Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:4635

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
18-08-2016
Datum publicatie
19-08-2016
Zaaknummer
UTR 16/3496 en UTR 16/3497
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft geweigerd handhavend op te treden tegen overtredingen van de Modelvliegclub Midden Nederland. De inspecteur van de gemeente heeft bij zeven controles geen overtredingen geconstateerd, terwijl het op grond van het door eiser aangeleverde beeldmateriaal niet mogelijk is vast te stellen waar en op welke hoogte wordt gevlogen, aldus verweerder. De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat uitgangspunt is de in rechte vaststaande omgevingsvergunning met de daarin opgenomen voorschriften. Verder is de voorzieningenrechter van oordeel dat met de zeven uitgevoerde controles een voldoende deugdelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. De inspecteur die de controles heeft uitgevoerd beschikt voorts over voldoende deskundigheid om te beoordelen of de modelvliegclub de voorschriften al dan niet heeft overtreden. Verder dienen waarnemingen van feiten en omstandigheden die moeten leiden tot een handhavingsbesluit te worden gedaan door een deskundige medewerker van het bevoegde gezag. Het door eiser overgelegde beeldmateriaal kan dan ook niet als grondslag dienen voor de vaststelling of een overtreding van de voorschriften heeft plaatsgevonden. Ook overigens biedt dat beeldmateriaal geen aanknopingspunt voor een ander oordeel. Ook de voorzieningenrechter is van oordeel dat uit die beelden geen overtredingen kunnen worden afgeleid. Ten slotte is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder met calamiteiten, zoals een mechanisch defect, terecht geen rekening heeft gehouden bij het nemen van het bestreden besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: UTR 16/3496 en UTR 16/3497

uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 augustus 2016 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[eiser] , te [vestigingsplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M. van Duijn),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder

(gemachtigde: mr. H.P. de Keijzer).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: de Vereniging Modelvliegclub Midden Nederland, te Utrecht, gemachtigde: mr. dr. R.M. Schnitker.

Procesverloop

Bij besluit van 21 maart 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder afwijzend beslist op het verzoek van eiser om handhavend op te treden tegen overtredingen van derde-partij, bestaande uit het voortdurend te laag vliegen met modelvliegtuigjes en het vliegen buiten de vliegcirkel over het land van eiser.

Bij besluit van 30 juni 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 augustus 2016. Eiser is verschenen bij zijn gemachtigde en [A] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Derde-partij is verschenen bij haar gemachtigde, bijgestaan door [B] .

Overwegingen

1. Na de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.

2. Bij besluit van 28 juli 2014 heeft verweerder aan derde-partij een omgevingsvergunning voor de duur van vijf jaar verleend voor het tijdelijk inrichten en gebruiken van het perceel [perceel] , kadastrale gemeente [gemeente] , sectie [sectie] , perceelnummer [perceelnummer] te [vestigingsplaats] (perceel) ten behoeve van een modelvliegclub.

[eiser] B.V. heeft tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Dit beroep is geregistreerd onder nummer UTR 14/5552. Bij uitspraak van 16 april 2015 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het besluit van 28 juli 2014 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Tegen deze uitspraak van de rechtbank is hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS). De ABRS heeft op 6 juli 2016 uitspraak gedaan op dit hoger beroep (ECLI:NL:RVS:2016:1892), waarbij de ABRS de uitspraak van de rechtbank heeft bevestigd.

3. Bij brief van 5 november 2015 heeft eiser zich tot verweerder gewend met het verzoek om handhavend op te treden tegen derde-partij. Eiser heeft dit verzoek gemotiveerd door te stellen dat de vliegtuigjes van derde-partij stelselmatig, ook buiten de vliegcirkel, veel lager vliegen dan op grond van het besluit van 28 juli 2014 is toegestaan. Ter onderbouwing van het verzoek heeft eiser camerabeelden overgelegd.

Bij besluit van 21 maart 2016 heeft verweerder afwijzend op dit verzoek van eiser beslist. Het door eiser daartegen ingediende bezwaar is door verweerder bij het nu bestreden besluit, onder verwijzing naar een controlerapport van inspecteur Toezicht en Handhaving [C] , ongegrond verklaard. Over de door eiser aangeleverde beelden is in het bestreden besluit gesteld dat het door de cameraopstelling op ruime afstand van de vliegcirkel niet mogelijk is om aan de hand daarvan vast te stellen waar en op welke hoogte is gevlogen.

4. Eiser heeft aangevoerd dat het onderzoek naar de vlieghoogte van de zweefvliegtuigen op wetenschappelijke wijze dient plaats te vinden, aangezien met het blote oog niet is vast te stellen op welke hoogte wordt gevlogen. De in opdracht van verweerder door inspecteur [C] uitgevoerde controles zijn naar de mening van eiser dan ook ‘onzorgvuldig nattevingerwerk’. Eiser trekt bovendien de deskundigheid van deze inspecteur in twijfel, aangezien het vaststellen van vlieghoogtes zeer specialistisch werk is. Verder is eiser van mening dat verweerder de door eiser aangeleverde camerabeelden te gemakkelijk terzijde legt, aangezien aan de hand van de opnames en daarop zichtbare referentiepunten wel degelijk overtredingen zijn te constateren.

5. De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat voor de beoordeling van de vraag of sprake is van een overtreding als uitgangspunt dient te gelden de in rechte vaststaande omgevingsvergunning van 28 juli 2014 met de daarin opgenomen voorschriften. Eiser stelt zich op het standpunt dat derde-partij de voorschriften stelselmatig overtreedt door buiten de vergunde vliegcirkel te vliegen en bovendien de voorgeschreven vlieghoogte van 20 meter niet in acht te nemen.

6. Naar aanleiding van het door eiser aangeleverde beeldmateriaal, heeft [C] , inspecteur Toezicht en Handhaving bij de gemeente Utrecht, een zevental controles uitgevoerd teneinde te kunnen vaststellen of derde-partij al dan niet handelde conform de in de omgevingsvergunning opgenomen voorschriften. Bij deze controles, die onaangekondigd en zowel vanaf het perceel van eiser als vanaf het perceel van derde-partij zijn uitgevoerd, zijn door genoemde inspecteur geen overtredingen geconstateerd. Verweerder heeft om die reden het verzoek van eiser om handhavend op te treden tegen derde-partij afgewezen.

7. De voorzieningenrechter is van oordeel dat met deze uitgevoerde controles een voldoende deugdelijk onderzoek heeft plaatsgevonden en dat verweerder daarmee heeft voldaan aan de ingevolge artikel 3:2 van de Awb geldende onderzoeksplicht. De voorzieningenrechter neemt daarbij in aanmerking dat genoemde inspecteur in zijn hoedanigheid van buitengewoon opsporingsambtenaar naar haar oordeel over voldoende deskundigheid beschikt om te kunnen beoordelen of derde-partij de in de omgevingsvergunning opgenomen voorschriften al dan niet overtreedt. De voorzieningenrechter ziet in hetgeen eiser in dit verband heeft aangevoerd geen concrete aanknopingspunten om aan de deskundigheid van de inspecteur te twijfelen.

8. Naar aanleiding van het betoog van eiser dat verweerder de camerabeelden te gemakkelijk terzijde heeft gelegd, overweegt de voorzieningenrechter, in navolging van de ABRS in onder meer de ook in het bestreden besluit aangehaalde uitspraak van 24 februari 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:469), dat de waarneming van feiten en omstandigheden die moeten leiden tot een handhavingsbesluit dient te worden gedaan door een ter zake deskundige medewerker van het bevoegd gezag. De omstandigheid dat genoemde uitspraak van de ABRS handelde over een invorderingsbesluit en niet over de vraag of al dan niet moet worden overgegaan tot het nemen van een handhavingsbesluit, kan de voorzieningenrechter niet tot een ander oordeel leiden. Immers, ook aan een handhavingsbesluit dient een deugdelijke en controleerbare vaststelling van relevante feiten en omstandigheden ten grondslag te liggen. De voorzieningenrechter is reeds om die reden van oordeel, dat het door eiser overgelegde beeldmateriaal op zichzelf niet ten grondslag kan worden gelegd aan de vaststelling of derde-partij de voorschriften zoals neergelegd in de omgevingsvergunning heeft overtreden en op grond daarvan al dan niet een handhavingsbesluit moet worden genomen.

9. De voorzieningenrechter is ook overigens van oordeel dat de door eiser overgelegde camerabeelden geen aanknopingspunten bieden om in dit geval tot een andersluidend oordeel te komen. Verweerder heeft blijkens het bestreden besluit de beelden onderzocht en geconcludeerd dat daaruit geen overtredingen kunnen worden afgeleid. Dit kan de voorzieningenrechter volgen. De voorzieningenrechter overweegt daartoe allereerst dat de camera waarmee de beelden zijn gemaakt op grote afstand van de vliegcirkel is geplaatst. Als gevolg daarvan is niet of nauwelijks vast te stellen of een modelvliegtuig buiten de deels ook over het land van eiser gelegen vliegcirkel heeft gevlogen, zoals ook door eiser ter zitting is erkend.

De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat de camerabeelden ook geen duidelijkheid bieden over de vraag of te laag wordt gevlogen door de modelvliegtuigen, laat staan de vraag of dit stelselmatig plaatsvindt. Weliswaar is door derde-partij erkend dat bij het inzetten van een landing soms te laag wordt gevlogen, maar dit wordt dan, aldus derde-partij, veroorzaakt door een calamiteit, bijvoorbeeld als gevolg van een mechanisch defect. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder met dergelijke omstandigheden terecht geen rekening heeft gehouden bij het nemen van het bestreden besluit. Bij het besluit al dan niet een vergunning te verlenen zijn diverse aspecten, zoals luchtkwaliteit, geluidhinder en bodemkwaliteit, van belang. Effecten van calamiteiten, zoals een mechanisch defect, hoeven bij die beslissing niet te worden betrokken, nu die geen deel uitmaken van de aangevraagde activiteiten en ook slechts incidenteel zullen plaatsvinden. Een dergelijk incident kan dan ook naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet worden aangemerkt als een overtreding die het nemen van een handhavingsbesluit rechtvaardigt. Om de hiervoor genoemde redenen bieden de camerabeelden evenmin aanknopingspunten voor het oordeel dat daaruit het dreigende gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk blijkt en op die grond handhavend dient te worden opgetreden.

10. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

11. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van W.B. Lakeman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2016.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.