Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:4522

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
03-08-2016
Datum publicatie
01-09-2016
Zaaknummer
C/16/417996 / KG ZA 16-485
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Opheffing beslag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/417996 / KG ZA 16-485

Vonnis in kort geding van 3 augustus 2016

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. B.J. Blindenbach,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AFAB GELDSERVICE BV,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mrs. M.J. Elkhuizen en R.F. Sneep.

Partijen zullen hierna [eiser] en AGS genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties (1 t/m 7),

  • -

    de op 18 juli 2016 toegezonden productie (8) van [eiser] ,

  • -

    de op 18 juli 2016 toegezonden producties (10 t/m 18) van AGS in aanvulling op producties 1 t/m 9 bij beslagrekest (productie 1 bij dagvaarding),

  • -

    de mondelinge behandeling op 19 juli 2016, waarvan aantekening is gehouden,

  • -

    de ter zitting overgelegde (beter leesbare) productie 11 van AGS,

  • -

    de pleitnota van AGS.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

AGS heeft met toestemming van de voorzieningenrechter ten laste van [eiser] conservatoir beslag doen leggen. Zij heeft tegen [eiser] een bodemprocedure bij de kantonrechter van deze rechtbank aanhangig gemaakt en vordert in die procedure onder meer de betaling van verbeurde boetes (van ruim 6 miljoen euro) op grond van geheimhoudingsverplichtingen uit de arbeidsovereenkomst tussen [eiser] en Zorgkrediet Financieringen B.V. (hierna ZKF), een rechtsvoorganger van AGS.

2.2.

Het geheimhoudingsbeding waar AGS zich op beroept is opgenomen in een arbeidsovereenkomst van 28 augustus 2006 voor bepaalde tijd (van 1 september 2006 tot 1 maart 2007) tussen [eiser] als werknemer en Zorgkrediet Financieringen als werkgever. Daarvoor was [eiser] in dienst bij O&B Finance Nederland B.V. (hierna: O&B), een zustermaatschappij van ZKF.

2.3.

Per 1 januari 2010 is ZKF gefuseerd met AGS, met AGS als verkrijgende vennootschap en ZKF als verdwijnende vennootschap. O&B is medio 2013 ontbonden en geliquideerd.

2.4.

AGS heeft zich in het verleden bezig gehouden met de bemiddeling van kredieten en verzekeringen. Gedurende zijn dienstverband met O&B dan wel ZKF bezocht [eiser] in de functie van adviseur buitendienst klanten aan huis met als doel een krediet en/of verzekering voor hen af te sluiten. Met ingang van 1 januari 2007 is [eiser] uit dienst getreden.

2.5.

[eiser] is thans bestuurder en directeur van de vennootschap [bedrijf] B.V. (hierna: [bedrijf] ). Via zijn vennootschap voert hij namens voormalige klanten van O&B/ZKF procedures tegen AGS. In de brief aan voormalige klanten bericht [eiser] hen dat AGS in het verleden over koopsomverzekeringen tot wel 90 procent provisies heeft ontvangen. In die brief biedt hij aan namens de voormalige klant een gerechtelijke procedure tegen AGS op te starten waarbij de kosten voor [bedrijf] zijn en bij een gunstige afloop/financiële compensatie, na aftrek van de kosten, een verdeling van 50%/50% tussen [bedrijf] en de voormalige klant zal plaatsvinden. Sinds juli 2014 zijn namens een groot aantal voormalige klanten van O&B/ZKF bij deze rechtbank procedures tegen AGS aanhangig gemaakt via (de vennootschap van) [eiser] .

2.6.

AGS verwijt [eiser] in de bodemprocedure dat hij op twee manieren zijn geheimhoudingsverplichting heeft geschonden. Ten eerste door het op grote schaal klanten te benaderen met gebruikmaking van klantgegevens, waaronder vertrouwelijk NAW(TE)-gegevens, die hij tijdens zijn dienstverband met ZKF gewaar is geworden en waar hij toegang toe had. Ten tweede door het openbaren van vertrouwelijke informatie (bezoekrapporten) via de website [naam website] .nl (voorheen [naam website] .nl) en in het televisieprogramma Kassa.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert in dit kort geding samengevat - de opheffing van de ten laste van hem gelegde beslagen, op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 per dag(deel), met veroordeling van AGS in de kosten van het geding. Hij voert aan dat de vorderingen van AGS in de bodemprocedure ondeugdelijk zijn en zullen worden afgewezen en wijst hij erop dat de gelegde beslagen hem onevenredig hard treffen.

