Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:4368

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
01-08-2016
Datum publicatie
01-08-2016
Zaaknummer
16/661873-15 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 41-jarige man uit Utrecht is veroordeeld voor zes aanrandingen in 2015 in Utrecht. Hij achtervolgde de slachtoffers ‘s avonds laat op de fiets waarna hij hen, vaak na aankomst bij hun woning, betastte. De rechtbank veroordeelt de man tot 2 jaar gevangenisstraf en tbs met dwangverpleging.

Zedendelicten

De man is twee keer eerder veroordeeld voor zedendelicten gepleegd in 1998 en 1999. In 2000 concludeerden gedragsdeskundigen van het Pieter Baan Centrum dat er toen sprake was van een persoonlijkheidsstoornis bij de man. Ondanks dat de man in zijn huidige strafzaak weigerde mee te werken aan een onderzoek komt de rechtbank tot de conclusie dat hij ook ten tijde van het plegen van de feiten in 2015 nog leed aan een persoonlijkheidsstoornis. De rechtbank baseert haar conclusie mede op rapportages van deskundigen uit het verleden en de overeenkomsten tussen de oude feiten en de feiten in 2015.

Gelijkenissen

Net als bij het delict waarvoor de man in 2000 is veroordeeld was er sprake van een gebrek aan stabiliteit in zijn leven. Vlak voor deze feiten had hij zijn baan verloren, was hij gefrustreerd, ging meer drinken en kon geen relatie krijgen. De overeenkomsten zijn treffend. Dat geldt ook voor de manier waarop hij de delicten pleegde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/661873-15 (P)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 1 augustus 2016

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1975] ,

gedetineerd in Penitentiaire Inrichting “Grave” te Grave.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 18 juli 2016.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. T.C. Heijmerink, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: op 7 december 2015 in Utrecht [aangeefster 1] heeft aangerand;

feit 2: op 6 december 2015 in Utrecht [aangeefster 2] heeft verkracht (primair), heeft geprobeerd te verkrachten (subsidiair), dan wel deze [aangeefster 2] heeft aangerand (meer subsidiair);

feit 3: op 7 oktober 2015 in Utrecht [aangeefster 3] heeft aangerand (primair), dan wel heeft geprobeerd aan te randen (subsidiair);

feit 4: op 11 november 2015 te Utrecht [aangeefster 4] heeft aangerand;

feit 5: op 24 oktober 2015 te Utrecht [aangeefster 5] heeft aangerand;

feit 6: op 26 oktober 2015 te Utrecht [aangeefster 6] heeft aangerand.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd de onder 1, 2 meer subsidiair, 3 primair, 4, 5 en 6 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen te verklaren.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit voor feit 2 primair (verkrachting), feit 2 subsidiair (poging tot verkrachting) en feit 3 primair (aanranding).

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Vrijspraak voor feit 2 primair en subsidiair

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsvrouw van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte aangeefster [aangeefster 2] heeft verkracht, dan wel heeft geprobeerd om haar te verkrachten. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van feit 2 primair en feit 2 subsidiair.

Het bewijs voor de feiten 1, 2 meer subsidiair, 4, 5 en 61

Omdat verdachte de onder 1, 2 meer subsidiair, 4, 5 en 6 ten laste gelegde feiten heeft bekend en de raadsvrouw voor deze feiten geen vrijspraak heeft bepleit, volstaat de rechtbank met een opsomming van de bewijsmiddelen.

Feit 1:

- het proces-verbaal van aangifte, gedaan door [aangeefster 1] , van 7 december 2015;2

- het proces-verbaal van verhoor verdachte van 7 december 2015;3

- het proces-verbaal van verhoor verdachte van 8 december 2015;4

- de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 18 juli 2016.

Feit 2 meer subsidiair:

- het proces-verbaal van verhoor van getuige [aangeefster 2] door de rechter-commissaris van 9 februari 2016;

- het proces-verbaal van verhoor verdachte van 8 december 2015;5

- de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 18 juli 2016.

