonachtig zijn op het adres [adres] te [woonplaats] , maar in een schuur op zijn bedrijfsterrein. Hier zou hij geen kosten voor hoeven maken. Ter onderbouwing van hun stelling overleggen zij een uitdraai uit de Basisregistratie Personen, waaruit volgt dat op het adres [adres] te [woonplaats] andere personen woonachtig zijn. Volgens de vrouw en [dochter] dient er bij de berekening van de draagkracht van de man dan ook geen rekening te worden gehouden met (forfaitaire) woonlasten.

3.24.

De rechtbank overweegt als volgt. Uit de Basisregistratie Personen volgt dat de man staat ingeschreven op het adres [adres] te [woonplaats] . Dat er ook andere personen op dit adres staan ingeschreven, maakt naar het oordeel van de rechtbank nog niet dat de man hier niet woonachtig zou zijn. Immers heeft de man ter zitting verklaard dat hij hier een kamer huurt en derhalve samen met deze personen de woning bewoont. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat de man woonlasten heeft. De rechtbank zal bij de berekening van de draagkracht van de man dan ook rekening houden met diens woonlasten. Op basis van het forfaitaire stelsel wordt 30% van het netto besteedbaar inkomen van de man als woonlasten beschouwd. Dit komt in dit geval neer op een bedrag van € 447,-- per maand. De rechtbank acht dit in het onderhavige geval geen onredelijk bedrag. De rechtbank zal bij de berekening van de draagkracht van de man derhalve rekening houden met woonlasten conform het forfaitaire berekening. De draagkracht van de man bedraagt volgens de draagkrachttabel dan ook

€ 123,-- per maand.

Vermogen

3.25.

De vrouw en [dochter] stellen dat de man, naast zijn inkomen uit arbeid, ook over vermogen beschikt dat hij zou kunnen aanwenden om de kinderalimentatie van te voldoen. Zij stellen dat de man uit de verkoop van de voormalige echtelijke woning € 100.000,-- heeft ontvangen, terwijl de vrouw een bedrag van € 50.000,-- heeft ontvangen. Dat de man een verlaging van de kinderalimentatie verzoekt tot een bedrag van € 50,-- per kind per maand, strookt niet met het gegeven dat de man sinds de verkoop van de voormalige echtelijke woning geen hoge woonlasten meer heeft en nog over het bedrag van € 100.000,-- zou moeten beschikken. Volgens de vrouw en [dochter] druist het tegen het rechtvaardigheidsgevoel in om bij de berekening van de draagkracht van de man geen rekening te houden met de door de man ontvangen € 100.000,--.

3.26.

De man betwist dat hij over vermogen beschikt dat moet worden meegenomen bij de berekening van diens draagkracht. Weliswaar erkent de man dat hij € 100.000,-- heeft ontvangen uit de verkoop van de voormalige echtelijke woning, maar hij stelt hier een aankoop mee te hebben gedaan en hier geen inkomsten uit te genereren. Deze gelden dienen volgens de man niet te worden meegenomen bij de berekening van zijn draagkracht. De man geeft aan verder geen informatie te kunnen en te hoeven verstrekken aangaande de besteding van de ontvangen € 100.000,--.

3.27.

De rechtbank stelt voorop dat op grond van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad niet alleen dient te worden gekeken naar het inkomen dat een onderhoudsplichtige uit arbeid genereert, maar dat ook rekening dient te worden gehouden met een eventueel rendement dat de onderhoudsplichtige met belegging van zijn vermogen kan behalen. Bovendien kan in bijzondere omstandigheden van een alimentatieplichtige worden verlangd dat hij inteert op zijn aanwezige vermogen (HR 27 maart 1992, NJ 1992, 395). Daarbij geldt dat een onderhoudsplichtige, gelet op diens dringende onderhoudsverplichting, de belangen van zijn kinderen in acht dient te nemen, indien hij keuzes maakt die zijn draagkracht negatief kunnen beïnvloeden (zie ook Hof Arnhem-Leeuwarden 28 juli 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:5790).

3.28.

Tussen partijen staat vast dat de man € 100.000,-- uit de verkoop van de voormalige echtelijke woning heeft ontvangen en de vrouw € 50.000,--. Gelet op voormelde jurisprudentie had de man, anders dan hij kennelijk meent, inzage moeten verschaffen in wat hij met dit ontvangen bedrag heeft gedaan. De man heeft dit echter in zijn geheel nagelaten en slechts gesteld dat hij dit bedrag heeft besteed. Hierdoor kan de rechtbank niet beoordelen of de man nog de beschikking heeft over dit bedrag dan wel, indien dit bedrag is geconsumeerd, of dit is gebeurd met inachtneming van de belangen van zijn kinderen. Om die reden is de rechtbank van oordeel dat het bedrag dat de man uit de verkoop van de echtelijke woning heeft ontvangen bij zijn draagkracht moet worden betrokken. Wel acht de rechtbank het redelijk om, aangezien de vrouw zelf ook een bedrag uit deze verkoop heeft ontvangen, slechts rekening te houden met het meerdere dat de man heeft verkregen, te weten € 50.000,--. Naar het oordeel van de rechtbank dient de man het bedrag van € 50.000,-- aan te wenden om een eventueel tekort aan gezamenlijke draagkracht van partijen om in de behoefte van de kinderen te voorzien op te vangen. Om te bezien in hoeverre er een dergelijk tekort bestaat, zal de rechtbank hierna de draagkracht van de vrouw beoordelen.

Draagkracht van de vrouw

3.29.

Voor de berekening van de draagkracht van de vrouw gaat de rechtbank uit van de navolgende financiële gegevens. Voor zover deze gegevens tussen partijen niet vaststaan, zal de rechtbank hierop gemotiveerd ingaan.

Inkomen van de vrouw uit onderneming

3.30.

De vrouw is als zelfstandig ondernemer (mede-)eigenaar van de volgende ondernemingen: [VOF 3] v.o.f. (sinds januari 2015 100% eigenaar) en [bedrijf] (50% eigenaar). De vrouw en [dochter] stellen dat voor de berekening van de draagkracht van de vrouw uitgegaan moet worden van het inkomen als gehanteerd in de LBIO berekening van 15 oktober 2014. Het LBIO gaat daarin uit van een te verwachten beschikbare winst uit onderneming van € 7.200,--. De vrouw verklaart ter zitting dat [VOF 3] tot 1 januari 2015 eigendom was van twee personen, maar dat vanaf 1 januari 2015 de vrouw alleen is verder gegaan. Dit omdat vanaf dat moment één van de twee scholen waarvoor de onderneming werkzaamheden verrichtte de samenwerking heeft beëindigd. Dat is ook de reden dat de winst uit [VOF 3] v.o.f. in 2015 ruim de helft minder bedraagt dan in 2014. Op korte termijn zullen ook de werkzaamheden voor de overgebleven school eindigen. De vrouw zal vanaf dat moment dan ook stoppen met de onderneming [VOF 3] v.o.f.

3.31.

De man betwist dat voor de berekening van de draagkracht van de vrouw de berekening van het LBIO als uitgangspunt zal moeten dienen. Het bedrag van € 7.200,-- in de berekening van het LBIO kan de man niet plaatsen en acht de man niet realistisch. Hij stelt dat – zo begrijpt de rechtbank – uit moet worden gegaan van de winst van de vrouw uit onderneming, zoals dit blijkt uit de cijfers over 2014. Hij voert daartoe aan dat aangiftes voor de inkomstenbelasting ontbreken over 2013 en 2015, zodat hij niet kan controleren of de door de vrouw overgelegde jaarcijfers juist zijn. Bovendien wordt in de jaarrekening van [VOF 3] v.o.f. over 2015 een bedrag aan kosten opgevoerd van € 7.125,--, waarmee volgens de man geen rekening zou moeten worden gehouden. Dit bedrag zou namelijk verband houden met een boete die de vennootschap heeft gekregen, maar waartegen beroep is ingesteld. Wellicht wordt deze boete kwijtgescholden en komen deze kosten te vervallen. Volgens de man dient dan ook aangesloten te worden bij de door de vrouw overgelegde aangifte voor de inkomstenbelasting 2014. Hieruit volgt dat [VOF 3] v.o.f. in 2014 een bedrijfsresultaat had van € 62.745,--. Als 50% eigenaar van deze onderneming in 2014 was de winst uit deze onderneming voor de vrouw in 2014 derhalve (afgerond) € 31.373,--. Wat de winst uit [bedrijf] betreft, stelt de man dat gerekend moet worden met een winst van € 277,-- per jaar.