3.2.

AGS voert gemotiveerd verweer en concludeert tot afwijzing van het gevorderde met veroordeling van [eiser] in de kosten van het geding.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover voor de beoordeling van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1.

Artikel 705 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) biedt de beslagschuldenaar, die in beginsel niet wordt gehoord en die tegen een verleend verlof geen rechtsmiddel kan aanwenden, de mogelijkheid in kort geding opheffing van het beslag te vorderen. Een spoedeisend belang daarbij wordt door de genoemde wetsbepaling niet vereist. In zoverre is zij een lex specialis ten opzichte van artikel 254 Rv.

4.2.

Volgens art. 705 lid 2 Rv dient het beslag te worden opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt. Dit brengt mee dat het in de eerste plaats op de weg ligt van degene die de opheffing vordert om met inachtneming van de beperkingen van de voorzieningenprocedure aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk of onnodig is (HR 14 juni 1996, NJ 1997/481). De kortgedingrechter zal evenwel hebben te beslissen aan de hand van een beoordeling van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd. De beoordeling kan niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen. In dit verband verdient opmerking dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat, zo een vooralsnog niet vaststaande vordering in de hoofdzaak wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering voor de door het beslag ontstane schade zal kunnen worden aangesproken (HR 14 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2105, herhaald in HR 13 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF5529).

Is [eiser] in dienst geweest van ZKF?

4.3.

[eiser] stelt allereerst dat hij niet in dienst van ZKF is geweest en jegens ZKF dus ook niet het geheimhoudingsbeding kan hebben overtreden.

4.4.

Voor het antwoord op de vraag of aannemelijk is dat de vordering van AGS (als rechtsopvolgster van ZKF) ondeugdelijk is omdat er geen rechtsbetrekking bestaat tussen partijen neemt de voorzieningenrechter het volgende in aanmerking.

4.5.

Vast staat dat [eiser] de arbeidsovereenkomst van 28 augustus 2006 met Zorgkrediet Financieringen heeft ondertekend. Daaraan voorafgaand had [eiser] drie arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd met O&B (toen een zustermaatschappij van ZKF). Niet in geschil is dat [eiser] zijn werkzaamheden vanaf 1 september 2006 feitelijk voor O&B bleef uitvoeren. Uit de stellingen van [eiser] volgt dat zijn werkgever met de arbeidsovereenkomst van 28 augustus 2006 de ketenregeling van artikel 7:668a van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft willen omzeilen. Ter zitting heeft [eiser] hierover toegelicht dat het toen voor hem ‘stikken of slikken’ was. Hij wilde graag werken en heeft daarom toen bewust ingestemd met de arbeidsovereenkomst van 28 augustus 2006.

