Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:4586

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
16-08-2016
Datum publicatie
01-09-2016
Zaaknummer
C/16/421201 / HA RK 16-181
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingszaak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2016/409

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

WRAKINGSKAMER

Locatie: Utrecht

Zaaknummer/rekestnummer: C/16/421201 / HA RK 16-181

Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van 16 augustus 2016:

op het verzoek in de zin van artikel 36 het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv) van:

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder te noemen, verzoeker,

advocaat: mr. A. Patist (verder te noemen, de advocaat).

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Ter zitting van 8 augustus 2016 heeft de advocaat namens verzoeker een verzoek tot wraking ingediend tegen mr. S.H. Gaertman, behandelend rechter (verder te noemen, de rechter), in de zaak met het zaaknummer C/16/420323 / FA RK 16-5051. Deze hoofdzaak betreft een verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen dat is ingediend door [belanghebbende] (verder te noemen, de belanghebbende). Van hetgeen ter zitting van 8 augustus 2016 is gebeurd, is een proces-verbaal opgemaakt.

1.2.

De rechter heeft niet in de wraking berust. Zij heeft schriftelijk haar standpunt weergegeven.

1.3.

Het wrakingsverzoek is ter zitting behandeld op 12 augustus 2016 door de wrakingskamer. Verzoeker is met voorafgaand bericht niet verschenen. Bij het bericht van verhindering heeft de advocaat een schriftelijke toelichting gegeven op het wrakingsverzoek. De rechter is verschenen. De belanghebbende is met voorafgaand bericht niet verschenen. Zij heeft schriftelijk haar zienswijze gegeven.

1.4.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 Het verzoek

2.1.

Op 2 augustus 2016 heeft de advocaat schriftelijk verzocht om uitstel van de mondelinge behandeling van het verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen op 8 augustus 2016. Op eveneens 2 augustus 2016 heeft de griffier telefonisch aan de advocaat meegedeeld dat de zitting van 8 augustus 2016 zou doorgaan. Op 3 augustus 2016 heeft de advocaat bij de voorzitter van de afdeling Familierecht van de rechtbank een klacht ingediend tegen deze beslissing. Deze klacht is bij beslissing van 9 augustus 2016 van de president van de rechtbank ongegrond verklaard.

2.2.

Verzoeker legt aan zijn verzoek ten grondslag dat de rechter meermalen - zowel vóór de zitting bij de behandeling van het verzoek om uitstel, als tijdens de zitting bij de vraag of de stukken van de belanghebbende bij de beoordeling van de zaak betrokken kunnen worden - fundamentele regels van een goede procesorde heeft geschonden ten nadele van verzoeker en ten voordele van de belanghebbende. Deze handelwijze leidt er volgens verzoeker toe dat zowel in subjectieve als in objectieve zin de schijn is gewekt van niet-objectiviteit/partijdigheid van de rechter. Verzoeker heeft daartoe naar voren gebracht dat in het uitstelverzoek als reden is gegeven dat de eigen advocaat van verzoeker op vakantie was en dat haar kantoorgenoot (mr. Patist) verhinderd was op het geplande tijdstip. Er was dus geen sprake van een ongemotiveerd uitstelverzoek. Verder heeft de rechter niets gedaan met het voorstel in zijn klachtbrief van 3 augustus 2016 om een andere datum in dezelfde week te zoeken en ter zitting is de rechter niet ingegaan op het verweerschrift, waarin uitvoerig is toegelicht hoe de gang van zaken is geweest voorafgaand aan de indiening van het verzoek om voorlopige voorziening en argumenten zijn genoemd die tot toewijzing van het uitstelverzoek zouden dienen te leiden. Ter zitting heeft de rechter het uitstelverzoek voor het eerst als “niet gemotiveerd” aangemerkt. Dit doet volgens verzoeker ernstig twijfelen aan haar onpartijdigheid. De mededeling dat de eigen advocaat op vakantie is en dat de waarnemend advocaat is verhinderd, is voor de rechtbank in het algemeen voldoende reden om uitstel te verlenen en het is niet gebruikelijk dat daarbij een nadere onderbouwing voor de verhindering wordt verlangd. Voorts heeft de rechter de advocaat niet de gelegenheid geboden kennis te nemen van de inhoud van de nader door de wederpartij ingediende stukken en deze met verzoeker te bespreken. De advocaat had deze stukken vijf minuten voor de zitting ontvangen. Na de inventarisatie van de partijen en de gewisselde stukken opende de rechter de zitting met de mededeling “te gaan kijken hoe ver we zouden komen.” De advocaat heeft daarop naar voren gebracht dat hij de stukken niet heeft kunnen lezen, en dat verzoeker gebrekkig Nederlands spreekt. Voorafgaand aan de zitting had de advocaat reeds kenbaar had gemaakt dat er geen tijd was om een tolk te regelen. Desondanks heeft de rechter beslist dat de kort voor de zitting ingediende stukken zouden worden meegenomen bij de beoordeling van de zaak. Anders dan het proces-verbaal van de zitting vermeldt is er geen “leespauze” aangeboden, maar slechts een korte leespauze en is dit pas gedaan na de beslissing van de rechter dat de stukken worden meegenomen. Door op voorhand - zonder dat zij zelf kennis had genomen van de stukken - in het voordeel van de wederpartij te beslissen, heeft de rechter de schijn van partijdigheid gewekt.

2.3.

De rechter heeft naar voren gebracht dat het niet verlenen van uitstel van de zitting is gebaseerd op het Landelijk procesreglement waarin is bepaald dat uitstel slechts wordt verleend als degene die uitstel vraagt schriftelijk klemmende redenen aanvoert. Zij heeft er daarbij op gewezen dat het gebruikelijk is dat zittingen in voorlopige voorzieningen bij familierecht direct worden gepland zonder dat verhinderdata bekend zijn. In het schriftelijk verzoek van de advocaat waren geen redenen van klemmende aard genoemd. De rechter wijst erop dat de advocaat in het telefonisch contact met de griffier waarin aan hem werd meegedeeld dat zijn verzoek werd afgewezen, ook geen reden voor zijn verhindering heeft gegeven. De reden voor zijn verhindering heeft de rechter daarom niet bij haar beslissing kunnen betrekken. Wat betreft het verwijt dat zij niet is ingegaan op de klacht heeft de rechter erop gewezen dat de behandeling van klachten verloopt via het klachtenprotocol en dat het klachtenbureau hierover contact onderhoudt met de klager. Bij de klacht gaat het volgens de rechter niet om een discussie tussen haar en de advocaat. Over de stukken die kort voor de zitting door de belanghebbende waren overgelegd heeft de rechter toegelicht dat het bij voorlopige voorzieningen in familierechtelijke zaken niet ongebruikelijk is dat ter zitting nog producties worden overgelegd. In dit geval ging het om producties in reactie op het verweerschrift waarin zelfstandige verzoeken waren ingediend. Het was de belanghebbende toegestaan om daarop te reageren. De rechter stelt dat de vraag of in de gegeven omstandigheden kon worden voldaan aan de eisen van hoor en wederhoor moet worden getoetst aan het door de Hoge Raad gegeven toetsingskader (HR 29 november 2001, LJN AF 1210, HR 17 februari 2006 LJN AU4616). Volgens de rechter ging de advocaat niet in op haar voorstel om te kijken wat er op de zitting kon worden besproken, de zaak te schorsen voor een leespauze en de eventuele gelegenheid om na de zitting nog schriftelijk op de producties te reageren. Daarom is zij niet toegekomen aan de beantwoording van de vraag of de stukken wel of niet konden worden toegelaten.

3 De beoordeling

3.1.

Artikel 36 Rv bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.

3.2.

Voor de beoordeling van het wrakingsverzoek wordt de toepasselijke norm voorts gegeven door artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden in samenhang met de door de Hoge Raad en het Europese hof voor de rechten van de mens ontwikkelde criteria.

Van een gebrek aan onpartijdigheid kan sprake zijn indien de rechter vanwege een persoonlijke overtuiging vooringenomen is. Ook kan daarvan sprake zijn indien zich feiten en omstandigheden voordoen die objectief bezien de (subjectieve) vrees bij de rechtzoekende rechtvaardigen dat het de rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt.