3.32.

De rechtbank stelt voorop dat zij geen aanleiding ziet om bij de berekening van de draagkracht van de vrouw aan te sluiten bij de berekening van het LBIO. Zoals onder overweging 3.10 opgenomen betreft de berekening van het LBIO slechts een advies, en de man heeft aangegeven daarmee niet te kunnen instemmen. Bovendien ontbreekt er bij de berekening van het LBIO een onderbouwing waaruit blijkt waar het opgenomen bedrag van € 7.200,-- aan te verwachten beschikbare winst uit onderneming van de vrouw op is gebaseerd.

3.33.

Naar het oordeel van de rechtbank dient, net als voor de bepaling van het inkomen van de man uit onderneming, voor de bepaling van het inkomen van de vrouw uit te worden uitgegaan van de gemiddelde bruto winst uit onderneming van de laatste jaren. Dat de jaarcijfers over 2015 een aanzienlijke daling van de omzet laten zien ten opzichte van eerdere jaren en dat de verwachting van de vrouw is dat dit in de toekomst nog verder af gaat nemen, vormt voor de rechtbank geen reden om niet aan te sluiten bij dit gemiddelde. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad komt het bij de beoordeling van de draagkracht van een onderhoudsplichtige niet alleen aan op het inkomen dat iemand daadwerkelijk verdient, maar moet ook worden gekeken naar het inkomen dat iemand redelijkerwijs in de nabije toekomst moet kunnen verdienen. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de overgelegde cijfers over de jaren 2011, 2012 en 2014 dat de vrouw redelijkerwijs in staat is om een hoger inkomen te verdienen dan zij in 2015 heeft gedaan. De rechtbank zal daarom de draagkracht van de vrouw berekenen op grond van meerdere jaren en overweegt daartoe als volgt. Wat het inkomen van de vrouw in 2015 betreft, gaat de rechtbank uit van de door de vrouw als productie 10 overgelegde jaarcijfers, waaruit een winst uit [VOF 3] (op dat moment een eenmanszaak) volgt van € 13.208,-- bruto per jaar. De rechtbank ziet daarbij geen aanleiding om het aandeel van de vrouw in de opgelegde boete van het ministerie niet op de winst in mindering te brengen. Deze boete is immers reeds betaald en het is nog onduidelijk of het hiertegen ingestelde beroep kans van slagen heeft. Voor de bepaling van de winst uit [bedrijf] sluit rechtbank aan bij de betreffende jaarcijfers over 2015, waaruit een bedrijfsresultaat van € 3.220,-- bruto per jaar blijkt. Hiervan komt de helft aan de vrouw toe, zijnde € 1.610,-- bruto per jaar. In totaal bedroeg het inkomen van de vrouw uit onderneming in 2015 dan ook (13.208+ 1.610=) € 14.818,-- bruto per jaar. Wat het inkomen van de vrouw in 2014 betreft, sluit de rechtbank aan bij de gegevens als vermeld in de door de vrouw als productie 11 overgelegde aangifte voor de inkomstenbelasting. Volgens pagina 14 van deze aangifte bedroeg de totale belastbare winst uit onderneming van de vrouw in 2014 € 31.650,-- bruto per jaar. Wat het inkomen van de vrouw uit 2013 betreft, zijn door haar geen gegevens overgelegd. Om die reden zal de rechtbank aansluiten bij het resultaat als vermeld in de jaarcijfers over 2012, zijnde € 53.619,-- bruto per jaar, waarvan de helft aan de vrouw toekomt, te weten (afgerond) € 26.810,-- bruto per jaar. De gemiddelde winst uit onderneming bedraagt derhalve: (14.818 + 31.650 + 26.810) / 3 = € 24.426,-- bruto per jaar.