4.6.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [eiser] onvoldoende concrete feiten en omstandigheden aangevoerd die tot de conclusie leiden dat in de gegeven omstandigheden door deze constructie heen moet worden gekeken en dat ZKF bij de laatste overeenkomst niet als zijn werkgever kan worden beschouwd en de vordering van AGS daarom ondeugdelijk is. Voor het antwoord op de vraag wie de werkgever is, is immers beslissend of partijen zich jegens elkaar hebben verbonden (zie o.a. HR 5 april 2002, JAR 2002/100). Hier is sprake van een schriftelijke door [eiser] en ZKF ondertekende arbeidsovereenkomst. Uit de stellingen van [eiser] volgt dat hij destijds bewust heeft gekozen om de arbeidsovereenkomst van 28 augustus 2006 aan te gaan. Verder blijkt uit de door AGS in het geding gebrachte salarisspecificaties genoegzaam dat ZKF en niet O&B uitvoering aan de arbeidsovereenkomst van 28 augustus 2006 heeft gegeven. Uit de salarisspecificatie van augustus 2006 volgt dat er die maand een eindafrekening van het vakantiegeld heeft plaatsgevonden. Als datum van uitdiensttreding is op de specificatie vermeld 31 augustus 2006. Op de salarisspecificatie van september 2006 is als werkgever Zorgkrediet Financieringen vermeld met als datum van indiensttreding 1 september 2006. Het feit dat [eiser] de werkzaamheden vanaf 1 september 2006 feitelijk voor O&B bleef verrichten, zou mogelijk als gevolg kunnen hebben dat ZKF als opvolgend werkgever als bedoeld in artikel 7:668a lid 2 BW moet worden beschouwd, en dat op die grond sprake is van een overeenkomst voor onbepaalde tijd tussen hem en ZKF, maar dit maakt op zich nog niet dat hij bij O&B in dienst is gebleven en niet bij ZKF in dienst is getreden. De partij met wie de arbeidsovereenkomst is gesloten is immers in beginsel de werkgever. Dit is niet anders als de werkgever deel uitmaakt van een concern (HR 1 december 2000, JAR 2001/12). Ook overigens heeft [eiser] niet onderbouwd gesteld dat het werkgeversgezag niet door ZKF maar door O&B werd uitgeoefend. Voor zover [eiser] zich in de bodemprocedure op het standpunt heeft gesteld dat de arbeidsovereenkomst van 28 augustus 2006 op naam van Zorgkrediet Financieringen zonder de toevoeging B.V. betekent dat de overeenkomst met O&B is aangegaan nu de zij dit als handelsnaam gebruikte, heeft hij aan deze stelling in kort geding geen consequenties verbonden en daar geen concrete feiten en omstandigheden voor aangevoerd, zodat de voorzieningenrechter hieraan voorbij zal gaan.

4.7.

Tegen de achtergrond van het voorgaande in onderlinge samenhang bezien, heeft [eiser] naar het oordeel van de voorzieningenrechter vooralsnog onvoldoende aannemelijk gemaakt dat een bodemrechter tot het oordeel zal komen dat hij zijn werkzaamheden vanaf 1 september 2016 niet in dienst van ZKF heeft verricht en dat de vordering waarvoor AGS beslag heeft laten leggen daarom ondeugdelijk is. De voorzieningenrechter acht het op basis van de thans beschikbare gegevens niet uitgesloten dat de bodemrechter tot het oordeel zal komen dat tussen [eiser] en ZKF een rechtsbetrekking heeft bestaan waarbij [eiser] zich jegens ZKF heeft verbonden zich aan het betreffende geheimhoudingsbeding te zullen houden.

Heeft [eiser] het geheimhoudingsbeding overtreden?

4.8.

Daarmee ligt de vraag voor of [eiser] met zijn handelwijze de bepalingen uit het geheimhoudingsbeding heeft overtreden. Partijen verschillen van mening over de uitleg en reikwijdte van de bepalingen in het beding.

4.9.

Volgens vaste rechtspraak geldt dat bij beantwoording van de vraag hoe in een schriftelijke overeenkomst de verhouding tussen partijen is geregeld, het aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen van de overeenkomst mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (Haviltex). Uit DSM/ [achternaam] (HR 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1427) volgt dat bij de uitleg van – in dit geval – het geheimhoudingsbeding telkens van beslissende betekenis zijn alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen, alsmede dat in praktisch opzicht vaak van groot belang is de taalkundige betekenis van de bewoordingen van het geschrift, gelezen in de context ervan als geheel, die deze in (de desbetreffende kring van) het maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben.

4.10.

