Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:4578

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
17-06-2016
Datum publicatie
16-08-2016
Zaaknummer
16/659885-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Cumulatieve alternatieve tenlasteleggin. Geen noodweersituatie. Bewezenverklaring diefstal met geweld en mishandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingslocatie Utrecht

Strafrecht

Parketnummers: 16/659885-15 en 16/089441-15 (vordering na voorwaardelijke veroordeling)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 17 juni 2016

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1998] te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] , [woonplaats] in België.

Raadsvrouwe: mr. T.C. Schouten, advocaat te Utrecht (gemachtigd)

1 Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 3 juni 2016, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Verdachte is niet verschenen.

Ter terechtzitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermelde parketnummer.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is, als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

onder A: samen met een ander diverse goederen heeft gestolen uit een woning aan de [adres] te [woonplaats] , gevolgd door geweld door haar of de mededader nadat zij werd betrapt;

en/of

onder B: [slachtoffer 1] heeft mishandeld te [woonplaats] .

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het tenlastegelegde en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder A en B tenlastegelegde heeft gepleegd.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat hetgeen ten laste is gelegd wettig en overtuigend bewezen kan worden.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Aangezien verdachte het onder A en B tenlastegelegde heeft bekend en de raadsvrouw geen vrijspraak heeft bepleit, volstaat de rechtbank voorzover zij dit bewezen acht, met toepassing van het bepaalde in artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering, met een opsomming van de bewijsmiddelen.

De rechtbank acht het onder A, met uitzondering van de tenlastegelegde braak, verbreking of inklimming, en het onder B tenlastegelegde bewezen gelet op:


- het verhoor van de verdachte (inbewaringstelling) bij de rechter-commissaris waarin verdachte het onder A tenlastegelegde bekent;
- de aangifte door [slachtoffer 2] , proces-verbaal nr. PL0900-2015387010-1, doorgenummerde pagina 6 tot en met 7 van het proces-verbaal nr. PL0900-2015387010 van 22 december 2015;
- het proces-verbaal van bevindingen, proces-verbaal nr. PL0900-2015387010-14, doorgenummerde pagina 13 van het proces-verbaal nr. PL0900-2015387010 van 22 december 2015;
- het proces-verbaal van verhoor aangeefster, proces-verbaal nr. PL0900-2015387010-23, doorgenummerde pagina 83 tot en met 84 van het proces-verbaal nr. PL0900-2015387010 van 24 december 2015;
- het proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer 1] , proces-verbaal nr. PL0900-2015387010-16, doorgenummerde pagina 8 tot en met 10 van het proces-verbaal nr. PL0900-2015387010 van 22 december 2015;

De hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden worden slechts gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop deze blijkens de inhoud kennelijk betrekking hebben.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.3 genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

A.

op 22 december 2015 in de gemeente [woonplaats] , tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen uit een woning (gelegen aan de [adres] ) een gouden horloge (merk Lasita) en een spaarpot en muntstukken (euro en gulden), ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , welke diefstal werd gevolgd van geweld tegen [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat zij, verdachte, die [slachtoffer 1] , nadat hij haar had vastgepakt teneinde haar aan te houden en aan de politie over te dragen, met kracht heeft gebeten in zijn onderarm;

B.

op 22 december 2015 in de gemeente [woonplaats] , opzettelijk mishandelend [slachtoffer 1] (met kracht) in zijn onderarm heeft gebeten.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

6.1

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft op het standpunt gesteld dat sprake was van een noodweersituatie nu verdachte [slachtoffer 1] heeft gebeten omdat zij door hem in haar buik werd getrapt/geslagen.

6.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde geweld strafbaar is nu het dossier geen steun geeft aan een noodweersituatie.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Het beroep op noodweer wordt door de rechtbank verworpen. Uit het dossier volgt niet dat de verdachte zich op het moment dat zij [slachtoffer 1] beet in een situatie bevond waarin zij ogenblikkelijk wederrechtelijk werd aangerand waartegen noodzakelijke verdediging geboden was. Ook overigens is het bestaan van een rechtvaardigingsgrond niet aannemelijk geworden.

