Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:4671

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
23-08-2016
Datum publicatie
23-08-2016
Zaaknummer
16.659742-14 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 89-jarige man uit Zeewolde wordt veroordeeld voor het plegen van ontuchtige handelingen met een minderjarige in 2014. De rechtbank legt de man een voorwaardelijke gevangenisstraf op van 1 maand, met een proeftijd van 2 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Lelystad

Parketnummer: 16.659742-14 (P)

Uitspraak: 23 augustus 2016

Vonnis van de meervoudige kamer van 23 augustus 2016

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1927] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [adres] .

1 HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het onderzoek heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzitting van de rechtbank van 9 augustus 2016, waarbij de verdachte is verschenen en werd bijgestaan door mr. G.I. Roos en mr. J.B. van Faassen, beiden advocaat te Almere.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. H. Leepel en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

2 DE TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 10 maart 2014 te Zeewolde, althans in het arrondissement Midden-Nederland, met [slachtoffer] , geboren op [2003] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande in het (telkens) ontuchtig (over de onderbroek) aanraken/betasten van de vagina en/of de/het bovenbe(e)n(en) van die [slachtoffer] en/of het (meermalen) kussen op de mond en/of in de nek/hals van die [slachtoffer] .

3 DE VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak en dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging.

Met betrekking tot de vraag of er redenen zijn voor schorsing van de vervolging overweegt de rechtbank het hier navolgende. Ter terechtzitting is de vraag opgeworpen in hoeverre de verdachte in staat is thans de strekking van de tegen hem ingestelde vervolging te begrijpen, een en ander zoals bedoeld in artikel 16 van het Wetboek van Strafvordering.

Bij de beantwoording van deze vraag heeft de rechtbank onder meer acht geslagen op de door de verdediging ter terechtzitting overgelegde brief van huisartsenpraktijk [huisartsenpraktijk] van 4 augustus 2016, alsmede op de notitie van 4 augustus 2015 afkomstig van [A] , de zoon van verdachte. Tevens heeft de rechtbank bij de beantwoording van de vraag betrokken de antwoorden van verdachte op vragen van de voorzitter en verder haar eigen waarnemingen van verdachte ter terechtzitting van 9 augustus 2016.

Op grond van het een en ander komt de rechtbank tot de slotsom dat verdachte in staat moet worden geacht de strekking van de tegen hem ingestelde vervolging te begrijpen. Feiten of omstandigheden die tot een andersluidend oordeel zouden moeten leiden, zijn niet gebleken.

4 DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat bewezen kan worden verklaard hetgeen aan verdachte ten laste is gelegd.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich voor wat betreft de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

De beslissing dat het hierna bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierna weergegeven bewijsmiddelen, in onderling verband en onderlinge samenhang beschouwd.1

Het proces-verbaal van verhoor aangeefster

Op 9 mei 2014 heeft [B] na een eerder informatief gesprek zeden d.d. 3 april 2014, aangifte gedaan van seksuele aanranding van haar dochter [slachtoffer] . Het proces-verbaal van verhoor houdt - voor zover relevant en zakelijk weergegeven - het navolgende in:

Vr = vraag verbalisant(en)

A = antwoord aangeefster

O = opmerking(en)

Vr: Hoe heet je grootvader waartegen je aangifte doet?

A: [verdachte] . Ik weet dat zijn voorletters [verdachte] zijn. Hij is 87.

Hij woont op [adres] in [woonplaats] .

Vr: Zou je nu in je eigen woorden willen vertellen wat er gebeurd zou zijn tussen [slachtoffer] en haar overgrootvader?

A: Het is begonnen op maandag 10 maart (rechtbank: 2014).

Maandagavond iets voor zessen. Mijn man kookt voor opa en oma. [slachtoffer] ging het eten brengen. Hij (rechtbank: de verdachte) ging met haar mee de lift in. Zij stond met haar rug naar hem toe. Opa heeft de lift stilgezet. Hij stond achter haar. Hij heeft met zijn handen in haar rokje op de onderbroek aan haar vagina gezeten. Ik bedoel niet in haar onderbroek en op haar blote vagina. Opa heeft haar in haar nek gekust. Hij vroeg: “doet jouw vader het ook zo lekker?”. Wat ik heb begrepen zou het twee minuutjes hebben geduurd. Na de twee minuutjes zou hij de lift weer naar beneden hebben gedaan. [slachtoffer] kwam thuis en toen vertelde zij het direct. Vervolgens ben ik naar hem toegegaan. Ik heb hem toen verteld wat ik had gehoord. Hij heeft alles bekend. Hij heeft gezegd dat hij een zwak moment had. Hij vroeg mij om hem te vergeven. Mijn oma was daarbij aanwezig en vroeg aan hem of dat klopte en toen heeft hij gezegd dat het waar was.