Feit 4:

- het proces-verbaal van aangifte, gedaan door [aangeefster 4] , van 9 december 2015;6

- het proces-verbaal van verhoor verdachte van 9 december 2015;7

- de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 18 juli 2016.

Feit 5:

- het proces-verbaal van aangifte, gedaan door [aangeefster 5] , van 17 november 2015;8

- het proces-verbaal van verhoor verdachte van 8 december 2015;9

- de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 18 juli 2016.

Feit 6:

- het proces-verbaal van aangifte, gedaan door [aangeefster 6] , van 29 oktober 2015;10

- het proces-verbaal van verhoor verdachte van 8 december 2015;11

- de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 18 juli 2016.

Het bewijs voor feit 3 primair

De rechtbank acht op grond van de volgende bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 3 primair ten laste gelegde feit heeft begaan.

Op 7 oktober 2015 doet [aangeefster 3] (hierna: [aangeefster 3] ) aangifte bij de politie. [aangeefster 3] verklaart dat zij op 7 oktober 2015 in Utrecht fietste en merkte dat er een man achter haar fietste. Ze zag dat de man dichterbij kwam, vervolgens naast haar kwam fietsen en zijn stuur naar rechts gooide, zodat hij met zijn wiel tussen de wielen van haar fiets in kwam. Hierdoor kwam [aangeefster 3] ten val.12 [aangeefster 3] zag dat de man naar haar toe kroop en haar bij haar middel pakte. Ze voelde dat hij met zijn hand richting haar schaamstreek ging en dat hij haar tegen zich aan drukte. [aangeefster 3] hoorde hem in de Engelse taal zeggen: “Kom dichterbij en ik geef je alles wat je nodig hebt”.13

[aangeefster 3] verklaart in een aanvullend verhoor dat de man met zijn hand over haar bovenbeen tussen haar bovenbenen in ging. [aangeefster 3] hoorde hem zeggen: “Als jij geeft wat ik nodig heb, dan geef ik alles wat jij nodig hebt”.14

Verdachte verklaart bij de politie dat hij, voor hij op 15 oktober 2015 naar Oekraïne ging, een vrouw zag fietsen in Utrecht. Verdachte is vervolgens achter haar aangefietst omdat hij haar wilde betasten.15 Verdachte verklaart dat hij de vrouw heeft vastgepakt om naar haar kruis te grijpen en dat zij allebei zijn gevallen. Op enig moment riep de vrouw: “let me go, let me go”. Verdachte verklaart dat hij haar daarvoor aan haar kruis heeft gegrepen.16

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.3 genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

1.

op 07 december 2015 te Utrecht door geweld en een andere feitelijkheid [aangeefster 1] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, immers heeft hij

- die [aangeefster 1] op de fiets gevolgd naar haar huis en

vervolgens, onverhoeds

- die [aangeefster 1] van achteren vastgepakt en vastgehouden en

- met zijn hand over de kleding de borst van die [aangeefster 1] betast en

- met zijn hand over de kleding het kruis en de buik en de benen van die [aangeefster 1] betast;

2.

Meer subsidiair

op 06 december 2015 te Utrecht door geweld en een andere feitelijkheid [aangeefster 2] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, immers heeft hij

- die [aangeefster 2] op de fiets gevolgd naar haar huis en

vervolgens, onverhoeds

- die [aangeefster 2] van achteren stevig heeft vastgepakt en stevig vastgehouden en

- met zijn handen over de kleding de borsten van die [aangeefster 2] betast en

- zijn hand in de broek en onderbroek van die [aangeefster 2] gebracht;

3.