Het bewezen geachte is volgens de wet strafbaar als


A.

diefstal, door twee of meer verenigde personen, gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken.

en

B.

mishandeling

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie van 4 maanden, met aftrek van voorarrest.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de door de officier van justitie geëiste straf dient te worden gematigd gelet op de geringe documentatie van verdachte en het feit dat verdachte minderjarig en hoogzwanger was ten tijde van het tenlastegelegde.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen - en vindt daarin de redenen die in het bijzonder tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden - dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een diefstal samen met een ander uit een woning, gevolgd door geweld van verdachte, toen zij betrapt werd. Woninginbraken veroorzaken niet alleen veel materiële schade, maar maken ook een forse inbreuk op de privacy van de bewoners. Het is algemeen bekend dat woninginbraken nog geruime tijd voor gevoelens van angst en onveiligheid kunnen zorgen bij zowel de bewoners van de betreffende woningen als bij de buurtbewoners, temeer indien ook nog gebruik wordt gemaakt van geweld.

Uit het schade-onderbouwingsformulier van [slachtoffer 2] , een vrouw van 77, blijkt dat zij op het moment van de insluiping op het punt stond naar de condoleance van haar overleden echtgenoot te gaan. Ten gevolge van de insluiping heeft zij tijdens de condoleance en het afsluiten van de kist dubbele gevoelens ervaren. Voorts bleek bij thuiskomst dat het horloge van haar overleden echtgenoot was gestolen. Dit horloge had grote emotionele waarde. Sinds de inbraak is zij angstig zowel op straat als in haar eigen woning.

Uit het schade-onderbouwingsformulier van [slachtoffer 1] blijk dat hij, op het moment dat hij zijn moeder kwam ophalen, werd geconfronteerd met beide verdachten die in de woning van zijn moeder werden aangetroffen. Het geheel heeft een grote en emotionele impact op hem gehad en heeft een stempel gedrukt op de condoleance voor zijn vader en diens daarop volgende uitvaart. Verdachte heeft geen rekening gehouden met deze gevolgen, maar heeft alleen gedacht aan haar eigen financiële gewin. Verdachte heeft met het bewezenverklaarde aangetoond geen respect te hebben voor de eigendommen van een ander en het gebruik van geweld jegens personen niet te schuwen.

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 04 april 2016, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke strafbare feiten, hetgeen haar er kennelijk niet van heeft weerhouden dit feit te plegen. Bovendien liep verdachte ten tijde van het plegen van het delict nog in een proeftijd, hetgeen haar er evenmin van heeft weerhouden dit feit te plegen

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een jeugddetentie van 3 maanden passend en geboden is, met aftrek van voorarrest.

9. Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel ( [slachtoffer 1] )

De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert een schadevergoeding van € 450,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij geheel dient te worden toegewezen, waarvan € 200,00 hoofdelijk, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden afgewezen, omdat verdachte uit noodweer heeft gehandeld.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

De behandeling van de vordering van [slachtoffer 1] , levert niet een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Het is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder A en B bewezenverklaarde rechtstreeks schade heeft geleden, waarbij de rechtbank opmerkt dat van een noodweersituatie aan de zijde van verdachte niet is gebleken. De rechtbank waardeert deze op € 450,00 (vierhonderdvijftig euro), aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 december 2015 tot aan de dag der algehele voldoening. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. De rechtbank bepaalt dat de betalingsverplichting tot het bedrag van € 200,00 hoofdelijk wordt opgelegd, hetgeen inhoudt dat beide verdachten samen verantwoordelijk zijn voor betaling van het totale bedrag.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van de benadeelde partij voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd.

10. Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel ( [slachtoffer 2] )

De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert een schadevergoeding van € 350,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

10.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij geheel hoofdelijk dient te worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

10.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen.