In de arbeidsovereenkomst van 28 augustus 2006 is onder artikel 12 met de titel ‘Geheimhouding’ het volgende opgenomen:

‘De werknemer is tegenover werkgever verplicht:
a. de aangenomen werkzaamheden naar beste kunnen en eer en geweten te verrichten, waaronder tevens begrepen het zorgdragen voor een correcte houding jegens de bedrijven die door werknemer worden benaderd;
b. geheimhouding te bewaren omtrent al hetgeen hem/haar bij beroepsuitoefening gewaar wordt en waarvan hij/zij redelijkerwijze kan en moet vermoeden, dat bekendmaking daarvan Zorgkrediet de klanten van Zorgkrediet schade kan toebrengen;
c. voor het verrichten en uitvoeren van de werkzaamheden, de documenten, foto’s, afbeeldingen, vragenlijsten, correspondentie of kopieën daarvan, alsmede computer software, die hij/zij in verband met zijn/haar werkzaamheden bij Zorgkrediet onder zich/toegang toe heeft, nooit of te nimmer te verveelvoudigen of informatie mee neemt naar derden toe.
d. De overtreding van de in dit artikel genoemde verboden, verbeurt werknemer een direct opeisbare boete van € 5.000,- ineens, alsmede van € 1.000,- voor iedere dag, dan wel dagdeel dat deze overtreding voortduurt.’

4.11.

Volgens [eiser] strekt de geheimhouding zich slechts uit tot gegevens welke hem ter kennis zijn gekomen in de periode dat hij werkzaam was bij O&B dan wel ZKF. Volgens AGS is het moment van toe-eigening niet van doorslaggevende betekenis.

4.12.

Voor de beperkte uitleg van [eiser] dat de gegevens tijdens het dienstverband moeten zijn toegeëigend, ziet de voorzieningenrechter voorshands onvoldoende aanknopingspunten. Het geheimhoudingsbeding strekt zich immers ook uit tot na einde dienstverband en in de tekst is over het moment van toe-eigenen niets opgenomen en de tekst biedt verder geen aanwijzing voor een beperkte uitleg op dit punt. De voorzieningenrechter sluit daarom niet uit dat het beding ook op gegevens betrekking kan hebben die na einde dienstverband zijn verkregen. Wel dient het naar het oordeel van de voorzieningenrechter te gaan om gegevens die tijdens het dienstverband beschikbaar waren. Nu AGS onbetwist heeft aangevoerd dat de vordering waarvoor zij beslag heeft gelegd alleen gegevens betreft die voor [eiser] tijdens zijn dienstverband beschikbaar waren, dat wil zeggen tot 1 januari 2007, is aan dit vereiste voldaan. Dat klantgegevens sowieso geen gegevens zijn als bedoeld in het beding, zoals [eiser] betoogt, daarvoor ziet de voorzieningenrechter geen aanwijzingen. Dat onder sub c van de NAW(TE) gegevens niet specifiek genoemd is, leidt in elk geval nog niet tot die conclusie. De stelling van [eiser] dat het aanschrijven van klanten geen bekendmaking van gegevens is zoals bedoeld in het beding, volgt de voorzieningenrechter evenmin. Met de aanschrijving wordt in elk geval aan de voormalige klant bekend gemaakt dat zijn gegevens in handen van derden (van een ex-werknemer dan wel zijn vennootschap) zijn gekomen. De voorzieningenrechter volgt [eiser] evenmin in zijn standpunt dat de bezoekrapporten niet onder het geheimhoudingsbeding kunnen vallen omdat AGS zich op het standpunt stelt dat deze zijn vervalst en het daarom geen gegevens kunnen zijn die [eiser] in het kader van de uitoefening van zijn werkzaamheden heeft verkregen. Immers ook als ervan uitgegaan wordt dat de bezoekrapporten zijn vervalst, dan ligt de oorsprong van deze gegevens nog wel in gegevens van AGS die zij met het beding probeert te beschermen.

4.13.

Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is gelet op de tekst en strekking van het beding voldoende aannemelijk dat klantgegevens en bezoekrapporten onder de bepalingen van het beding vallen.

4.14.

Daarmee ligt de vraag voor of [eiser] mogelijk in strijd met het beding heeft gehandeld.

4.15.