Inkomen uit kindgebonden budget

3.34.

De rechtbank becijfert dat de vrouw, uitgaande van voormelde gemiddelde winst, aanspraak kan maken op een kindgebonden budget van € 4.337,-- netto per jaar.

Netto besteedbaar inkomen van de vrouw

3.35.

Uitgaande van voormelde gemiddelde winst uit onderneming en voormeld kindgebonden budget becijfert de rechtbank – onder verwijzing naar de bijgevoegde berekening – het netto besteedbaar inkomen van de vrouw op € 2.326,-- netto per maand.

Draagkrachtformule

3.36.

Aan de hand van de door de Expertgroep Alimentatienormen aanbevolen draagkrachtformule becijfert de rechtbank de draagkracht van de vrouw op een bedrag van: 70% van [2.326 – (0,3 x 2.326 + 890)] = € 517,-- per maand (afgerond).

Draagkrachtvergelijking

3.37.

Gelet op het voorgaande bedraagt de gezamenlijke draagkracht van partijen (123 + 517 =) € 640,-- per maand. De totale behoefte van de kinderen bedraagt (566,66 x 2 =) € 1.133,-- per maand (afgerond). Dit betekent dat er een tekort aan draagkracht is van (1.133

-/- 640 =) € 493,-- per maand. Zoals de rechtbank hiervoor onder punt 3.28 heeft overwogen, is zij van oordeel dat van de man mag worden gevergd dat hij dit tekort aanvult vanuit het door hem ontvangen bedrag van € 50.000,--. Daarbij overweegt de rechtbank dat het bedrag van € 50.000,-- ruim voldoende is om voor de resterende duur van zijn onderhouds-verplichting dit tekort aan te vullen. De rechtbank zal dan ook het tekort van € 493,-- per maand optellen bij de door de man te betalen bijdrage in de kosten van de kinderen.

3.38.

Nu geen van de partijen rekening met een zorgkorting aan de kant van de man zal de rechtbank daar ook geen rekening mee houden.

Conclusie

3.39.

Gelet op het voorgaande becijfert de rechtbank de door de man te betalen bijdrage op een bedrag van (123 + 493 =) € 616,-- per maand, zijnde € 308,-- per kind per maand. Deze bijdrage ligt substantieel hoger dan de bijdrage die de man ingevolge de echtscheidingsbeschikking van 13 maart 2013 en het daaraan gehechte echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan dient te voldoen. De rechtbank concludeert dan ook dat die eerdere bijdrage niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet. De rechtbank zal, zoals hiervoor onder punt 3.10. is overwogen, de verhoogde kinderalimentatie in laten gaan per 26 april 2016. Ten slotte overweegt de rechtbank dat ingevolge het bepaalde in artikel 1:408 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek de man de bijdrage voor [minderjarige] aan de vrouw dient te voldoen, maar de bijdrage voor [dochter] rechtstreeks aan [dochter] zelf.

3.40.

De rechtbank zal de draagkrachtberekening van de man en de vrouw waarmerken en aanhechten aan deze beschikking.

4 Beslissing

De rechtbank:

4.1.

wijzigt de beschikking van deze rechtbank van 13 maart 2013 alsmede het daarin opgenomen echtscheiding en ouderschapsplan als volgt:

4.2.

bepaalt het bedrag dat de man aan de vrouw met ingang van 26 april 2016 zal verstrekken tot verzorging en opvoeding van de minderjarige [minderjarige] nader op € 308,-- (driehonderdacht euro) per maand, vanaf heden telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

4.3.

bepaalt het bedrag de man aan de jongmeerderjarige [dochter] met ingang van 26 april 2016 zal verstrekken als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud en studie nader op

€ 308,-- (driehonderdacht euro) per maand, vanaf heden telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

4.4.

handhaaft de beschikking van deze rechtbank van 13 maart 2013 alsmede het daarin opgenomen echtscheiding en ouderschapsplan voor het overige;

4.5.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

4.6.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.R. van Es-de Vries, (kinder)rechter, in aanwezigheid van mr. R. van der Vaart, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 31 augustus 2016.1

1 type: v coll: