Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:4541

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
11-08-2016
Datum publicatie
12-09-2016
Zaaknummer
4667513
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

telefonische verkoop van een proefabonnement vitaminepillen. Vervolgzending buiten termi geannuleerd. Onbindingstermijn op grond van art. 6:230o lid 2 BW verlengd met 12 maanden. Vervolgpakket echter niet teruggestuurd. kosten vervolgzending verschuldigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TvC 2016, afl. 6, p. 302, m.nt. prof. mr. M.B.M. Loos
AR 2016/2630

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 4667513 UC EXPL 15-19260 SHD/1023

Vonnis van 17 augustus 2016

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Direct Pay Services B.V.,

gevestigd te Barendrecht,

als rechtsopvolger onder bijzondere titel van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Health and Beauty Cosmetics B.V., gevestigd te Noordwijk ,

verder ook te noemen DPS,

eisende partij,

gemachtigde: Webcasso B.V.,

tegen:

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [gedaagde] ,

gedaagde partij,

procederend in persoon.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding;

- de conclusie van antwoord;

- de conclusie van repliek.

1.2.

[gedaagde] heeft, hoewel daartoe behoorlijk in de gelegenheid gesteld, daarna niet voor dupliek geconcludeerd.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil

2.1.

DPS vordert betaling door [gedaagde] van € 137,03 (bestaande uit € 94,50 aan hoofdsom, € 2,53 aan rente tot 25 november 2015 en € 40,00 aan buitengerechtelijke incassokosten) met verdere rente en kosten. De vordering is gecedeerd aan DPS.

2.2.

DPS legt aan haar vordering het volgende ten grondslag. [gedaagde] is op 27 juni 2014 telefonisch akkoord gegaan met een proefabonnement vitaminepillen van Health and Beauty Cosmetics B.V. (hierna HBC ). Het proefpakket bestaat uit een zending met het product voor een periode van één maand. Dit proefpakket is aan [gedaagde] verzonden tegen een vergoeding van de verzendkosten van € 8,50. [gedaagde] had, indien zij geen vervolgzending wenst te ontvangen, het abonnement moeten opzeggen. De opzegtermijn is aan [gedaagde] medegedeeld tijdens het verkoopgesprek en schriftelijk aangezegd in de welkomstbrief bij het proefpakket. Op de achterzijde van de welkomstbrief staan de algemene voorwaarden van HBC vermeld. In deze algemene voorwaarden staat vermeld dat de overeenkomst binnen veertien dagen zonder opgaaf van redenen geannuleerd kan worden. [gedaagde] had dit vóór 25 juli 2014 moeten doen. [gedaagde] heeft de vervolgzending niet eerder dan op 5 augustus 2014 stopgezet, hetgeen buiten de annuleringstermijn is. HBC heeft dan ook een vervolgzending aan [gedaagde] gezonden, bestaande uit een pakket van 90 capsules voor een periode van drie maanden. Het pakket wordt ineens geleverd, maar er wordt maandelijks achteraf een bedrag in rekening gebracht en automatisch geïncasseerd (3x € 31,50). [gedaagde] heeft de vervolgzending behouden.

2.3.

[gedaagde] betwist dat zij met HBC een koopovereenkomst is aangegaan. Zij stelt alleen akkoord gegaan te zijn met de ontvangst van een proefpakket tegen betaling van (eenmalige) verzendkosten. Zij voert aan dat zij zich hiertoe uiteindelijk gedwongen voelde, vanwege de opdringerigheid van de medewerker van HBC tijden het telefonische verkoopgesprek. Volgens haar heeft zij tijdens dat gesprek duidelijk aangegeven dat zij niet was geïnteresseerd in de koop van het aangeboden product. [gedaagde] voert aan dat HBC in de gegeven omstandigheden niet had kunnen aannemen dat [gedaagde] zich wilde verbinden tot het aangaan van een proefabonnement.

Verder voert [gedaagde] aan dat zij op 5 augustus 2014 aan HBC heeft laten weten dat zij het aanbod van vervolgpakket niet wilde aanvaarden. Volgens haar heeft HBC haar toen gezegd dat er geen overeenkomst tot stand is gekomen. Zij stelt verder dat zij conform de voorschriften in de welkomstbrief van 29 juli 2014 hierover contact heeft gelegd. Ook stelt zij dat zij na ontvangst van aanmaningen steeds telefonisch contact heeft gelegd en dat zij steeds heeft verwezen naar het telefoongesprek van 5 augustus 2014.