In de dagvaarding voert [eiser] aan dat het veel meer voor de hand ligt dat hij op andere wijze dan uit hoofde van zijn dienstverband alle gebruikte gegevens heeft verkregen. Hij stelt, onder overlegging van verklaringen van andere (ex-)medewerkers, dat adviseurs/bemiddelaars geen rechtstreekse toegang tot klantgegevens hadden en uitsluitend klantgegevens konden importeren en exporteren. Ter zitting heeft [eiser] toegelicht dat hij over 10.000 klantgegevens beschikt en dat hij niet per klant kan aangeven op welke wijze hij deze gegevens heeft verkregen. AGS heeft ter zitting toegelicht dat adviseurs konden importeren en exporteren (via een zogenoemde blob) maar dat zij daarnaast ook toegang hadden tot het systeem. Wie het gelijk op dit punt dan ook aan zijn zijde heeft, niet in geschil is dat [eiser] over grote hoeveelheden klantgegevens beschikt, waaronder klantgegevens van AGS. Vast staat verder dat [eiser] voormalige klanten van AGS heeft aangeschreven. Gelet op deze omstandigheden en nu [eiser] over de door hem verkregen gegevens geen concrete alternatieve verklaringen heeft gegeven, sluit de voorzieningenrechter niet uit dat in de bodemprocedure, na eventuele bewijslevering, zal komen vast te staan dat [eiser] na zijn dienstverband de gegevens heeft gebruikt die hij bij zijn beroepsuitoefening gewaar werd (sub b) of waar hij in verband met zijn werkzaamheden toegang toe had (sub c) en dat hij daarmee de bepalingen van artikel 12 sub b en/of sub c heeft overtreden.

4.16.

Tegen deze achtergrond is [eiser] er naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet in geslaagd voldoende aannemelijk te maken dat de bodemrechter tot het oordeel zal komen dat er geen schending van het geheimhoudingsbeding heeft plaatsgevonden en dat de vordering waarvoor AGS beslag heeft laten leggen daarom ondeugdelijk is.

4.17.

Ter zitting is de bestemming van de boete in het beding nog aan de orde gekomen.

Zoals onder volgt uit het arrest van het Gerechtshof Leeuwarden van 26 mei 2009 (ECLI:NL:GHLEE:2009:BI9100), valt een geheimhoudingsbeding in beginsel onder artikel 7:650 BW. In lid 3 van dat artikel is bepaald dat de bestemming van de boete dient te worden vermeld. Afwijking daarvan is nietig (lid 6) maar mogelijk gemaakt voor werknemers met een loon boven het wettelijk minimumloon. [eiser] heeft toegelicht dat zijn loon boven dat minimum lag. AGS heeft ter zitting onweersproken gesteld dat afwijking kennelijk de bedoeling was. De voorzieningenrechter gaat er daarom van uit dat partijen hebben willen afwijken van de hoofdregel van artikel 7:650 BW en dat deze bepaling niet aan de vordering in de bodemprocedure in de weg staat.

4.18.

Ter zitting hebben partijen toegelicht dat de beslagen slechts beperkt doel hebben getroffen en dat op dat moment een bedrag van ongeveer € 10.500,00 aan banktegoeden was beslagen. [eiser] heeft ter zitting aangevoerd dat het beslag puur pesterij is en zinloos. AGS stelt dat zij, ook al heeft het beslag nauwelijks doel getroffen, nog steeds belang heeft bij handhaving van het beslag.

4.19.

De voorzieningenrechter ziet in de afweging van de wederzijdse belangen van partijen geen aanleiding om tot opheffing van de gelegde beslagen over te gaan. [eiser] heeft weliswaar gesteld dat de beslagen al zijn financiële middelen hebben getroffen waardoor hij niet meer in zijn levensonderhoud kan voorzien en zijn lopende verplichtingen jegens derden niet kan nakomen, maar hij heeft zijn stellingen op dit punt niet althans nauwelijks onderbouwd. In de gegeven omstandigheden dient het belang van AGS bij handhaving van het beslag naar het oordeel van de voorzieningenrechter zwaarder te wegen dan het belang van [eiser] bij opheffing daarvan.

4.20.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de gevorderde opheffing van de gelegde beslagen en de daaraan verbonden nevenvorderingen, zullen worden afgewezen.

4.21.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van AGS worden begroot op:

- griffierecht € 619,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.435,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van AGS tot op heden begroot op € 1.435,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Krepel en in het openbaar uitgesproken op 3 augustus 2016.1

1 type: PvT coll: PK