Vr. Je vertelde dat hij het heeft bekend. Wat heeft hij bekend?

A: Dat ik hem confronteerde dat hij met zijn vingers aan haar vagina zat. Hij zei dat hij dat gedaan had. En wilde dat ik hem vergaf. 2

Het proces-verbaal van bevindingen

Op 20 mei 2014 is [slachtoffer] , tien jaar oud, gehoord in een kindvriendelijke studio. Het proces-verbaal van bevindingen houdt - voor zover relevant en zakelijk weergegeven - het volgende in.

De benadeelde/getuige is genaamd:

[slachtoffer] , geboren op [2003] te [geboorteplaats] .

Hieronder wordt kort en zakelijk weergegeven wat [slachtoffer] heeft verklaard. Het betreft een samenvatting.

Dat Opi naast haar in de lift kwam staan;

Dat Opi naar haar wang keek en een kusje op de wang gaf;

Dat Opi een kusje met de mond gaf;

Dat Opi voor haar ging staan en haar een kusje op de mond gaf;

Dat Opi zijn handen op haar schouders legt en dat een kus op haar mond werd gegeven;

Dat [slachtoffer] nat en slijm voelde;

Dat de kus op haar lippen was;

Dat de mond en lippen van Opi dicht waren;

Dat [slachtoffer] voordeed dat Opi zijn lippen tuitte om het kusje te geven;

Dat Opi achter haar kwam staan;

Dat Opi met zijn rechterhand over haar schouders/rechterbovenarm naar de schaamstreek ging;

Dat Opi [slachtoffer] kusjes in haar nek gaf;

Dat Opi zijn hoofd op haar schouders deed;

Dat Opi zijn hele hand op haar poena legde;

Dat je met een poena kunt plassen;

Dat [slachtoffer] de hand recht op haar poena voelde;

Dat het op haar onderbroek was;

Dat haar rokje vanaf de onderzijde omhoog was gedaan;

Dat zij niet meer weet wat de hand precies deed;

Dat Opi haar natte kusjes in haar nek gaf;

Dat Opi had gevraagd: “doet jouw vader dit ook”?

Dat het stopte doordat de lift er was en de deur opengaat;

Dat Opi het knopje weer drukt en de deur weer dichtgaat;

Dat Opi naar [slachtoffer] toe liep;

Dat Opi voor haar ging staan;

Dat Opi haar één lang kusje gaf;

Dat [slachtoffer] niet meer weet op waar (op welk lichaamsdeel) zij dit kusje kreeg;

Dat de lift openging en dat het kussen stopte;

Dat [slachtoffer] mama over de kusjes en de poena had verteld;

Dat mama toen naar Opi is gegaan en dat zij van mama had gehoord dat Omi was geschrokken;

Dat Opi had gezegd dat het was gekomen door het rokje.

Vervolgens is gevraagd wat zij van de hand voelde. [slachtoffer] liet met haar eigen hand zien dat de gehele hand, vanaf de vingertop tot aan de muis. [slachtoffer] liet met haar hand zien hoe die hand was. Zij maakte een soort “kommetje” van haar hand en deed deze over haar vagina. 3

Het proces-verbaal van verhoor verdachte

De verdachte is op 15 juli 2014 gehoord. Het proces-verbaal van verhoor verdachte houdt als verklaring van verdachte - voor zover relevant en zakelijk weergegeven - het navolgende in:

Ik heb foute dingen gedaan en dat doet me zeer dat ik dat heb gedaan. Ik ben stom geweest. Aanranding… nou… euh… aanranding is in elk geval ontuchtige handelingen onder de kleding. Dat is wat ik heb gedaan. Als het onder haar kleding is dan is het ontuchtig voor mij. Tussen haar benen. Onder haar rok.

Het klopt dat ik sinds [1952] getrouwd ben met mijn huidige vrouw, [C] .

We stonden in de lift naar beneden en ze stond alleen, [slachtoffer] . Met mij naar beneden en toen… ehhh… kon ik me kennelijk niet weerhouden om mijn linkerhand tussen haar benen te houden. Ik betreurde het meteen. Nou na 5 minuten stond haar moeder bij ons in de kamer en die heeft mij alles verweten.

Met mijn linkerhand heb ik haar dijbenen gevoeld. Boven in. Waarschijnlijk toch bij haar geslachtsorgaan. Ik weet niet of ik die heb aangeraakt. Ik zat wel onder haar rokje. Ik vond het verschrikkelijk wat ik had gedaan natuurlijk. Ik realiseerde mij op dat moment dat ik helemaal fout was geweest. Ik heb die blote benen gezien en dat heeft mij kennelijk aangetrokken. Ik weet niet waarom maar even een seksueel gevoel.

M.b.t. kussen in de nek. Ja dat kan ik hebben gedaan. Nee op haar mond. In haar nek weet ik niet. 4

Nadere overwegingen omtrent het bewijs

Ter terechtzitting is verdachte teruggekomen op zijn eerder bij de politie afgelegde verklaring. Hij verklaart beurtelings zich het gebeurde niet te kunnen herinneren en dat hij zich niet schuldig heeft gemaakt aan het hem ten laste gelegde.

De rechtbank stelt vast dat de verklaring van verdachte zoals afgelegd bij de politie op 15 juli 2014 zeer gedetailleerd is en op essentiële onderdelen overeenkomt met de door aangeefster [B] en haar dochter [slachtoffer] ter zake afgelegde verklaringen. De rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan de juistheid en de betrouwbaarheid van die door aangeefster en haar dochter afgelegde verklaringen en gaat daarom ervan uit dat de verklaringen van verdachte, zoals afgelegd bij de politie, juist en betrouwbaar zijn.

Gelet op de inhoud van die verklaring in onderling verband en onderlinge samenhang bezien met de verklaringen van aangeefster [B] en van [slachtoffer] , kan naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het hem ten laste gelegde. Feiten of omstandigheden die tot een andersluidend oordeel zouden moeten leiden zijn aangevoerd noch anderszins gebleken.

5 DE BEWEZENVERKLARING

Op grond van de hiervoor opgegeven bewijsmiddelen (waarnaar wordt verwezen in de voetnoten), alsmede haar bijzondere overwegingen omtrent het bewijs, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

hij op 10 maart 2014 te Zeewolde met [slachtoffer] , geboren op [2003] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande uit het telkens ontuchtig over de onderbroek aanraken van de vagina en de bovenbenen van die [slachtoffer] en het meermalen kussen op de mond en in de nek/hals van die [slachtoffer] .

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders ten laste is gelegd, dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

6 DE STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZEN VERKLAARDE

Het bewezen verklaarde levert op:

met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

7 DE STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Met betrekking tot de strafbaarheid van verdachte overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de inhoud van het geschrift dat door C.M. Aalten, klinisch geriater en verbonden aan de geheugenpolikliniek van het St. Jansdal Ziekenhuis te Harderwijk op 12 augustus 2014 is opgemaakt. In verband met het onderzoek naar mogelijk cognitief verval bij verdachte, is bij verdachte uitgebreid neuropsychologisch onderzoek verricht. In het verslag dat daarover door voornoemde C.M. Aalten is opgemaakt op 4 november 2014 staat - voor zover relevant - het navolgende vermeld:

Neuropsychologisch onderzoek:

Het profiel van cognitieve functies is suggestief voor een beginnende dementie bij een hoogbejaarde man die in de afgelopen 5 jaar veel somatische klachten heeft gehad. De aard van de stoornissen in combinatie met anamnestische en hetero- anamnestische gegevens ten aanzien van haar karakter en gedragsverandering in combinatie met beeldvorming geven een profiel dat het meest past bij de ziekte van Alzheimer.

Conclusie: Dementie van het Alzheimer-type, met vasculaire kenmerken, CDR stadium 1 bij uitgangsniveau hoog begaafd.

De rechtbank verenigt zich met deze bevindingen van C.M. Aalten, klinisch geriater, en maakt deze tot de hare.

Gelet op de vermelde bevindingen acht de rechtbank het aannemelijk dat verdachte ten tijde van het bewezen verklaarde handelen verminderd toerekeningsvatbaar was.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn er geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte volledig uitsluiten. De verdachte is daarom, zij het in verminderde mate, strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

8 DE STRAFOPLEGGING

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank de verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met een proeftijd van twee jaren.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat, gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn, toepassing gegeven dient te worden aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Hierbij heeft de rechtbank in het bijzonder acht geslagen op:

  • -

    de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

  • -

    de omstandigheid dat het bewezen verklaarde is begaan jegens een achterkleinkind van verdachte, dat ten tijde van het plegen van het feit tien jaar oud was;

  • -

    de omstandigheid dat de vertrouwensrelatie binnen de gehele familie als gevolg van het bewezen verklaarde handelen ernstig is verstoord en;

  • -

    de omstandigheid dat de gevolgen van dergelijk ontuchtig handelen bij het jeugdige slachtoffer zich na lange tijd nog kunnen manifesteren.