3.3.

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de hiervoor bedoelde zin, dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procespartij bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.

3.4.

De beslissing tot afwijzing van een verzoek om aanhouding van een zaak is een procesbeslissing. Van dergelijke beslissingen kan de juistheid in beginsel niet door de wrakingskamer worden getoetst. Slechts indien een beslissing dermate onbegrijpelijk is dat deze een zwaarwegende aanwijzing oplevert dat het oordeel van de rechter alleen kan voortvloeien uit een vooringenomenheid jegens verzoeker, althans dat de bij hem bestaande vrees daarvoor naar objectieve maatstaven gerechtvaardigd is, kan dit tot een ander oordeel leiden. Deze omstandigheid doet zich naar het oordeel van de wrakingskamer in dit geval niet voor. Aan dit oordeel ligt het volgende ten grondslag.

3.5.

Artikel 3.1 van het hoofdstuk voorlopige voorzieningen in het “Procesreglement scheiding”, zoals dit luidt per 1 april 2016 bepaalt:

“Bij verzoeken strekkende tot het treffen van voorlopige voorzieningen kan een verzoek tot aanhouding slechts worden verleend als degene die uitstel vraagt schriftelijk klemmende redenen aanvoert. (…).”

Gelet op dit voorschrift is het besluit van de rechter om na kennisname van het uitstelverzoek de zaak niet aan te houden, niet onbegrijpelijk. Het schriftelijk uitstelverzoek van de advocaat vermeldt wel de reden van het verzoek (de advocaat van verzoeker en haar waarnemer zijn verhinderd), maar niets over de reden van verhindering van de waarnemend advocaat. Dit uitstelverzoek voldoet dus niet aan de eis dat schriftelijk klemmende redenen dienen te worden aangevoerd. Ook in het telefonisch contact met de griffier heeft de advocaat niet de redenen genoemd van zijn verhindering. Er is dan ook geen grond voor de veronderstelling dat de beslissing tot afwijzing van het verzoek voortvloeide uit partijdigheid en/of vooringenomenheid van de rechter jegens verzoeker.

3.6.

Ook het verwijt van de advocaat dat de rechter niets heeft gedaan met zijn voorstel in de klachtbrief leidt er niet toe dat de rechter blijk heeft gegeven van voorningenomenheid. In de brief van 3 augustus 2016 is duidelijk vermeld dat het gaat om de indiening van een klacht. Dat deze brief ook aan de rechter is gericht doet hier niet aan af. Het bestuur van de rechtbank beslist op de klacht, zie de Klachtenregeling van de rechtbank, die te vinden is via de website www.rechtspraak.nl. Uitgangspunt bij de klachtbehandeling is juist dat de rechter geen inhoudelijke bemoeienis heeft met de afhandeling daarvan. De inhoud van de klacht behoefde voor de rechter dan ook geen reden te zijn om de beslissing te heroverwegen. Dit nog daargelaten dat ook de klachtbrief geen reden voor de verhindering van de advocaat vermeldt.

3.7.

Ter zitting van de wrakingskamer heeft de rechter toegelicht dat de verwoording van het wrakingsverzoek in het proces-verbaal is gedicteerd door de advocaat. Over dat gedeelte van de tekst heeft de advocaat geen opmerkingen gemaakt. Het daaraan voorafgaande gedeelte van het proces-verbaal heeft de advocaat in zijn aan de wrakingskamer gezonden schriftelijke opmerkingen op een aantal punten betwist. Ook indien wordt uitgegaan van de door de advocaat weergegeven chronologie van de gebeurtenissen ter zitting en de door hem gegeven tekstuele nuanceringen en aanvullingen op het proces-verbaal, biedt de gang van zaken ter zitting gelet op het hierna volgende, geen grond voor het oordeel dat het de rechter heeft ontbroken aan onpartijdigheid of dat zij blijk heeft gegeven van vooringenomenheid jegens verzoeker.

3.8.

De wrakingskamer stelt voorop dat de rechter de regie heeft over de zitting. Het behoort tot haar taak de zitting te leiden, waaronder het bepalen van de (volgorde van) de te behandelen onderwerpen en het beoordelen van de aan de orde zijnde vragen. Zoals ook de rechter naar voren heeft gebracht, was er reeds op het uitstelverzoek beslist, had de advocaat van verzoeker een verweerschrift ingediend en was hij ter zitting verschenen. Onder deze omstandigheden was de keuze van de rechter om ter zitting niet alsnog de weigering van het uitstelverzoek aan de orde te stellen, maar de beschikbare zittingstijd te besteden aan de inhoudelijke behandeling van de zaak, niet onbegrijpelijk.

3.9.

De beslissing om stukken al of niet bij de beoordeling van de zaak te betrekken is een procesbeslissing, waarbij voor de wrakingskamer het hiervoor in 3.4 weergegeven toetsingskader geldt. Volgens de advocaat heeft de rechter in reactie op zijn mededeling dat hij de stukken niet kende en niet had kunnen bespreken, geantwoord (onder verwijzing naar de jurisprudentie van de Hoge Raad), dat “zulks geen reden was om de stukken niet gewoon mee te nemen bij de beoordeling”. Anders dan de advocaat betoogt blijkt uit dit antwoord van de rechter niet dat zij reeds op dat moment had besloten de stukken mee te nemen, ongeacht de vraag of verzoeker voldoende gelegenheid had gehad op de inhoud daarvan te kunnen reageren. Het antwoord is in de gegeven context niet onbegrijpelijk en in lijn met de door de rechter aangehaalde jurisprudentie dat het enkele feit dat de advocaat als gevolg van de late indiening van de stukken geen gelegenheid heeft gehad daarvan vóór de zitting kennis te kunnen nemen, niet reeds tot gevolg heeft dat de rechter de stukken buiten beschouwing moet laten. Ter beoordeling van de rechter staat - kort gezegd - of er ondanks de late indiening kan worden voldaan aan het beginsel van hoor en wederhoor. Ter zitting van de wrakingskamer heeft de rechter benadrukt dat zij daarover nog geen beslissing had genomen en dat zij ook nog geen beslissing kon nemen, omdat zij zelf nog geen kennis had genomen van de stukken. De wrakingskamer ziet geen aanknopingspunten om te twijfelen aan deze toelichting van de rechter. Uit het proces-verbaal en de schriftelijke toelichting van verzoeker daarop blijkt dat de rechter aan partijen kenbaar heeft gemaakt “te gaan kijken hoe ver we komen”. Zij is ook na de mededeling van de advocaat dat hij geen kennis van de stukken heeft kunnen nemen bij dit uitgangspunt gebleven. Niet valt in te zien dat dit besluit is ingegeven door partijdigheid van de rechter of voorningenomenheid jegens verzoeker. De rechter heeft voorgesteld om een pauze in te lassen om kennis te kunnen nemen van de stukken en zij heeft aangegeven dat, indien dat noodzakelijk zou blijken te zijn, een schriftelijke reactie door verzoeker op de stukken zou worden toegestaan. De vraag of de geboden leespauze voldoende was evenals de vraag of een nadere schriftelijke reactie van verzoeker op deze stukken was vereist, heeft echter niet aan de orde kunnen komen, omdat verzoeker de rechter heeft gewaakt.

3.10.

Op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen dient het verzoek tot wraking ongegrond te worden verklaard.

4 De beslissing

De wrakingskamer:

4.1.

verklaart het verzoek tot wraking ongegrond;

4.2.

draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoeker, de gewraakte rechter, de belanghebbende, alsmede aan de voorzitter van de afdeling straf- familie- en jeugdrecht en de president van deze rechtbank;

4.3.

bepaalt dat de procedure met zaaknummer C/16/420323 / FA RK 16-5051 dient te worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.

Deze beslissing is gegeven door mr. drs. S.M. van Lieshout, voorzitter, en mr. G.L.M. Urbanus en mr. V.M.M. van Amstel als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. S. Meurs, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 16 augustus 2016.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.