Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:4655

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
17-08-2016
Datum publicatie
22-08-2016
Zaaknummer
C/16/419644 / KG ZA 16-556
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Schorsen executie (onroerende goederen)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/419644 / KG ZA 16-556

Vonnis in kort geding van 17 augustus 2016

in de zaak van

1 [eiser sub 1] ,

2. [eiseres sub 2],

beiden wonende te [woonplaats] ,

eisende partij,

advocaat mr. M.N. Morren te Zeist,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] , en mede te [woonplaats] , België,

gedaagde partij,

verschenen in persoon.

Partijen zullen hierna [eisers c.s.] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 20 juli 2016 met producties, genummerd 1 tot en met 6;

  • -

    de bij faxbericht van 30 juli 2016 ingediende producties, genummerd 7 en 8, van de zijde van [eisers c.s.] ;

  • -

    akte wijziging eis;

  • -

    de mondelinge behandeling gehouden op 1 augustus 2016;

  • -

    de pleitnota van [eisers c.s.] ;

  • -

    de pleitnota van [gedaagde] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser sub 1] is eigenaar van de onroerende goederen met ondergrond, staande en gelegen te [woonplaats] aan de [adres] , kadastraal bekend gemeente [gemeente] , sectie [sectie] nummers [nummer] en [nummer] (hierna te noemen: de woning). [eisers c.s.] is eigenaar van een bedrijfspand met ondergrond en erf, staande en gelegen te [vestigingsplaats] aan de [adres] te [vestigingsplaats] , kadastraal bekend gemeente [gemeente] , sectie [sectie] , nummer [nummer] (hierna te noemen: het bedrijfspand).

2.2.

Op 26 september 2006 heeft [eisers c.s.] met [gedaagde] een hypothecaire geldleningsovereenkomst gesloten. [gedaagde] heeft op grond van die overeenkomst een bedrag van € 40.000,00 aan [eisers c.s.] verstrekt. Tot zekerheid van nakoming van de verplichtingen uit hoofde van deze overeenkomst is door [eisers c.s.] aan [gedaagde] een recht van derde hypotheek op de woning verstrekt tot een maximumbedrag van

€ 150.000,00.

2.3.

Op 21 februari 2008 heeft [eisers c.s.] met [gedaagde] een tweede hypothecaire geldleningsovereenkomst gesloten op grond waarvan [eisers c.s.] een bedrag van

€ 150.000,00 in leen kon nemen. [gedaagde] heeft in het kader van deze overeenkomst een bedrag van € 107.000,00 aan [eisers c.s.] verstrekt. Tot zekerheid van nakoming van de verplichtingen uit hoofde van deze overeenkomst is door [eisers c.s.] aan [gedaagde] een recht van vierde hypotheek op de woning en het bedrijfspand verstrekt tot een maximumbedrag van € 200.000,00.

2.4.

Bij vonnissen van de kantonrechter van deze rechtbank van 10 oktober 2012,

14 november 2012 en 29 januari 2014 is [eisers c.s.] veroordeeld tot betaling aan [gedaagde] van bedragen ter hoogte van respectievelijk € 17.500,00, € 7.000,00 en € 22.000,00 in hoofdsom. Deze vonnissen zijn op 12 maart 2014 aan [eisers c.s.] betekend.

2.5.

[gedaagde] heeft op 26 mei 2014 uit hoofde van de onder 2.4. genoemde vonnissen voor een totaalbedrag van € 54.156,48 executoriaal beslag laten leggen op de woning en het bedrijfspand.

2.6.

Bij vonnis van 4 mei 2016 (zaaknummer: 413190 KG ZA 16-266) is in het dictum onder meer het volgende bepaald:

“5.1. schorst de executie van de tussen partijen gewezen vonnissen van de kantonrechter van 10 oktober 2012, 14 november 2012 en 29 januari 2014 door middel van de aangekondigde openbare verkoop van de onroerende zaken aan de [adres] en [adres] , kadastraal bekend gemeente [gemeente] , sectie [sectie] nummers [nummer] en [nummer] en aan de [adres] , kadastraal bekend gemeente [gemeente] , sectie [sectie] nummer [nummer] voor de duur van drie maanden, te weten tot 4 augustus 2016,

5.2.

verbiedt [gedaagde] om gedurende drie maanden, te weten tot 4 augustus 2016, over te gaan tot de aangekondigde openbare verkoop van de onroerende zaken aan de [adres] en [adres] , kadastraal bekend gemeente [gemeente] , sectie [sectie] nummers [nummer] en [nummer] en aan de [adres] , kadastraal bekend gemeente [gemeente] , sectie [sectie] nummer [nummer] als hypotheekhouder van het recht van hypotheek dat bij akte van 21 februari 2008 is gevestigd,”

2.7.

Bij vonnis (zaaknummer 4188945 UC EXPL 15-8519) van 25 mei 2016 is [eisers c.s.] veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 10.070,10.

2.8.

[gedaagde] heeft op 27 mei 2016 aan [eisers c.s.] een brief gezonden met daarin vermeld het volgens hem het openstaande bedrag van € 9.255,10 uitgaande van het vonnis van 25 mei 2016. [eisers c.s.] heeft niet op deze brief gereageerd.

3 Het geschil

3.1.

[eisers c.s.] vordert, na wijziging van eis, bij vonnis – uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren –:

a. a) [gedaagde] opnieuw te gelasten tot opschorting van alle voorbereidingen inclusief openbare bekendmakingen tot en met het feitelijk in veiling brengen van de aan [eisers c.s.] toebehorende panden, zijnde: de woning, kadastraal omschreven als wonen, staande en gelegen te [woonplaats] aan de [adres] , kadastraal bekend gemeente [gemeente] , sectie [sectie] nummer [nummer] op naam van [eiser sub 1] en het pand, kadastraal omschreven als bedrijfspand, staande en gelegen te [vestigingsplaats] aan de [adres] , kadastraal bekend Gemeente [gemeente] , sectie [sectie] nummer [nummer] op naam van [eisers c.s.] , gedurende drie maanden vanaf 4 augustus 2016;

b) een en ander op straffe van een zonder rechterlijke tussenkomst te verbeuren boete van € 5.000,00 per dag;

c) kosten rechtens.

3.2.

[gedaagde] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[eisers c.s.] legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] misbruik maakt van zijn recht om tot executie van de woning en het bedrijfspand over te gaan nu het bedrag waar [gedaagde] volgens [eisers c.s.] nog recht op heeft mede gezien de overwaarde die de woning en het bedrijfspand hebben, niet in verhouding staat tot de gevolgen die de executie heeft en omdat [gedaagde] op het vonnis van 4 mei 2016 onvoldoende gereageerd heeft. [eisers c.s.] stelt dat zij alle schulden (ook de schulden onder hypothecair verband) die zij had bij [gedaagde] aan hem heeft voldaan. Mocht blijken dat zij nog een restschuld (rente en kosten) aan [gedaagde] is verschuldigd, dan is zij bereid – mogelijk door middel van een betalingsregeling – dit bedrag te voldoen. Om te kunnen aantonen dat [eisers c.s.] de bedragen waartoe zij is veroordeeld door de kantonrechter – zijnde een bedrag in hoofdsom van € 54.153,48 – heeft voldaan althans tot een bedrag van € 54.130,00, heeft [eisers c.s.] de beschikking over kopieën van betalingsbewijzen. De twee hypothecaire geldleningsovereenkomsten waar [gedaagde] meent nog recht op te hebben, doen volgens [eisers c.s.] niet meer ter zake nu zij stelt dat deze door haar volledig zijn afgelost. De eerste hypothecaire geldlening is opgenomen in de tweede hypothecaire geldlening en daarmee vervallen. De tweede hypothecaire geldlening heeft zij afgelost door middel van gedane contante betalingen. Nu is [eisers c.s.] hooguit nog rente en kosten verschuldigd op grond van voornoemde vonnissen. Voordat [eisers c.s.] kan voldoen aan een mogelijke restschuld dient zij de beschikking te hebben over een betalingsoverzicht, zodat zij kan betalen ofwel een voorstel tot een afbetalingsregeling kan doen.

4.2.

[gedaagde] voert daartegen aan dat hij beschikt over zeven executoriale titels om tot uitwinning van de woning en het bedrijfspand te kunnen overgaan. [gedaagde] erkent dat [eisers c.s.] deelbetalingen heeft verricht. Deze zijn echter in mindering gebracht op de oudste hypothecaire geldleningsovereenkomst. Dat [eisers c.s.] , zoals zij stelt deelbetalingen in contanten hebben verricht waarmee zij de hypothecaire geldleningsovereenkomsten heeft afgelost, betwist [gedaagde] . [eisers c.s.] heeft volgens hem geen contanten betalingen aan hem verricht. De kwitanties die door [eisers c.s.] in het geding zijn gebracht, zijn volgens [gedaagde] vervalst. Bovendien is het ongeloofwaardig dat de originelen daarvan ruim drie jaar na de gestelde betaling uit een auto van [eisers c.s.] zijn gestolen. Dat betekent volgens [gedaagde] dat [eisers c.s.] nog niet heeft afgelost op het verschuldigde voortvloeiende uit de kantonvonnissen (en ook op het grootste deel van de hypothecaire geldleningsovereenkomsten) en hij daarom terecht overgaat tot executie van de woning en het bedrijfspand.

4.3.

Het spoedeisend belang vloeit voort uit de stelling van [eisers c.s.] dat [gedaagde] de veiling heeft aangekondigd. [gedaagde] heeft weliswaar nog geen datum voor de executieveiling gegeven, maar [gedaagde] heeft aangegeven dat de executie zeker doorgang zal vinden zodra dat mogelijk is.

4.4.

In een executiegeschil kan de voorzieningenrechter de tenuitvoerlegging van een vonnis slechts schorsen, indien hij van oordeel is dat de executant mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde die door de executie zullen worden geschaad - geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dat zal het geval kunnen zijn indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de tenuitvoerlegging op grond van na dit vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.

4.5.

[gedaagde] baseert zijn recht om tot executie over te mogen gaan op zeven executoriale titels. De eerste twee titels betreffen de hypothecaire geldleningsovereenkomsten. De volgende drie de (kanton)vonnissen. De laatste twee het (kanton)vonnis van 25 mei 2016.

4.6.

Met betrekking tot het vonnis van 25 mei 2016 is niet gesteld/aangetoond en derhalve niet komen vast te staan dat [gedaagde] executoriaal beslag heeft gelegd op grond van dat vonnis. Dat betekent dat de verschuldigdheid door [eisers c.s.] van dat bedrag niet meegenomen kan worden in de onderhavige beoordeling betreffende de vraag of [gedaagde] misbruik maakt van zijn recht tot executie.

4.7.

[gedaagde] heeft wel een recht om overgaan te gaan tot executie op basis van de hypothecaire geldleningsovereenkomsten – indien deze nog niet zijn afgelost – en de (kanton)vonnissen (zie 2.4.). De vraag die dient te worden beantwoord luidt of [gedaagde] door over te gaan tot de executie misbruik maakt van zijn executiebevoegdheid. Vaststaat dat [eisers c.s.] in de periode januari tot november 2015 in totaal aan [gedaagde] een bedrag van € 54.156,00 heeft betaald. In beginsel is [gedaagde] gerechtigd dit bedrag op de oudste openstaande schuld in mindering te brengen. Volgens hem betreft dat de hypothecaire lening maar volgens [eisers c.s.] is die lening afgelost en dient de vordering in mindering te worden gebracht op de schuld die voortvloeit uit de kantonvonnissen. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat thans niet kan worden beoordeeld of [eisers c.s.] de hypothecaire geldleningen heeft voldaan door middel van contante betalingen zoals door haar gesteld en het bedrag van € 54.156,00 in mindering dient te worden op het verschuldigde uit de kantonvonnissen. Dat zal moeten worden uitgemaakt in een bodemprocedure. [eisers c.s.] heeft inmiddels een verzoek ingediend tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor om bewijs te kunnen vergaren van haar stellingen omtrent de betaling van de hypothecaire schulden. In de onderhavige kortgedingprocedure kan gelet op het vorenstaande op grond van de onderliggende stukken derhalve niet worden beoordeeld of (contante) betalingen zijn verricht en tot welk bedrag. Dat betekent dat twee scenario’s denkbaar zijn. Ofwel [gedaagde] heeft geen contanten bedragen ontvangen van [eisers c.s.] en heeft het bedrag van € 54.156,00 terecht in mindering gebracht op de hypothecaire geldleningen. Bij die stand van zaken is [gedaagde] in beginsel gerechtigd over te gaan tot de executie van de woning en het bedrijfspand. Echter, in het geval komt vast te staan dat de contante betalingen wel door [eisers c.s.] zijn verricht, betekent dat dat nagenoeg het gehele verschuldigde bedrag op grond van de kantonvonnissen door [eisers c.s.] is voldaan en hooguit een restantbedrag aan rente en kosten overblijft.

4.8.

Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat [gedaagde] bij deze stand van zaken geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid om reeds nu bij de bestaande onduidelijkheid over de door [eisers c.s.] gestelde betalingen tot tenuitvoerlegging van de hiervoor genoemde (kanton)vonnissen over te gaan door middel van een executoriale verkoop, mede gelet op het zwaarwegende belang van [eisers c.s.] dat bij een dergelijke executoriale verkoop. Niet uit te sluiten is immers dat [eisers c.s.] door getuigen voor te brengen in het door haar geëntameerde voorlopig getuigenverhoor alsnog de door haar gestelde betalingen kan aantonen. Indien zou worden aangetoond dat slechts een (gering) verschuldigd bedrag aan rente en kosten resteert, moet een afweging van de wederzijdse belangen in het voordeel van [eisers c.s.] uitvallen. Niet in te zien valt waarom [gedaagde] niet de afloop van het getuigenverhoor kan afwachten nu er –gezien de niet betwiste overwaarde van de verhypothekeerde zaken – voldoende zekerheid van hem toekomende bedragen bestaat. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat tenuitvoerlegging van de (kanton)vonnissen door middel van een executoriale verkoop van de woning en het bedrijfspand op dit moment misbruik van bevoegdheid oplevert en zal de executie als gevorderd nogmaals schorsen voor de duur van drie maanden.

4.9.

Gelet op de verstrekkende gevolgen die de executieverkoop met zich brengt, ligt het naar het oordeel van de voorzieningenrechter in de rede de gevorderde dwangsom toe te wijzen. De gevorderde dwangsom zal worden beperkt en gemaximeerd als volgt.

4.10.

De voorzieningenrechter overweegt voorts met betrekking tot de proceskosten als volgt. De vordering van [eisers c.s.] was gezien de inhoud van de dagvaarding naast de hiervoor besproken belangenafweging gebaseerd op het feit dat [gedaagde] na het vonnis van 25 mei 2016 niet aan een afbetalingsregeling zou hebben meegewerkt en evenmin enige actie jegens [eisers c.s.] zou hebben ondernomen. Echter, ter zitting is komen vast te staan dat [gedaagde] op 27 mei 2016 een brief aan [eisers c.s.] heeft gezonden met daarin een overzicht van de volgens [gedaagde] door [eisers c.s.] nog aan hem te betalen bedragen. [eisers c.s.] heeft erkend vervolgens niet schriftelijk op deze brief te hebben gereageerd. In dit feit ziet de voorzieningenrechter aanleiding de proceskosten te compenseren. [gedaagde] is met de brief immers tegemoet gekomen aan de bezwaren die de voorzieningenrechter in de vorige kortgedingprocedure heeft geuit. Namelijk dat [gedaagde] zonder een overzicht te verschaffen aan [eisers c.s.] van de volgens hem nog openstaande bedragen inclusief rente en kosten de woning en het bedrijfspand wil gaan veilen. Dat [eisers c.s.] niet reageert op de brief van [gedaagde] komt voor haar rekening en risico. Gelet hierop zullen de proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

gelast [gedaagde] tot opschorting van alle voorbereidingen inclusief openbare bekendmakingen tot en met het feitelijk in veiling brengen van de aan [eisers c.s.] toebehorende panden de onroerende zaak, kadastraal omschreven als wonen, staande en gelegen te [woonplaats] aan de [adres] , kadastraal bekend gemeente [gemeente] , sectie [sectie] nummer [nummer] op naam van [eiser sub 1] en het pand, kadastraal omschreven als bedrijfspand, staande en gelegen te [vestigingsplaats] aan de [adres] , kadastraal bekend Gemeente [gemeente] , sectie [sectie] nummer [nummer] op naam van [eisers c.s.] , gedurende drie maanden vanaf 4 augustus 2016;

5.2.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eisers c.s.] een dwangsom te betalen van € 5.000,00 voor iedere dag dat hij niet aan de in 5.1. uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 250.000,00 is bereikt,

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.L.J.C. van Emden-Geenen en in het openbaar uitgesproken op 17 augustus 2016.1

1 type: IL/4303 coll: