Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:4545

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
12-08-2016
Datum publicatie
17-08-2016
Zaaknummer
4664843 AE VERZ 15-166
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eindbeschikking na bewijsopdracht. Ontslag op staande voet niet rechtsgeldig nu dringende reden niet is komen vast te staan. (Voorwaardelijk) tegenverzoek (op dezelfde grondslag) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2016-0919
AR 2016/2413

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Amersfoort

zaaknummers: 4664843 AE VERZ 15-166

4723057 UE VERZ 16-2

Beschikking van 12 augustus 2016

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [verzoeker] ,

verzoekende partij,

gemachtigde: mr. J.W. Menkveld,

tegen:

de besloten vennootschap

Wilco B.V.,

gevestigd te Amersfoort,

verder ook te noemen Wilco,

verwerende partij,

gemachtigde: mr. S.N. Meijers.

1 De procedure

in de zaak van het verzoek en het tegenverzoek

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de beschikking van 10 februari 2016, waarin bewijs is opgedragen aan Wilco;

- het proces-verbaal van het getuigenverhoor zijdens verwerende partij op 30 maart 2016,

- het proces-verbaal van het getuigenverhoor zijdens verzoekende partij op 3 mei 2016,

- de akte na getuigenverhoor van [verzoeker] ,

- de antwoordakte van Wilco.

1.2.

Daarna is bepaald dat de rechter een beschikking zal geven.

2 De (verdere) beoordeling

in de zaak van het verzoek

2.1.

De kantonrechter blijft bij de inhoud van de beschikking van 10 februari 2016.

In die tussenbeschikking is Wilco in de gelegenheid gesteld bewijs te leveren van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat [verzoeker] geen toestemming had voor het meenemen van drie Fantasia IX boeken op 7 oktober 2015.

2.2.

Wilco heeft in het kader van de bewijsopdracht [A] (hierna: [A] ) (adjunct directeur bij Wilco), [B] (hierna: [B] ) (voorman bij Wilco), [C] (hierna: [C] ) (boekbinder bij Wilco) en [D] (hierna: [D] ) (manager binderij bij Wilco) laten horen.

2.3.

[B] heeft, voor zover hier van belang, het volgende verklaard:

“(…)

5. Het was op 7 oktober 2015 en die datum is weer boven gekomen bij de voorbereiding van deze zitting, dat de heer [verzoeker] met zijn dienst begon en dat er voor hem geen aansluiting was op zijn normale werkplek. Ik heb de heer [verzoeker] toen ergens anders naar toe gestuurd.

Ik heb [verzoeker] uitgelegd wat hij moest doen en verder geen woorden met hem gewisseld. Hij was daarna uit mijn gezichtsveld.

6. Het eerstvolgende dat ik zelf heb waargenomen is een telefoontje toen ik in de auto naar huis zat van de heer [C] . Dat moet half 5 zijn geweest al weet ik dat niet meer precies.

7. De heer [C] zat boven op kantoor met [verzoeker] en [C] stelde mij de vraag of ik [verzoeker] toestemming had gegeven om drie boeken mee te nemen.

Mijn antwoord daarop was absoluut niet.

(…)

10. Ik weet honderd procent zeker dat ik [verzoeker] op 7 oktober 2015 geen toestemming heb gegeven voor het meenemen van drie Fantasia IX boeken.

10. Ik ben wel bevoegd om iemand toestemming te geven om boeken mee te nemen.

Als ik toestemming geef om een boek mee te nemen aan een personeelslid dan zorg ik er altijd voor dat er een handtekening van mij in het boek staat of dat er een stempel in het boek staat.

(…)”

2.4.

[C] heeft, voor zover hier van belang, het volgende verklaard:

“(…)

13. Ik heb beelden gezien van [verzoeker] afkomstig van twee beveiligingscamera’s namelijk die van de bandenmaak afdeling en een buiten camera. Verder heb ik beelden gezien van een camera op de expeditie afdeling. Er is ook nog een camera op de binderij. [verzoeker] was op de bandenmaak afdeling aan het werk en niet op de binderij. Ik heb [verzoeker] op de beelden naar buiten zien lopen van de bandenmaak afdeling via de expeditie naar buiten en dat was onder werktijd.