10.3

Het oordeel van de rechtbank

De behandeling van de vordering van [slachtoffer 2] , levert niet een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder A bewezenverklaarde rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op € 350,00 (driehonderdvijftig euro), aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 december 2015 tot aan de dag der algehele voldoening. De vordering kan dan ook tot dat bedrag hoofdelijk worden toegewezen, hetgeen inhoudt dat de verdachte en haar medeverdachte samen voor de betaling van het geheel verantwoordelijk zijn.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van de benadeelde partij voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd.

11 Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 20 januari 2016 griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Utrecht in de zaak met parketnummer 16/089441-15, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 7 juli 2015 van de kinderrechter, waarbij verdachte is veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 4 dagen, met bevel dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke straf te gelasten.

12 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 55, 77a, 77h, 77i, 77g, 77dd, 300, 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde en op de reeds aangehaalde artikelen.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

13 Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring
- Verklaart bewezen dat verdachte het onder A en B tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
- Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Strafbaarheid van het feit
- Het bewezen verklaarde levert op:

A.

diefstal, door twee of meer verenigde personen, gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken

en

B.

mishandeling

-
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte
- Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.


Straf
- Veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 3 maanden.
- Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

De benadeelde partij [slachtoffer 1]
- Wijst de vordering van [slachtoffer 1] toe tot € 450,00 (zegge vierhonderdvijftig euro), waarvan € 200,00 hoofdelijk, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 december 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.
- Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 1] voornoemd, behalve voor zover deze vordering (tot een bedrag van € 200,00) al door of namens een ander is betaald.
- Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

- Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] , aan de Staat € 450,00 (zegge vierhonderdvijftig euro) te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 december 2015 tot aan de dag der algehele voldoening, behalve voor zover dit bedrag al door of namens een ander is betaald, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door jeugddetentie van 9 dagen. De toepassing van die jeugddetentie heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.
- Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

De benadeelde partij [slachtoffer 2]
- Wijst de vordering van [slachtoffer 2] hoofdelijk toe tot € 350,00 (zegge driehonderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 december 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.
- Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 2] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.
- Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

-
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 2] , aan de Staat

€ 350,00 (zegge driehonderdvijftig euro) te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 december 2015 tot aan de dag der algehele voldoening, behalve voor zover dit bedrag al door of namens een ander is betaald, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door jeugddetentie van 7 dagen. De toepassing van die jeugddetentie heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.
- Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling
- Gelast de tenuitvoerlegging van de bij genoemd vonnis van 7 juli 2015 opgelegde voorwaardelijke straf, namelijk een jeugddetentie voor de duur van 4 dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.E.M. Nootenboom-Lock, kinderrechter tevens voorzitter, mrs. H.A. Gerritse en R.L.M. van Opstal, rechters,

in tegenwoordigheid van M.J.C. van der Vegte, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 juni 2016.

BIJLAGE : De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

A.

zij op of omstreeks 22 december 2015 in de gemeente Nieuwegein, althans in het arrondissement Midden-Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen uit een woning (gelegen aan de [adres] ) een gouden horloge (merk Lasita) en/of een spaarpot en/of muntstukken (euro en gulden), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededaders, waarbij verdachte en/of haar mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en/of dat/die goederen/geld onder haar/hun bereik hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming en/of welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] ,

gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of haar mededaders hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of bedreiging met geweld hierin bestond, dat zij, verdachte,

die [slachtoffer 1] nadat hij haar en/of haar medeverdachte [medeverdachte] , had vastgepakt teneinde haar/hen aan te houden en/of aan de politie over te dragen, met kracht heeft gebeten in zijn onderarm;

en/of

B.

zij op of omstreeks 22 december 2015 in de gemeente Nieuwegein, althans in het arrondissement Midden-Nederland, opzettelijk mishandelend [slachtoffer 1] (met kracht) in zijn onderarm heeft gebeten;

art. 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

art. 312 lid 2 ahf/sub 3 Wetboek van Strafrecht

art. 310 Wetboek van Strafrecht

art. 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht.