Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:4563

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
24-08-2016
Datum publicatie
14-09-2016
Zaaknummer
C/16/404725 / HA ZA 15-947
Rechtsgebieden
Ondernemingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 2:35 lid 4 BW beroep tegen ontzettingsbesluit. Artikel 2:14 BW Nietig besluit.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 2 14
Burgerlijk Wetboek Boek 2 35
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2016-0252
JIN 2016/199 met annotatie van E. Baghery
JOR 2017/32 met annotatie van mr. K.A.M. van Vught
AR 2016/2667
AR 2016/3424
JOR 2017/32 met annotatie van mr. K.A.M. van Vught

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/404725 / HA ZA 15-947

Vonnis van 24 augustus 2016

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. M.T.C. Bikker te Utrecht,

tegen

de vereniging

WILDBEHEEREENHEID [naam wildbeheereenheid],

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. C.F. van Helvoirt te Nijmegen.

Partijen zullen hierna [eiser] en WBE [naam wildbeheereenheid] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 20 april 2016

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 12 juli 2016.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

WBE [naam wildbeheereenheid] is blijkens de doelomschrijving in artikel 5 van haar akte houdende statutenwijziging vereniging d.d. 18 februari 2010 (hierna: de statuten) als volgt te omschrijven. “Een wildbeheereenheid is een rechtspersoonlijkheid bezittend samenwerkingsverband van jacht(akte)houders en anderen dat tot doel heeft te bevorderen dat jacht, beheer en schadebestrijding, al dan niet ter uitvoering van het door de faunabeheereenheid opgestelde faunabeheerplan en/of het eigen wildbeheerplan (van de WBE) wordt uitgevoerd mede in samenwerking met en mede ten dienste van grondgebruikers of terreinbeheerders.

Blijkens datzelfde artikel (lid 3) bereikt WBE [naam wildbeheereenheid] dit doel onder meer door nauwe samenwerking met (semi)publiekrechtelijke of privaatrechtelijke organisaties op het gebied van de land-, tuin- en bosbouw en de eigenaren en gebruikers van de grond waarop de leden de jacht kunnen uitoefenen. Voor dat doel worden door leden op eigen naam jachtrechten en grondgebruikersverklaringen binnen het werkgebied van de vereniging verworven.

2.2.

Ingevolge artikel 17 van het huishoudelijk reglement van WBE [naam wildbeheereenheid] geldt voor de leden een als volgt geformuleerd concurrentieverbod (hierna: het concurrentieverbod):

“Het is de leden, deelnemers en begunstigers verboden op enigerlei wijze te pogen, direct dan wel indirect, het jachtrecht en/of de toestemming om op die gronden te beheren en/of schade te bestrijden te verwerven op gronden waarop andere leden ditzelfde recht hebben verworven. Dit geldt zowel gedurende de duur van het lidmaatschap, als gedurende de periode van deelnemerschap of begunstiging, alsmede gedurende één jaar, volgende op de eventuele beëindiging van het lidmaatschap, dan wel het deelnemerschap of begunstiging, één en ander op verbeurte van een door de WBE direct opeisbare en niet voor compensatie vatbare boete van euro 1.000 (eenduizend) voor iedere overtreding of dag, dat een overtreding voortduurt.

Vorenstaand verbod is niet van kracht indien de leden, deelnemers of begunstigers bedoeld recht verkrijgen door eigendomsverkrijging van de gronden waarop dit recht wordt uitgeoefend.”

2.3.

Bij brief van 17 juli 2014 is aan [eiser] meegedeeld het besluit van het bestuur van WBE [naam wildbeheereenheid] van 2 juli 2014 om hem uit het lidmaatschap van de vereniging te ontzetten, in verband met schending van het concurrentieverbod.

2.4.

Bij brief van 15 augustus 2014 heeft de advocaat van [eiser] kenbaar gemaakt in beroep te gaan bij de algemene vergadering tegen het bestuursbesluit tot ontzetting. Bij brief van 14 oktober 2014 zijn de gronden van het beroepschrift gegeven en toegelicht. Vervolgens heeft WBE [naam wildbeheereenheid] op 17 november 2014 schriftelijk onder meer het volgende laten weten:

“(…)
De statuten en het huishoudelijk reglement voorzien niet in een (uitputtende) regeling en boden op dit punt geen uitkomst. Op grond van het wettelijk kader is de algemene vergadering bevoegd om op het beroepschrift van uw cliënt te besluiten. Het bestuur is echter van mening dat het plenair behandelen van een beroepschrift geen werkbare optie vormt. Bovendien wenst het bestuur te verzekeren dat het beroep zorgvuldig wordt behandeld en er voldoende ruimte voor hoor en wederhoor wordt geboden. (…)

Om tot een zorgvuldige behandeling van het beroepschrift van uw cliënt te komen heeft het bestuur gekozen voor het opstellen van een (aanvullend) huishoudelijk reglement. In dit reglement is voorzien in een onafhankelijke procedure voor het behandelen van beroepschriften.(…) Anders dan u stelt, houdt dit voornemen materieel (lees: inhoudelijk) gezien geen verband met het beroepschrift van uw cliënt.
Ondanks het voorgaande heeft uw cliënt te kennen gegeven op de aankomende algemene ledenvergadering aanwezig te willen zijn. Hiervoor bieden de wet, de statuten en het huishoudelijk reglement geen grondslag. (…) Ik raad uw cliënt af om (toch) op de algemene vergadering van woensdag 19 november 2014 te verschijnen. (…).

2.5.

Bij de algemene ledenvergadering op 19 november 2014 hebben de aanwezige leden unaniem ingestemd met de door het bestuur voorgestelde aanpassing van het huishoudelijk reglement. Daarin is bepaald dat ter behandeling van ingesteld beroep tegen een bestuursbesluit van opzegging van, of ontzetting uit het lidmaatschap, een beroepscommissie wordt benoemd, bestaande uit drie leden, die het beroepschrift van het opgezegde/ontzette lid namens de algemene vergadering zal behandelen en hierop namens de algemene vergadering zal beslissen. Eveneens tijdens deze vergadering zijn de leden [A] en [B] als leden van de beroepscommissie voorgedragen. Als (onafhankelijk) voorzitter is benoemd de voorzitter van het provinciale bestuur van de Koninklijke Nederlandse Jagersvereniging, de heer [C] .

2.6.

Op 19 februari en op 29 juni 2015 heeft de beroepscommissie gesproken met het bestuur van WBE [naam wildbeheereenheid] . Op 29 april 2015 is gesproken met [eiser] . De beroepscommissie heeft kennis genomen van haar verstrekte schriftelijke stukken, en daarnaast heeft zij zelfstandig contact opgenomen met één van de betrokken agrariërs om informatie uit de eerste hand te verkrijgen. Bij beslissing van 19 augustus 2015 heeft de beroepscommissie geoordeeld dat het ontzettingsbesluit door het bestuur op goede gronden is genomen.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert samengevat:

primair: te verklaren voor recht dat nietig zijn:

  1. het besluit van het bestuur van WBE [naam wildbeheereenheid] om [eiser] te ontzetten uit het lidmaatschap;

  2. het vergaderbesluit van de algemene ledenvergadering d.d. 19 november 2014 waarbij is ingestemd met aanvulling van het huishoudelijk reglement met een regeling van het interne beroep;

  3. het bekrachtigingsbesluit van de beroepscommissie.

subsidiair: te vernietigen de hiervoor onder 1 tot en met 3 genoemde besluiten;

primair en subsidiair:

  • -

    WBE [naam wildbeheereenheid] te gebieden [eiser] weer volledig en zonder beperkingen toe te laten als lid van WBE [naam wildbeheereenheid] , op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag;

  • -

    met veroordeling van WBE [naam wildbeheereenheid] in de proceskosten en nakosten, te vermeerderen met de wetteijke rente vanaf de vijftiende dag na datum van het vonnis.

3.2.

[eiser] legt aan zijn vorderingen, zakelijk weergegeven, het volgende ten grondslag. De besluiten zijn nietig, althans vernietigbaar, omdat hem als ontzet lid de wettelijke mogelijkheid van beroep op de algemene vergadering is ontzegd. De beroepsprocedure via de – hangende de ontzetting ingestelde – beroepscommissie mist wettelijke of statutaire basis. Inhoudelijk is het ontzettingsbesluit genomen zonder deugdelijk bewijs of motivering, waarbij zowel door het bestuur als door de beroepscommissie fundamentele rechtsbeginselen zijn miskend.

3.3.

WBE [naam wildbeheereenheid] voert verweer en concludeert dat de rechtbank [eiser] in zijn vorderingen niet-ontvankelijk verklaart, althans deze vorderingen afwijst, met veroordeling van [eiser] in de kosten.

3.4.

WBE [naam wildbeheereenheid] baseert haar verweer op het volgende. Op grond van de statuten kan de ontzettingsprocedure nader worden geregeld in het huishoudelijk reglement, hetgeen aldus is gedaan. De wettelijke beroepsmogelijkheid is [eiser] niet ontzegd, nu het besluit van de beroepscommissie moet worden geacht te zijn genomen namens de algemene vergadering. Inhoudelijk kan het ontzettingsbesluit door de rechter slechts marginaal worden getoetst. De aangevochten besluitvorming doorstaat deze marginale toetsing.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

In de kern draait het geschil tussen partijen om de vraag of [eiser] rechtsgeldig als lid van WBE [naam wildbeheereenheid] is geroyeerd. Voordat aan beantwoording van die vraag kan worden toegekomen, moet eerst worden bezien of met betrekking tot het door het bestuur genomen ontzettingsbesluit op juiste wijze het wettelijk voorgeschreven interne beroep heeft plaatsgevonden of niet. Als vast komt te staan dat dit niet het geval is, dan kan [eiser] zich (nog) niet tegen de ontzetting verzetten bij de rechter en dient eerst de uitkomst van het interne beroep te worden afgewacht.

4.2.

Artikel 2:35 lid 4 BW bepaalt dat indien het besluit tot ontzetting door het bestuur is genomen, het lid hiervan beroep openstaat bij de algemene vergadering, tenzij daartoe bij statuten een ander orgaan of derde is aangewezen. Dit is een regel van dwingend recht. Hieruit volgt dat indien beroep niet openstaat bij de algemene vergadering, rechtstreeks uit de statuten moet volgen bij welk orgaan van de vereniging of bij welke derde dit beroep moet worden ingesteld. Tussen partijen is niet in geschil dat dit uit de statuten van WBE [naam wildbeheereenheid] niet volgt. [eiser] stelt dat dientengevolge het instellen van de beroepscommissie, evenals het door die commissie genomen bekrachtigingsbesluit nietig althans vernietigbaar is. WBE [naam wildbeheereenheid] betwist dat dit het geval is en doet een beroep op artikel 9, lid 10 van de statuten waarin is bepaald dat bij huishoudelijk reglement de opzeggings- en ontzettingsprocedure nader geregeld kan worden.

4.3.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit artikel 9 lid 10 van de statuten niet dat het wettelijk bepaalde interne beroep van door het bestuur genomen ontzettingsbesluiten in een huishoudelijk reglement kan worden gedelegeerd aan een ander orgaan of aan een derde. Wel is het mogelijk dat bij huishoudelijk reglement een nadere regeling wordt gegeven over het instellen van het beroep, de wijze waarop dit moet geschieden en de vormvereisten waaraan een en ander moet voldoen. Een objectieve uitleg van artikel 9 lid 10 van de statuten, die recht doet aan het dwingendrechtelijk kader en bezien binnen de gehele tekst en context van de statuten brengt mee dat dit artikel ziet op die mogelijkheid van nadere invulling. Voor de instelling en benoeming van de beroepscommissie, zoals is gebeurd bij algemene vergadering van 19 november 2014, heeft echter de door de wet (dwingend) vereiste statutaire basis ontbroken, zodat dit besluit nietig is, in de zin van artikel 2:14 lid 1 BW.

4.4.

WBE [naam wildbeheereenheid] heeft nog aangevoerd dat het besluit van de algemene vergadering op 19 november 2014 en de daarop volgende behandeling door de beroepscommissie, in wezen moet worden gezien als een beroep op de algemene vergadering in de zin van artikel 2:35 lid 4 BW, met dien verstande dat de algemene vergadering heeft besloten het beroep niet zelf te behandelen maar daartoe een beroepscommissie aan te wijzen. Het feit dat het besluit van de beroepscommissie vervolgens, blijkens artikel 2 van het huishoudelijk regelement beroepsprocedure, moet worden geacht te zijn genomen namens de algemene vergadering maakt dat van strijd met artikel 2:35 lid 4 BW geen sprake is, zo begrijpt de rechtbank het standpunt van WBE [naam wildbeheereenheid] .

4.5.

De rechtbank volgt WBE [naam wildbeheereenheid] niet in dit standpunt, ten eerste omdat het niet strookt met de door WBE [naam wildbeheereenheid] zelf geschetste feitelijke gang van zaken. In paragraaf 13 van de conclusie van antwoord is immers vermeld: “Omdat (…) het bestuur het beroepschrift zorgvuldig wenste te behandelen, heeft het bestuur van WBE [naam wildbeheereenheid] gekozen voor het opstellen van een (aanvullend) huishoudelijk reglement, waarin de beroepsprocedure in geval van opzegging/ontzetting lidmaatschap zorgvuldig en met alle waarborgen binnen het verenigingsrecht is geregeld. (…) De ALV heeft bij vergadering van 19 november 2014 het Regelement beroepsprocedure unaniem aangenomen. Als productie 6 wordt het verslag van die vergadering overgelegd.

In genoemd verslag van de vergadering is onder meer genotuleerd: “Op grond van dit advies wordt de vergadering een voorstel tot een regeling voorgelegd, die erin voorziet dat het bestuur een commissie samenstelt van 3 mensen uit de WBE waarvan één vertegenwoordiger van Koninklijke Jagersvereniging, welke dan op basis van hoor en wederhoor een arbitraal besluit neemt over deze zaak. (…)”

Hetzelfde blijkt uit de als productie 5 bij conclusie van antwoord overgelegde brief, waarin staat: (…) Het bestuur is echter van mening dat het plenair behandelen van een beroepschrift geen werkbare optie vormt.’