Primair

op 07 oktober 2015 te Utrecht door geweld en een andere feitelijkheid [aangeefster 3] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, immers heeft hij

- die [aangeefster 3] op de fiets gevolgd en

vervolgens, onverhoeds

- die [aangeefster 3] met de fiets ten val gebracht door met zijn, verdachtes, fiets tegen haar fiets aan te rijden en

- vervolgens die [aangeefster 3] bij haar middel gepakt en zich tegen haar aan gedrukt en

- vervolgens met zijn handen over haar kleding over en tussen de bovenbenen en over de schaamstreek aangeraakt en

- gezegd dat hij alles zou geven wat ze nodig had, als zij dichterbij zou komen of dat als zij zou geven wat hij nodig had, hij zou geven wat zij nodig had;

4.

op 11 november 2015 te Utrecht door een andere feitelijkheid [aangeefster 4] heeft gedwongen tot het

dulden van een ontuchtige handeling, immers heeft/is hij

- die [aangeefster 4] op de fiets gevolgd naar haar huis en

vervolgens, onverhoeds

- naast die [aangeefster 4] gaan fietsen en

- met zijn hand over de kleding het kruis van die [aangeefster 4] gegrepen en betast;

5.

op 24 oktober 2015 te Utrecht door geweld en een andere feitelijkheid [aangeefster 5] heeft gedwongen tot het dulden van een of meer ontuchtige handelingen, immers heeft hij

- die [aangeefster 5] op de fiets gevolgd naar haar huis en

vervolgens, onverhoeds

- die [aangeefster 5] van achteren vastgepakt en vastgehouden (met beide armen om haar lichaam) en

- met zijn hand over de kleding de borst van die [aangeefster 5] gegrepen en

- met zijn hand over de kleding het kruis van die [aangeefster 5] gegrepen;

6.

op 26 oktober 2015 te Utrecht door geweld en een andere feitelijkheid [aangeefster 6] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, immers heeft hij

- die [aangeefster 6] op de fiets gevolgd naar haar huis en

vervolgens, onverhoeds

- die [aangeefster 6] van achteren vastgepakt en vastgehouden en

- éénmaal met zijn handen over de kleding de borsten van die [aangeefster 6] gegrepen en

- meermalen met zijn handen over de kleding het kruis van die [aangeefster 6] gegrepen;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar als

feit 1, 2 meer subsidiair, 3 primair, 4, 5 en 6:

telkens: feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1, 2 meer subsidiair, 3 primair, 4, 5 en 6 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden, met aftrek van voorarrest, en de maatregel terbeschikkingstelling.

Wat betreft de oplegging van de terbeschikkingstelling heeft de officier van justitie naar voren gebracht dat bij verdachte door de jaren heen steeds de diagnose van een gemengde persoonlijkheidsstoornis met narcistische, antisociale en afhankelijke trekken is vastgesteld. Bovendien blijkt uit de psychologische en psychiatrische rapportages van 2006 dat de vastgestelde problematiek voor een deel blijvend is. De officier van justitie heeft betoogd dat de rechtbank, ondanks het feit dat verdachte in deze zaak geen medewerking heeft verleend aan een psychiatrisch onderzoek en een klinische observatie door het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC), op basis van de oudere rapporten kan komen tot de vaststelling van een stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Bovendien kan de rechtbank vaststellen dat verdachte ten tijde van het delict verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft, met verwijzing naar andere strafzaken, bepleit dat aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, dient te worden opgelegd. Daarbij dienen als bijzondere voorwaarden te worden opgelegd dat verdachte een ambulante behandeling zal volgen en zich zal onthouden van het gebruik van alcohol.

Het opleggen van de maatregel terbeschikkingstelling is volgens de raadsvrouw niet mogelijk. Zij heeft allereerst opgemerkt dat in deze zaak de vraag niet is beantwoord of bij verdachte een ziekelijke stoornis of een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bestond. De andere (TBS-)rapportages zijn sterk verouderd en om die reden, volgens de raadsvrouw, niet bruikbaar.

Daarnaast heeft de raadsvrouw betoogd dat oplegging van een ongemaximeerde terbeschikkingstelling met dwangverpleging de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit niet kan doorstaan. De problemen van verdachte zijn niet (meer) dusdanig ernstig dat een langdurige behandeling beslist noodzakelijk is.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen afdoening is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich in de periode van oktober 2015 tot en met december 2015 schuldig gemaakt aan zes aanrandingen. Soms zat er maar een paar dagen tussen verschillende aanrandingen, in één geval zelfs maar anderhalf uur. De onbekende slachtoffers werden door verdachte in de avond of nacht achtervolgd op de fiets, waarna verdachte hen op een stille plek betastte bij de borsten en de schaamstreek. Eén van de slachtoffers werd zelfs onder haar kleding betast.

De impact van deze aanrandingen op de slachtoffers is heel ingrijpend geweest. Verdachte heeft door zijn gedrag de persoonlijke en lichamelijke integriteit van deze slachtoffers op grove wijze aangetast. Bovendien blijkt, onder meer uit de spreekrechtverklaringen, dat het gevoel van veiligheid van de slachtoffers ernstig is aangetast en dat zij nog steeds dagelijks te kampen hebben met de gevolgen van de door verdachte gepleegde aanrandingen. Verdachte heeft zich laten leiden door zijn drang om deze vrouwen te betasten en heeft met de verregaande gevolgen voor hen geen rekening gehouden. De rechtbank neemt hem dat zeer kwalijk. Bovendien heeft verdachte op geen enkel moment hulp gezocht om herhaling te voorkomen - waardoor het in korte tijd vaak tot deze ernstige delicten is gekomen - en heeft hij ook nu, door te weigeren om mee te werken aan persoonlijkheidsonderzoek, op dat vlak geen openheid van zaken gegeven.

Strafblad van verdachte

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 6 mei 2016, waaruit blijkt dat verdachte twee keer eerder is veroordeeld voor zedendelicten.

Stoornis en toerekeningsvatbaarheid

Weigering gedragsdeskundig onderzoek

Verdachte is ter observatie opgenomen geweest in het PBC. Verdachte heeft zijn medewerking aan het onderzoek geweigerd. Door de deskundigen van het PBC, L. Vermeulen, GZ-psycholoog, en H.T.J. Boerboom, psychiater, is op 23 juni 2016 een rapport opgemaakt. Zij concluderen dat door de weigering van verdachte veel vragen onbeantwoord zijn gebleven. Ook is het voor hen niet mogelijk geweest om uit te zoeken of de eerder bij verdachte vastgestelde persoonlijkheidsstoornis nog in die mate aanwezig is en of dezelfde kenmerken binnen de persoonlijkheid als voorheen een rol spelen in zijn gedrag. Ook is het niet mogelijk geweest uit te zoeken of aan de delicten dezelfde factoren ten grondslag lagen als aan de delicten van zestien jaar geleden.

De rechtbank merkt allereerst op dat, indien verdachte zijn (volledige) medewerking aan een onderzoek door gedragsdeskundigen heeft geweigerd, voor het opleggen van een terbeschikkingstelling de eis van een (volwaardig) multidisciplinair onderzoek als bedoeld in artikel 37 lid 2 Wetboek van Strafrecht vervalt.

Vaststelling ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens

Nog steeds blijft echter vereist dat wordt vastgesteld dat sprake is van een psychische stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van verdachte ten tijde van het plegen van het feit. Zonder die vaststelling is oplegging van terbeschikkingstelling niet mogelijk (Gerechtshof Arnhem 18 mei 2011, ECLI:NL:GHARN:2011:BQ4981).

Het is aan de rechter die over de feiten oordeelt, om die vaststelling te doen. De rechter zal zich daarbij in zeer sterke mate moeten laten leiden door de bevindingen en conclusies van gedragsdeskundigen, maar als de gedragsdeskundigen aan de grenzen komen van wat zij vanuit hun wetenschap nog kunnen verantwoorden, zal de rechter zijn eigen verantwoordelijkheid moeten nemen voor zover de wet hem daartoe de ruimte geeft. De wet en de jurisprudentie vereisen niet dat de stoornis wordt geclassificeerd volgens het handboek DSM-IV en dat deze wordt vastgesteld door een gedragsdeskundige.