(…)”

2.5.

[D] heeft, voor zover hier van belang, het volgende verklaard:

“(…)

5. Naar aanleiding van het feit dat ik verklaar over ‘’beveiligingscamera’s’’ vraagt u mij over welke camera’s het dan gaat. Het gaat om beveiligingscamera’s buiten aan het pand, op de expeditie en op de bandenmakerij. U vraagt mij of er ook camera’s hangen op de binderij. Dat weet ik niet. Ik weet niet waar ze hangen. Ik weet ook niet of er camera’s zijn op de binderij.

(…)”

2.6.

[verzoeker] is in tegenverhoor gehoord en heeft, voor zover hier van belang, het volgende verklaard:

“(…)

4. Het magazijn is tevens de bandenmaak afdeling. Daar zag ik een pallet met fantasia boeken met daarop een sticker afgekeurd. Ik heb toen aan de heer [B] gevraagd om drie fantasia boeken te mogen hebben om die aan mijn drie nichtjes voor sinterklaas cadeau te doen.

5. De heer [B] zei toen natuurlijk [verzoeker] , geen probleem. De heer [B] pakte toen zelf drie boeken van de pallet en gaf ze aan mij.

6. Ik heb de heer [B] toen gevraagd of het nodig was om een stempel in de boeken te zetten. De heer [B] zei toen dat dat niet nodig was omdat die boeken voor vernietiging bestemd waren. Hij zei op mijn verantwoordelijkheid.

7. U vraagt mij waarom ik om een stempel vroeg. Ik antwoord daarop “regels”.

8. De rechter vraagt mij of ik bedoel dat er een regel was dat er een stempel in een boek gezet moest worden voordat het werd meegenomen. Ik antwoord daarop ja.

9. Bij dat gesprek waren alleen de heer [B] en ik aanwezig.

10. Vervolgens heb ik die drie boeken in mijn tas gestopt. De heer [B] heeft dat zelf gezien.

11. Meneer [B] heeft toen tegen mij gezegd dat als ik met de auto was, ik beter mijn tas met boeken in de auto kon zetten.

12. We zijn toen samen weggelopen. Ik in de richting van mijn auto en de heer [B] in de richting van de binderij.

13. Het is mogelijk dat de overhandiging van de boeken door [B] aan mij en het daarna weglopen van ons geregistreerd is door beveiligingscamera’s van Wilco.

(…)”

2.7.

[verzoeker] heeft in contra-enquête zichzelf doen horen. [verzoeker] is volgens vaste jurisprudentie aan te merken als een zogenaamde volle getuige en niet als partijgetuige, nu hij niet de bewijslast draagt. Er is derhalve geen beperking aan de bewijskracht van de verklaring van [verzoeker] .

2.8.

Nu gesteld noch gebleken is dat op 7 oktober 2015 (op het moment dat [verzoeker] stelt toestemming te hebben gekregen) anderen dan [verzoeker] en [B] aanwezig waren op de bandenmaakafdeling, kunnen uitsluitend [B] en [verzoeker] uit eigen wetenschap verklaren over wat daar is voorgevallen en gezegd.

Een getuigenverklaring kan immers slechts als bewijs dienen, voor zover zij betrekking heeft op aan de getuige uit eigen waarneming bekende feiten.

[verzoeker] verklaart dat hij van [B] toestemming heeft gekregen om de drie boeken mee te nemen (punt 5 van de verklaring van [verzoeker] ). [B] ontkent dat hij deze toestemming heeft gegeven (punt 10 van de verklaring van [B] ).

Nu de verklaringen van [B] en [verzoeker] juist op dit doorslaggevende punt recht tegenover elkaar staan en de bewijslast bij Wilco rust, ligt het op de weg van Wilco om voor zover mogelijk nader bewijs in het geding te brengen.