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat in beginsel niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Mede gelet op de hoge leeftijd van verdachte (89 jaar) en de omstandigheid dat hij blijkens het hem betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie van 11 juli 2016 niet eerder ter zake van strafbare feiten met politie en justitie in aanraking is geweest, is de rechtbank echter van oordeel dat de op te leggen gevangenisstraf in geheel voorwaardelijke vorm dient te worden opgelegd. Daarbij is tevens rekening gehouden met de eerdere vaststelling van de rechtbank dat verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd voor het bewezen verklaarde.

Met oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Alles overziende acht de rechtbank een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand, met een proeftijd van twee jaren, passend en geboden. Anders dan de verdediging heeft betoogd, ziet de rechtbank, gelet op de ernst van het feit, alsmede de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan, geen aanleiding in dezen te volstaan met afdoening conform het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank heeft ambtshalve vastgesteld dat er sprake is van een schending van het recht van verdachte op berechting binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. Deze termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Staat jegens verdachte een handeling is verricht waaruit verdachte heeft opgemaakt en redelijkerwijs heeft kunnen opmaken dat het openbaar ministerie het voornemen had tegen verdachte een strafvervolging in te stellen. In het onderhavige geval moet de termijn worden gerekend vanaf de datum waarop verdachte door de politie is verhoord, te weten: 15 juli 2014. De behandeling van de zaak in eerste aanleg zal worden afgerond met een eindvonnis op 23 augustus 2016. Aldus is sprake van overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg van ruim een maand.

De rechtbank acht geen bijzondere omstandigheden aanwezig die voormelde overschrijding rechtvaardigen. Evenmin is gebleken dat deze opgetreden vertraging voor rekening van de verdachte dient te komen. Nu de rechtbank echter tot oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf komt, zal zij volstaan met de vaststelling dat artikel 6 van het EVRM is geschonden zonder daar verdere consequenties aan te verbinden.

De rechtbank komt op grond van de hiervoor weergegeven overwegingen tot een strafoplegging die afwijkt van hetgeen door het openbaar ministerie is gevorderd.

9 DE VORDERING VAN DE BENADEELDE PARTIJ

De benadeelde partij [B] (namens [slachtoffer] ) heeft zich voor aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij gevoegd in het geding. De benadeelde partij heeft op 13 juli 2016 een vordering ingediend strekkende tot vergoeding van schade tot het bedrag van EUR 544,24, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij volledig zal worden toegewezen tot het bedrag van EUR 544,24, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht tot voormeld bedrag.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich ter zake gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

Uit het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank voldoende gebleken dat de benadeelde partij [B] (namens [slachtoffer] ) als rechtstreeks gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen materiële schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen tevens immateriële schade heeft geleden. Dit bedrag kan in billijkheid worden vastgesteld op de gevorderde EUR 500,-, zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

De rechtbank ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden. Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

De verdachte zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van het geding tot op heden begroot op nihil.

10 DE TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 24c, 36f en 247 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze bepalingen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde feit.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5. is omschreven.

- verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd, dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zodanig als hierboven onder 6 is omschreven.

- verklaart verdachte strafbaar.

Strafoplegging

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

- bepaalt dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

- stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

- wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [B] , namens [slachtoffer] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van EUR 544,24 (vijfhonderdvierenveertig euro en vierentwintig cent) bestaande uit EUR 44,24 (vierenveertig euro en vierentwintig cent) materiële schade en EUR 500,- (vijfhonderd euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

- bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 10 maart 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

- verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

- legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van [B] (namens [slachtoffer] ), ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van EUR 544,24 (vijfhonderdvierenveertig euro en vierentwintig cent) bestaande uit EUR 44,24 (vierenveertig euro en vierentwintig cent) materiële schade en EUR 500,- (vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

- bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 10 maart 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

- bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.N. Noorman, voorzitter,

mr. J.F. Haeck en mr. W.S. Ludwig, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R.P. Sampat, griffier,

en op 23 augustus 2016 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 Hierna wordt, voor zover niet anders vermeld, telkens verwezen naar op ambtseed opgemaakte processen-verbaal, zoals opgenomen in het dossier van de politie Midden-Nederland, District Flevoland, afdeling Zeden, met dossiernummers: 2014022232 en 2014149885, in de wettelijke vorm opgemaakt en gesloten op 15 juli 2014 door [verbalisant] (brigadier van politie) en opgenomen op de doorgenummerde dossierpagina’s 001 t/m 042 (met aanvullend een aantal ongenummerde pagina’s).

2 Het proces-verbaal van verhoor aangeefster van 9 mei 2014, dossierpagina’s 009 t/m 018.

3 Het proces-verbaal van bevindingen van 21 mei 2014, dossierpagina’s 022 t/m 024.

4 Het proces-verbaal van verhoor verdachte van 15 juli 2014, dossierpagina’s 042 e.v. ongenummerd.