Uit deze feiten volgt dat het niet de algemene vergadering is geweest die, geconfronteerd met een ingesteld beroep, volmacht heeft verleend aan een door haar in te stellen commissie om op dit beroep te besluiten. Het bestuur van WBE [naam wildbeheereenheid] heeft het wenselijk geacht over te gaan tot het instellen van een beroepscommissie, en het is vervolgens ook het bestuur dat in voorkomend geval de leden van de beroepscommissie voordraagt.

Daar komt bij dat het de organen van de vereniging niet vrij staat, zelfs niet met unanieme instemming van de algemene vergadering, een besluit te nemen dat in strijd is met wettelijke of statutaire bepalingen die de bevoegdheid van verschillende organen regelen (ECLI:NL:HR:1955:AG2033, Forum Bank).

Het aanwijzen van een ander orgaan of een derde die bevoegd is kennis te nemen van een tegen een bestuurlijk ontzettingsbesluit ingesteld beroep, dient te geschieden in de statuten. De algemene vergadering kan deze bevoegdheid niet bij huishoudelijk reglement delegeren, ook niet met unanieme instemming. De bepaling (in het huishoudelijk reglement) dat de beroepscommissie daarbij zal beslissen namens de algemene vergadering maakt dit niet anders nu dit feitelijk tot gevolg heeft dat het ontzette lid geen beroep openstaat bij de algemene vergadering, maar bij een daartoe te benoemen beroepscommissie.

4.6.

Uit het voorgaande volgt dat het vergaderbesluit van de algemene ledenvergadering d.d. 19 november 2014 waarbij is ingestemd met aanvulling van het huishoudelijk reglement met een regeling van het interne beroep nietig is, zodat de primair onder 2. gevorderde verklaring voor recht toewijsbaar is.

4.7.

Nu het besluit waarbij de commissie van beroep is ingesteld nietig is, moet het daaruit voortvloeiende bekrachtigingsbesluit van die commissie als non-existent worden beschouwd. Dat wil zeggen, er is wel een besluit genomen, maar niet door een orgaan van de vereniging – nog daargelaten of de commissie van beroep een orgaan van de vereniging vormt indien zij wel rechtsgeldig zou zijn ingesteld. Dit laatste kan, gezien het voorgaande in het midden blijven. Strikt genomen is de gevorderde verklaring voor recht dat het bekrachtigingsbesluit van de beroepscommissie nietig of vernietigbaar is daarmee niet toewijsbaar, nu het niet gaat om een besluit van een orgaan van de rechtspersoon in de zin van artikel 2:14 BW en/of artikel 2:15 BW. Dit doet echter niet af aan de hierna te noemen conclusie.

4.8.

Gezien het voorgaande komt de rechtbank tot de volgende slotsom. Het besluit van de algemene vergadering d.d. 19 november 2014 waarbij is ingestemd met aanvulling van het huishoudelijk reglement met een regeling van het interne beroep is nietig. De gevraagde verklaring voor recht die daartoe strekt is daarom toewijsbaar. Het door de beroepscommissie genomen bekrachtigingsbesluit is als gevolg daarvan rechtspersonenrechtelijk non-existent. Hieruit volgt dat het wettelijk voorgeschreven interne beroep tegen het bestuurlijke ontzettingsbesluit nog niet heeft plaatsgevonden. [eiser] kan zich daarom nog niet tot de rechter wenden ter toetsing van het ontzettingsbesluit zelf. In het verlengde daarvan kan evenmin worden toegewezen het gevraagde gebod dat WBE [naam wildbeheereenheid] [eiser] weer volledig en zonder beperkingen toelaat als lid, op straffe van een dwangsom. Dat betekent dat het meer of anders gevorderde zal worden afgewezen.

4.9.

WBE [naam wildbeheereenheid] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 96,16

- griffierecht 285,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.285,16

De nakosten, waarvan [eiser] betaling vordert, zullen op de in het dictum weergegeven wijze worden begroot. De gevorderde wettelijke rente over de nakosten zal als volgt worden toegewezen.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart voor recht dat nietig is het vergaderbesluit van de algemene ledenvergadering d.d. 19 november 2014 waarbij is ingestemd met aanvulling van het huishoudelijk reglement met een regeling van het interne beroep,

5.2.

veroordeelt WBE [naam wildbeheereenheid] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.285,16, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt WBE [naam wildbeheereenheid] , onder de voorwaarde dat zij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door [eiser] volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- € 131,00 aan salaris advocaat, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na aanschrijving,

- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van het vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening,

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.C. Burgers en in het openbaar uitgesproken op 24 augustus 2016.1

1 type: FB/4723 coll: RS/4234