Dit betekent dat in het uiterste geval de rechter, uiteraard slechts met grote behoedzaamheid, tot de vaststelling van een stoornis kan komen, ook al kunnen de gedragsdeskundigen op basis van de voor hen geldende wetenschappelijke criteria en tuchtrechtelijke normen niet tot die conclusie komen.

Voor zijn beslissing dient de rechter dan wel voldoende steun te vinden in hetgeen gedragsdeskundigen zo mogelijk wél hebben kunnen vaststellen en hetgeen de rechter verder aan feiten en omstandigheden is gebleken met betrekking tot de persoon van verdachte.

De rechtbank heeft voor de beantwoording van de vraag of bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis of een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens niet alleen gelet op de rapportages die in deze zaak zijn opgemaakt, maar ook op rapportages die over verdachte in eerdere strafzaken zijn opgemaakt. Bovendien heeft de rechtbank gelet op de wijze waarop verdachte de bewezen verklaarde feiten heeft gepleegd en hoe de aanloop daarnaartoe is geweest, voor zover daar - gelet op de weigering van verdachte om mee te werken aan het onderzoek - zicht op is gekregen.

PBC-rapport 2000

Op 21 juli 2000 is door gedragsdeskundigen van het PBC over verdachte een rapport opgemaakt. In dit rapport wordt geconcludeerd dat het plegen van het destijds ten laste gelegde feit aan verdachte slechts in verminderde mate kon worden toegerekend. Bij verdachte was sprake van een ernstige persoonlijkheidsstoornis van het gemengde type met overwegend antisociale, narcistische en in mindere mate afhankelijke trekken. Reeds als peuter was sprake van een ernstige agressieregulatiestoornis. Het rapport vermeldt dat verdachte is uitgegroeid tot een man die twee geheel aan elkaar tegengestelde kanten in zichzelf verenigt. Een passieve, afhankelijke kant, die betrokkene het grootste deel van de tijd laat zien. Daaronder bevindt zich een brute, perverse kant, die ook in zijn jeugdjaren al zichtbaar was. De deskundigen verwachtten dat een intensieve behandeling nodig zou zijn om de cognitie aan te brengen dat hij weet dat hij zo is en dat leert accepteren.

Verder wordt in het rapport opgemerkt dat in de loop der jaren de eigen contactuele onmacht steeds meer door verdachte is gevoeld, met name ten aanzien van vrouwen. In situaties waarin een appèl gedaan wordt op de sterke contactbehoefte, maar waarin dus ook de onmacht wordt gevoeld, kan de woede daarover stuurloos naar boven komen. Volgens de deskundigen lag dit in aanzienlijke mate ten grondslag aan het destijds ten laste gelegde feit.

Verdachte vertoont volgens het rapport wel ziektebesef, maar er blijkt geen inzicht te zijn in de aard en diepte van de stoornis.

Psychiatrisch rapport 2006

Op 14 augustus 2006 is over verdachte een psychiatrische rapportage opgemaakt in het kader van een eventuele verlenging van de terbeschikkingstelling. De betreffende psychiater, R.A. Graaff, concludeert dat er bij verdachte duidelijke beperkingen zijn op het relationele vlak. Volgens Graaff kan gesproken worden van een aantal vermoedelijk blijvende beperkingen in het functioneren in relationeel opzicht. De stoornis van verdachte wordt niet zozeer behandeld als een te genezen ziekte, maar als een syndroom met beperkingen en handicaps.

Volgens de inschatting van Graaff kunnen de presentatie van verdachte en de symptomen goed verklaard worden op grond van de persoonlijkheidsproblematiek, waarvoor de ontwikkelingsanamnese in de jeugd voldoende aanknopingspunten biedt. Deze wordt teruggevonden in de narcistische, afhankelijke en antisociale karaktertrekken die in het verleden zijn beschreven en bij het onderzoek van Graaff zijn bevestigd.

Graaff merkt op dat verdachte nog mogelijkheden heeft tot het verder leren van gedragsalternatieven in complexe situaties, maar dat bij verdachte zonder twijfel sprake zal zijn van een aantal blijvende beperkingen.