De verklaringen van [A] , [D] en [C] dragen niet bij aan de bewijslevering, omdat zij over de al dan niet verleende toestemming niet uit eigen waarneming kunnen verklaren. Zij waren immers niet aanwezig op de bandenmaakafdeling toen [B] en [verzoeker] daar waren.

2.9.

[verzoeker] verklaart dat het mogelijk is dat de overhandiging van de boeken door [B] aan hem geregistreerd is op beveiligingscamera's (punt 13 van de verklaring van [verzoeker] ). Nu ook [C] (punt 13 van zijn verklaring) en [D] (punt 5 van zijn verklaring) onder ede verklaren dat er camera's aanwezig zijn op de afdeling bandenmakerij, is naar het oordeel van de kantonrechter vast komen te staan dat zich camera's bevinden op de afdeling waar [verzoeker] op 7 oktober 2015 aan het werk was.

De opmerkingen van Wilco, bij akte na getuigenverhoor, dat er geen camera's hangen op de bandenmaakafdeling, zijn, met het oog op voornoemde (andersluidende) verklaringen (onder ede) van [C] en [D] , niet geloofwaardig.

De conclusie moet dan ook zijn dat er beelden zijn, waarop in elk geval is waar te nemen is wat er is gebeurd op de afdeling bandenmakerij op 7 oktober 2015.

Dat [verzoeker] de camera in de bandenmakerij niet heeft ingetekend op de schets die is overgelegd als productie 14 door [verzoeker] kan daaraan niet afdoen, omdat juist Wilco moet worden geacht beter op de hoogte te zijn van haar eigen beveiligingsmaatregelen dan [verzoeker] .

Partijen zijn het er verder over eens dat er in het magazijn/expeditieruimte camera's hangen. Op de beelden van de bewakingscamera's zou derhalve ook te zien kunnen zijn of, zoals [verzoeker] – in tegenstelling tot [B] – verklaart, [B] en [verzoeker] de afdeling bandenmakerij gezamenlijk verlieten.

Wilco heeft echter nagelaten ook maar enig beeldmateriaal in het geding te brengen.

Ook anderszins heeft Wilco geen nader bewijs in het geding gebracht. Nu zij dat niet heeft gedaan, wordt geoordeeld dat Wilco niet in het haar opgedragen bewijs is geslaagd.

2.10.

Het moet er dan ook voor gehouden worden dat [verzoeker] in elk geval materieel toestemming heeft gekregen van [B] om de drie Fantasia IX boeken mee te nemen, ook al staat er geen handtekening en/of stempel in de drie bedoelde boeken.

Niet in geschil is dat [B] namens Wilco bevoegd was om een dergelijke toestemming te verlenen.

2.11.

Daaruit volgt dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig gegeven is, aangezien hetgeen als dringende reden is aangevoerd, niet is komen vast te staan.

De opzegging van 7 oktober 2015 wordt dan ook vernietigd en voor recht zal worden verklaard dat aan de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst geen einde is gekomen omdat het ontslag op staande voet geen stand houdt.

2.12.

Nu de arbeidsovereenkomst doorloopt, heeft [verzoeker] recht op het aan hem toekomende loon ter hoogte van € 2.213,51 per maand, over de periode van 7 oktober 2015 tot het rechtsgeldige einde van het dienstverband. Het is immers niet aan hem te wijten dat hij gedurende de periode dat deze procedure loopt geen arbeid heeft verricht.

2.13.

[verzoeker] heeft om de wettelijke verhoging verzocht. Deze wordt toegekend over de tot op heden opeisbare loontermijnen, voor zover deze verhoging naar de maatstaf van artikel 7:625 BW verschuldigd is geworden. De kantonrechter ziet geen reden deze verhoging (ambtshalve) te matigen.

2.14.