Ten slotte stelt [gedaagde] dat de algemene voorwaarden niet van toepassing zijn, omdat de overeenkomst telefonisch tot stand is gekomen en HBC haar redelijkerwijs vooraf had kunnen verwijzen naar de van toepassing zijnde algemene voorwaarden.

3 De beoordeling

3.1.

De kantonrechter is van oordeel dat op grond van de door DPS overgelegde geluidsopname van (een deel) van het verkoopgesprek vastgesteld kan worden dat er tussen HBC en [gedaagde] een koopovereenkomst op afstand is gesloten. Uit de geluidsopname blijkt namelijk dat [gedaagde] gebruik maakt van de aanbieding van een proefpakket van HBC tegen betaling van de verzendkosten. Ook blijkt dat aan [gedaagde] is medegedeeld dat zij, indien zij geen vervolgpakket wenst te ontvangen, zij het abonnement zelf stop moet zetten. Verder blijkt uit het gesprek dat aan [gedaagde] is gevraagd of deze voorwaarde duidelijk is en dat [gedaagde] hierop bevestigend heeft geantwoord.

3.2.

[gedaagde] voert aan dat zij volgens de voorschriften van HBC afgezien heeft van het vervolgpakket. Volgens HBC heeft [gedaagde] echter pas na de annuleringstermijn de vervolgzendingen stopgezet.

Omdat het een koop op afstand betreft, was HBC onder meer gehouden om ingevolge artikel 6:230m lid 1 aanhef en onder h Burgerlijk Wetboek (hierna BW) aan [gedaagde] een modelformulier voor ontbinding te verstrekken. Hiervan is niet gebleken. Op grond van artikel 6:230o lid 2 BW is de ontbindingstermijn dan ook verlengd met twaalf maanden, nu niet is gesteld of gebleken dat zij de informatie met betrekking tot de ontbindingsmogelijkheid alsnog aan [gedaagde] heeft verstrekt. HBC heeft dan wel aangevoerd dat het gaat om producten met een houdbaarheidsdatum, maar voor zover zij heeft bedoeld dat dit tot gevolg heeft dat [gedaagde] ingevolge artikel 230p aanhef en onder f sub 2 BW geen recht van ontbinding had gaat de kantonrechter daaraan voorbij. HBC heeft immers geen concrete feiten met betrekking tot het verstrijken van die houdbaarheidsdatum gesteld. Dit betekent dat [gedaagde] op 5 augustus 2014 het recht had de overeenkomst te ontbinden. Op grond van artikel 230s lid 1 BW rustte op [gedaagde] in dat geval echter de verplichting de vervolgzending aan HBC terug te sturen. Zij heeft dit echter niet gedaan. Zij is daarom gehouden het geleverde te betalen. De hoofdsom zal dan ook worden toegewezen.

Gelet op het voorgaande is de vraag of de algemene voorwaarden op de overeenkomst van toepassing zijn niet (langer) relevant.

3.3.

DPS maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Daarop is het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing, omdat het verzuim na 1 juli 2012 is ingetreden.

De gevorderde vergoeding komt echter niet voor toewijzing in aanmerking, nu niet gebleken is dat in de aanmaning aan [gedaagde] een betalingstermijn van 14 dagen is gegeven ingaande de dag na ontvangst daarvan, zoals vereist in artikel 6:96 lid 6 BW. Gesteld noch gebleken is immers dat de aanmaning op de dag van dagtekening door [gedaagde] is ontvangen

3.4.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van DPS worden begroot op:

- dagvaarding € 79,47

- griffierecht € 117,00

- salaris gemachtigde € 60,00 (2 punten x tarief € 30,00)

Totaal € 256,47

4 Beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] om aan DPS tegen bewijs van kwijting te betalen € 97,03 met de wettelijke rente hierover vanaf 25 november 2015 tot de voldoening;

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van DPS, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 256,47, waarin begrepen € 60,00 aan salaris gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Krepel, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 17 augustus 2016.