Psychologisch rapport 2006

Ook de GZ-psycholoog, R. de Vries, geeft in zijn rapport van 31 juli 2006 aan dat bij verdachte sprake is van een ernstige persoonlijkheidsproblematiek. Te overwegen is, volgens De Vries, of geen sprake is van een antisociale persoonlijkheidsstoornis waarnaast een persoonlijkheidsstoornis met narcistische en afhankelijke trekken.

Behandelrapportage Oostvaarderskliniek 2009

In de behandelrapportage van de Oostvaarderskliniek van 10 augustus 2009 wordt opnieuw bevestigd dat bij verdachte sprake is van een persoonlijkheidsstoornis niet anderszins omschreven met antisociale, narcistische en afhankelijke trekken.

De sociale vaardigheden van verdachte zijn goed, maar de vaardigheden om meer diepgaande vriendschappen of een (seksuele) relatie aan te gaan, lijken nog te weinig ontwikkeld. Hetzelfde geldt voor de copingvaardigheden van verdachte. Deze zijn -ten tijde van het opstellen van het rapport- adequaat maar er is twijfel of verdachte bij langdurige en specifieke stress hiermee voldoende zijn spanning kwijt kan raken. Ook wordt in het rapport de vraag gesteld of verdachte voldoende emotionele steun kan krijgen van zijn netwerk op het moment dat stresserende omstandigheden toenemen. Specifiek wordt gedacht aan het uitblijven van een relatie en oplopende spanning en frustratie binnen een relatie.

Reclasseringsadvies 2010

Op 30 augustus 2010 heeft de reclassering geadviseerd de terbeschikkingstelling van verdachte onvoorwaardelijk te beëindigen. De reclassering stelt in dit rapport dat verdachte moet worden gezien als een recidiverende zedendelinquent met een gemengde persoonlijkheidsstoornis met narcistische, antisociale en passief-agressieve kenmerken. Verdachte is verhoogd krenkbaar en ontkent negatieve aspecten van zijn persoonlijkheid. Uit het feit dat verdachte op alle gebieden goed functioneert, zou kunnen worden geconcludeerd dat de persoonlijkheidsproblematiek niet langer op de voorgrond staat.

PBC-rapport 2016

In het PBC-rapport van 23 juni 2016 wordt op basis van de eerdere rapporten geconstateerd dat het beeld van verdachte dat van een vroeg in de hechting gestoorde man is met problemen in de impuls- en agressieregulatie, met seksueel grensoverschrijdend gedrag voortkomend uit de frustratie niet op een normale manier contact te kunnen leggen met vrouwen. Verdachte vindt het moeilijk zich in anderen te verplaatsen en heeft de neiging de schuld buiten zichzelf te leggen. Dit laatste werd ook tijdens het onderzoek van het PBC opgemerkt.

Delictketen

Door de Pompekliniek, waar verdachte tijdens de terbeschikkingstelling behandeld is geweest, is de volgende delictketen opgesteld. Gebrek aan stabiliteit in werk, sociaal leven en financiën leiden tot het oplopen van spanningen en toenemende gevoelens van falen. Verdachte gaat steeds meer alcohol gebruiken om de spanningen te verminderen. Hij krijgt vervolgens een bijna obsessieve wens om met een vrouw in contact te komen. Het verminderen van zijn remmingen veroorzaakt een teleurstelling over het eigen falen in het leggen van contact en een toename van woedegevoelens. Uiteindelijk pleegt verdachte de seksuele delicten naar hem onbekende vrouwen.

Verdachte heeft op de zitting van 18 juli 2016 verklaard dat hij in april/mei 2015 te horen kreeg dat hij zijn baan kwijt was per 1 oktober 2015. Op grond van een vaststellingsovereenkomst hoefde hij vanaf 20 juli 2015 niet meer te werken. Het verlies van zijn werk maakte hem bitter en gefrustreerd. Ook nam zijn alcoholgebruik in die periode toe. Daarnaast heeft verdachte verklaard dat hij bang was alleen achter te blijven en dat hij ontevreden was dat het hem niet lukte een relatie aan te gaan met een vrouw. Op 7 oktober 2015 pleegde verdachte de eerste van de zes bewezen verklaarde aanrandingen.