De verzochte wettelijke rente zal als onweersproken eveneens worden toegewezen. Nu [verzoeker] geen aanvangsdatum heeft genoemd zal de wettelijke rente vanaf 4 december 2015 (datum indienen verzoekschrift) worden toegewezen.

2.15.

Het verzoek van [verzoeker] te bepalen dat Wilco ook aan alle overige verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst dient te voldoen, is te algemeen omschreven om [verzoeker] daarin te kunnen ontvangen. Daarom wordt hij in dit deel van het verzoek niet ontvankelijk verklaard.

in de zaak van het (voorwaardelijk) tegenverzoek

2.16.

Wilco heeft bij tegenverzoek verzocht om [verzoeker] te veroordelen tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging. Nu de opzegging vernietigd wordt, moet dit deel van het verzochte worden afgewezen.

2.17.

Wilco heeft verder verzocht voorwaardelijk, onder meer voor het geval de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig is geëindigd op 7 oktober 2015, de arbeidsovereenkomst te ontbinden.

2.18.

Die voorwaarde is met de toewijzing van het verzoek van Wilco in vervulling gegaan en daarmee is het verzoek onvoorwaardelijk geworden.

2.19.

Wilco legt aan dit tegenverzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst ten grondslag dat er sprake is van verwijtbaar handelen door [verzoeker] , omdat hij volgens Wilco zonder toestemming drie boeken heeft meegenomen.

Daarbij voert Wilco nog aan dat [verzoeker] een gewaarschuwd man is, niet alleen wat betreft het beleid omtrent het meenemen van boeken maar ook waar het betreft het stilzetten van machines zonder toestemming en het bellen en roken op de werkvloer.

2.20.

De grondslag is zozeer dezelfde als die ten aanzien van het ontslag op staande voet is aangevoerd, dat er geen enkele redelijke grond is voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst.

Immers, omdat Wilco niet is geslaagd in de haar gegeven bewijsopdracht, moet ook bij de beoordeling van het tegenverzoek het uitgangspunt zijn dat [verzoeker] wel materieel toestemming had om de drie boeken mee te nemen.

Dan doet het er ook niet toe dat hij een gewaarschuwd man is.

Het (voorwaardelijk) verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst zal dan ook worden afgewezen.

in beide verzoeken

2.21.

De proceskosten komen voor rekening van Wilco, omdat zij telkens de in het ongelijk gestelde partij is. Gelet op de samenhang tussen de verzoeken worden de kosten aan de zijde van [verzoeker] vastgesteld op € 79,00 aan griffierecht en € 600,00 aan salaris gemachtigde.

3 De beslissing

De kantonrechter:

in de zaak van het verzoek

3.1.

verklaart [verzoeker] niet ontvankelijk in zijn verzoek om te bepalen dat Wilco ook aan alle overige verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst jegens [verzoeker] dient te blijven voldoen vanaf 7 oktober 2015 tot het einde van het dienstverband;

3.2.

vernietigt het door Wilco aan [verzoeker] op 7 oktober 2015 gegeven ontslag op staande voet en verklaart voor recht dat aan de arbeidsovereenkomst tussen partijen geen einde is gekomen;

3.3.

veroordeelt Wilco tot betaling van het aan [verzoeker] toekomende loon van € 2.213,51 bruto per maand, vanaf 7 oktober 2015 tot het rechtsgeldig einde van het dienstverband, te vermeerderen met de wettelijke verhoging over de op de uitspraakdatum opeisbare loontermijnen, voor zover deze verhoging op grond van artikel 7:625 BW verschuldigd is geraakt en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 december 2015;

3.4.

wijst het meer of anders verzochte af;

in de zaak van het (voorwaardelijk) tegenverzoek

3.5.

wijst de verzoeken van Wilco af;

in de zaak van het verzoek en van het tegenverzoek

3.6.

veroordeelt Wilco tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van [verzoeker] tot heden begroot op € 679,00.

Deze beschikking is gegeven door mr. L.C. Heuveling van Beek, kantonrechter, en is in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2016.