Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:4487

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
20-07-2016
Datum publicatie
12-08-2016
Zaaknummer
5034363 AE VERZ 16-50
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WWZ-zaak - verzoek tot loondoorbetaling - beroep op dwaling afgewezen - geschil over duur arbeidsovereenkomst (6 of 7 maanden) - geschil over wel/geen proeftijdontslag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/2379
AR-Updates.nl 2016-0903
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Amersfoort

zaaknummer: 5034363 AE VERZ 16-50 GLK/1126

Beschikking van 20 juli 2016

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [verzoeker] ,

verzoekende partij,

gemachtigde: mr. J.E. van der Wolf,

tegen:

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [verweerder] ,

verwerende partij,

procederend in persoon.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift, ingekomen op 26 april 2016, houdende een incidenteel verzoek

tot het treffen van voorlopige voorzieningen ex artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, tevens houdende verzoeken in de hoofdzaak;

- de aantekeningen van de mondelinge behandeling van 28 juni 2016.

1.2.

Ter zitting heeft [verzoeker] het incidentele verzoek ingetrokken.

1.3.

Hierna is uitspraak bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 8 februari 2016 is [verzoeker] op basis van een mondelinge arbeidsovereenkomst
voor bepaalde tijd in dienst getreden bij [verweerder] in de functie van kantoorleider voor 40 uur per week tegen een salaris van € 4.200,- bruto per maand.

2.2.

Vervolgens heeft [verweerder] een concept-arbeidsovereenkomst op schrift gesteld waarin een proeftijdbeding is opgenomen en een duur van de overeenkomst van zeven maanden.

2.3.

Eind februari 2006 heeft [verweerder] aan [verzoeker] een bedrag van € 2.500,- netto betaald als voorschot op zijn salaris.

3 Het geschil

3.1.

[verzoeker] verzoekt om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [verweerder] te veroordelen tot:

primair – voor zover de arbeidsovereenkomst nog voortduurt – :
I. doorbetaling van het salaris ter hoogte van € 4.200,- bruto per maand, vermeerderd

met alle emolumenten, waaronder vakantietoeslag, vanaf 8 februari 2016, onder aftrek van het betaalde bedrag van € 2.500,- netto, tot de dag dat de dienstbetrekking rechtsgeldig zal zijn geëindigd;

II. verstrekking van de salarisspecificaties vanaf 8 februari 2016, waarin de betalingen als bedoeld onder I zijn verwerkt, op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag, met een maximum van € 10.000,-, voor elke dag na twee dagen na de datum van de beschikking dat [verweerder] niet voldoet aan de beschikking;

III. betaling van de wettelijke verhoging van 50% ex artikel 7:625 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) over het aan hem toekomende loon, wegens vertraging van de loonbetaling;

IV. betaling van de buitengerechtelijke incassokosten conform de staffel WIK;

V. betaling van de wettelijke rente over de hierboven genoemde punten onder I, II, III en IV vanaf het opeisbaar worden van die bedragen tot de dag van de voldoening;

subsidiair – voor zover de arbeidsovereenkomst door opzegging zou zijn beëindigd – :

betaling van een vergoeding aan hem op grond van artikel 7:677, lid 4, BW ter hoogte van

€ 31.752,- bruto, op het netto equivalent waarvan het betaalde voorschot van € 2.500,- netto

in mindering komt;

met veroordeling van [verweerder] in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente

vanaf veertien dagen na de datum van de in deze te wijzen beschikking.

3.2.

[verzoeker] legt aan zijn verzoek ten grondslag dat partijen een arbeidsovereenkomst voor de duur van zes maanden zijn overeengekomen. Hij stelt dat de overeenkomst nog steeds voortduurt, zodat [verweerder] gehouden is om loon aan hem te betalen. Op grond van artikel 7:652, lid 4, BW kan er bij een arbeidsovereenkomst met een duur van zes maanden geen proeftijd overeengekomen worden. Van een proeftijdontslag kan dan ook geen sprake zijn. Bovendien, zo stelt [verzoeker] , is van een ontslag op 3 maart 2016 sowieso geen sprake. Na die datum heeft hij immers nog contact gehad met [verweerder] over zijn werkzaamheden en heeft hij deze werkzaamheden ook gecontinueerd. Hij wijst in dit verband op de
WhatsApp-correspondentie die er na 3 maart 2016 tussen partijen heeft plaatsgevonden.

3.3.

[verweerder] betwist de vordering van [verzoeker] . Partijen zijn mondeling een arbeidsovereenkomst voor de duur van zeven maanden overeengekomen met een proeftijd van een maand. Hij heeft [verzoeker] op 3 maart 2016 tijdens de proeftijd ontslagen nadat hij van [verzoeker] had vernomen dat hij in het verleden strafrechtelijk was veroordeeld en dat hij als gevolg daarvan enige tijd in Monaco in de gevangenis had gezeten. De WhatsApp-correspondentie die er na 3 maart 2016 nog tussen partijen heeft plaatsgevonden, had volgens [verweerder] geen betrekking op de werkzaamheden die uit de arbeidsovereenkomst voortvloeien, maar op een privéaangelegenheid van [verzoeker] . [verzoeker] had als privépersoon namelijk interesse in de overname van de voorraad van de online winkel Deals4Sale. De WhatsApp-berichten na 3 maart 2016 gaan over deze eventuele overname, aldus [verweerder] .

Voorts betoogt [verweerder] dat hij heeft gedwaald bij het sluiten van de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] , omdat hij als hij had geweten van de strafrechtelijke veroordeling en detentie van [verzoeker] de arbeidsovereenkomst met hem niet had gesloten. Hij heeft de arbeidsovereenkomst daarom op 17 maart 2016 in een gesprek met [verzoeker] buitengerechtelijk vernietigd. [verweerder] betwist dan ook dat [verzoeker] nog recht heeft op loon.

4 De beoordeling

Dwaling

4.1.

Gelet op de jurisprudentie is buitengerechtelijke vernietiging van de arbeidsovereenkomst alleen mogelijk als de arbeidsovereenkomst geheel nutteloos blijkt na ontdekking van de dwaling en indien door vernietiging geen opzegverboden omzeild worden. In dit geval is echter geen sprake van een situatie waarbij de arbeidsovereenkomst na ontdekking van de dwaling geheel nutteloos is. In dit geval was een buitengerechtelijke vernietiging van de arbeidsovereenkomst dan ook niet mogelijk. Voor zover [verweerder] in deze procedure een beroep doet op dwaling, is de kantonrechter van oordeel dat hij in zoverre onvoldoende heeft gesteld, zodat dit beroep niet opgaat.

Duur arbeidsovereenkomst

4.2.

Tussen partijen is in geschil of zij een arbeidsovereenkomst voor de duur van zes maanden of voor de duur van zeven maanden zijn aangegaan. Dit verschil is relevant voor de vraag of het mogelijk is om een proeftijd overeen te komen. Artikel 7:652, lid 4, BW bepaalt immers dat er geen proeftijd overeengekomen kan worden indien de arbeidsovereenkomst is aangegaan voor ten hoogste zes maanden. Lid 5, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat bij een arbeidsovereenkomst van langer dan zes maanden en korter dan twee jaren een proeftijd van ten hoogste een maand kan worden overeengekomen.

4.3.

Gebleken is dat in de concept-arbeidsovereenkomst een duur van de overeenkomst van zeven maanden is opgenomen en dat [verzoeker] dit concept op 19 februari 2016 dan wel op 26 februari 2016 heeft ontvangen. [verzoeker] heeft na ontvangst van dit concept geen bezwaar gemaakt tegen deze duur van zeven maanden. Gebleken is dat [verzoeker] pas nadat hij op 30 maart 2016 contact had gezocht met zijn advocaat naar aanleiding van het staken van de loonbetaling door [verweerder] , de duur van zeven maanden heeft betwist. De kantonrechter is van oordeel dat [verweerder] er gezien het voorgaande gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de inhoud van de concept-arbeidsovereenkomst de weergave was van datgene wat partijen waren overeengekomen en dat er dus sprake was van een arbeidsovereenkomst voor de duur van zeven maanden met een proeftijd van een maand. [verzoeker] is immers op basis van een mondelinge arbeidsovereenkomst gestart met zijn werkzaamheden en heeft gedurende een periode van ruim een maand nadat hij de concept-arbeidsovereenkomst had ontvangen, geen bezwaar gemaakt tegen de in de concept-overeenkomst opgenomen duur van zeven maanden. Daarbij komt dat hij ter zitting heeft verklaard dat hij de concept-overeenkomst, ondanks dat hij deze niet had geretourneerd aan [verweerder] , wel heeft ondertekend voordat hij zich had gewend tot zijn advocaat. Tevens neemt de kantonrechter hierbij in aanmerking dat [verzoeker] heeft gesteld dat er bij het aangaan van de mondelinge arbeidsovereenkomst niet is gesproken over de duur van de overeenkomst, zodat hij op basis daarvan niet kon uitgaan van een dienstverband van zes maanden. Gezien het voorgaande gaat de kantonrechter ervan uit dat de arbeidsovereenkomst is aangegaan voor de duur van zeven maanden met een proeftijd van een maand.

Ontslag

4.4.

Tussen partijen staat vast dat zij op 1 maart 2016 met elkaar hebben gesproken over de strafrechtelijke veroordeling van [verzoeker] in het verleden. Zij verschillen echter van mening over hetgeen er op 3 maart 2016 is gebeurd. [verweerder] betoogt dat hij [verzoeker] op die dag heeft ontslagen en dat [verzoeker] toen heeft laten weten dat hij dit begreep. [verzoeker] ontkent dat [verweerder] hem op 3 maart 2016 heeft ontslagen.

4.5.

De kantonrechter is van oordeel dat [verzoeker] zijn stelling dat de arbeidsovereenkomst na 3 maart 2016 nog doorloopt, in het licht van de betwisting door [verweerder] , onvoldoende heeft onderbouwd. Gelet op de stellingen van partijen acht de kantonrechter aannemelijk dat [verweerder] [verzoeker] op 3 maart 2016 heeft ontslagen en dat de WhatsApp-correspondentie die na 3 maart 2016 tussen partijen heeft plaatsgevonden te maken had met een privéaangelegenheid van [verzoeker] en niet zag op de werkzaamheden vanuit zijn arbeidsovereenkomst. Uit de e-mail die [verzoeker] op 5 april 2016 naar een relatie van [verweerder] heeft gestuurd – met als inhoud onder meer: “Aangezien ik geen zakenrelatie meer heb met [verweerder] , ktr)” – leidt de kantonrechter eveneens af dat [verweerder] [verzoeker] inderdaad heeft ontslagen en dat dit voor [verzoeker] ook duidelijk was. Het betoog van [verzoeker] ter zitting dat hij met deze e-mail bedoelde dat hij geen zakenrelatie meer had met [verweerder] , maar nog wel een arbeidsovereenkomst, acht de kantonrechter niet geloofwaardig. Daarnaast is ter zitting gebleken dat [verzoeker] de sleutels van het kantoor heeft ingeleverd op 16 maart 2016. De verklaring van [verzoeker] dat hij dacht dat iemand anders de sleutels nodig had en dat hij de sleutels daarom moest inleveren, acht de kantonrechter niet aannemelijk. Het inleveren van de sleutels vormt een bevestiging van het gegeven ontslag. De kantonrechter houdt het er daarom voor dat [verweerder] [verzoeker] op 3 maart 2016 en dus binnen de proeftijd heeft ontslagen.

4.6.

Tot die datum is [verweerder] verplicht om het salaris door te betalen aan [verzoeker] . De gevorderde loondoorbetaling zal in zoverre dan ook worden toegewezen. De gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf het moment dat [verweerder] met de loonbetaling in verzuim is.

Wettelijke verhoging

4.7.

Het verzoek inzake de wettelijke verhoging van 50% zal eveneens worden toegewezen, evenals de wettelijke rente daarover.
Salarisspecificaties

4.8.

Het verzoek betreffende de salarisspecificaties zal op na te melden wijze worden toegewezen. De gevorderde dwangsom zal worden afgewezen, omdat [verweerder] ter zitting heeft toegezegd dat hij deze zal verstrekken aan [verzoeker] . Gelet hierop zal ook de gevorderde wettelijke rente over de dwangsom worden afgewezen.

Buitengerechtelijke incassokosten

4.9.

[verzoeker] vordert buitengerechtelijke incassokosten conform de wettelijke staffel WIK. Op grond van het bepaalde in artikel 6:96 lid 6 BW kunnen buitengerechtelijke incassokosten slechts in rekening worden gebracht indien de schuldeiser de schuldenaar vruchteloos heeft aangemaand tot betaling binnen een termijn van veertien dagen, aanvangende de dag na aanmaning. De kantonrechter stelt vast dat de door [verzoeker] verzonden aanmaning van 12 april 2016 niet aan dit criterium voldoet. In de door [verzoeker] verzonden aanmaning wordt een betalingstermijn gesteld van vijf dagen ‘na dagtekening dezes’, hetgeen niet met bovengenoemde wetsbepaling in overeenstemming is. Dit betekent dat de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten niet voor toewijzing in aanmerking komen. Gelet hierop zal ook de gevorderde wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen.

Subsidiaire verzoek

4.10.

De kantonrechter zal het subsidiaire verzoek om [verweerder] te veroordelen om aan [verzoeker] een vergoeding op grond van artikel 7:677, lid 4, BW te betalen afwijzen, reeds omdat een dergelijke vergoeding betrekking heeft op een situatie waarin sprake is van een ontslag op staande voet en hiervan in dit geval geen sprake is.
Proceskosten

4.11.

[verzoeker] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld, aan de zijde van [verweerder] begroot op nihil.

5
5. De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

veroordeelt [verweerder] om over de periode van 8 februari 2016 tot 3 maart 2016 het salaris te betalen ter hoogte van € 4.200,- bruto per maand, vermeerderd met alle emolumenten, waaronder vakantietoeslag, onder aftrek van het betaalde bedrag van € 2.500,- netto, te vermeerderen met de wettelijke verhoging over het achterstallige salaris ter hoogte van 50%, alsmede de wettelijke rente over het achterstallige salaris en de wettelijke verhoging vanaf het opeisbaar worden van die bedragen tot de dag van voldoening;

5.2.

veroordeelt [verweerder] om over de periode van 8 februari 2016 tot 3 maart 2016 salarisspecificaties te verstrekken aan [verzoeker] ;
5.3. veroordeelt [verzoeker] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [verweerder] , tot de datum van deze beschikking begroot op nihil;

5.4.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst het meer of anders verzochte af.


Deze beschikking is gegeven door mr. G.J. van Binsbergen, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 20 juli 2016.