Overwegingen van de rechtbank

De rechtbank constateert op basis van de hiervoor genoemde rapportages dat in de periode van 2000 tot en met 2009 door verschillende psychologen en psychiaters bij verdachte steeds de diagnose van persoonlijkheidsstoornis is gesteld. Ook wordt in deze rapporten gesproken over blijvende handicaps en beperkingen als gevolg van die persoonlijkheidsstoornis. De behandelingen die aan verdachte zijn geboden waren niet gericht op het ‘genezen’ ervan, maar meer op het omgaan met zijn problematiek.

Verdachte heeft tijdens de terbeschikkingstelling, in de periode van 2001 tot en met 2010, verschillende behandelingen ondergaan. Echter, bijna aan het einde van deze periode, in 2009, wordt door de Oostvaarderskliniek de twijfel uitgesproken of verdachte bij langdurige stress voldoende copingvaardigheden bezit om zijn spanning te kunnen kwijtraken. Ook de reclassering concludeert in 2010 dat, hoewel verdachte positieve ontwikkelingen heeft doorgemaakt, de persoonlijkheidsproblematiek niet afwezig is, maar niet meer op de voorgrond staat.

In het licht van deze bevindingen acht de rechtbank ook de delictketen van belang die destijds door de Pompekliniek is opgesteld. Net als bij het delict waarvoor verdachte in 2000 is veroordeeld, was ook in de periode voor de aanrandingen eind 2015 sprake van een gebrek aan stabiliteit in het leven van verdachte. Verdachte had kort voor deze feiten zijn baan verloren. Verdachte was gefrustreerd, zijn alcoholgebruik nam toe en opnieuw speelde het feit dat het hem niet lukte een relatie te krijgen een belangrijke rol. Verdachte heeft op de zitting van 18 juli 2016 verklaard dat het hem in die periode niet is gelukt hulp te zoeken en het plegen van aanrandingen te stoppen. De overeenkomst in de wijze waarop verdachte in 2000 en in 2015 tot het plegen van delicten is gekomen, is treffend. Voorts betrof het in beide gevallen, evenals in 1998 en in 1999, zedendelicten begaan tegen onbekende, jonge vrouwen, die steeds werden achtervolgd voordat verdachte de feiten pleegde.

Gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, stelt de rechtbank vast dat bij verdachte tijdens het begaan van de bewezen verklaarde feiten een ziekelijke stoornis of een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bestond. Vanwege de bij verdachte bestaande persoonlijkheidsstoornis kunnen de bewezen verklaarde feiten hem slechts in verminderde mate worden toegerekend.

Op te leggen straf

Gelet op de ernst en veelheid van de feiten, de omstandigheid dat verdachte eerder voor zedendelicten is veroordeeld en de omstandigheid dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is, acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 jaar passend en geboden.

Op te leggen maatregel

Gelet op de stoornis van verdachte zoals die bestond ten tijde van het begaan van de bewezen verklaarde feiten en het feit dat verdachte reeds twee keer eerder is veroordeeld voor soortgelijke ernstige strafbare feiten, acht de rechtbank het vanuit veiligheidsoogpunt onverantwoord dat verdachte onbehandeld terug zou keren in de maatschappij.

De rechtbank is van oordeel dat er een dusdanig hoog (herhalings)gevaar is dat de samenleving daartegen beschermd dient te worden door behandeling van de problematiek van verdachte. De rechtbank acht het opleggen van de maatregel terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege geboden, nu is gebleken dat verplichte behandeling en toezicht in het verleden niet hebben kunnen voorkomen dat de verdachte in herhaling is vervallen en er - mede gelet op de weigering van verdachte om mee te werken aan het onderzoek - geen aanknopingspunten zijn om te veronderstellen dat zou kunnen worden volstaan met een minder ingrijpende maatregel.

De rechtbank zal daarom de terbeschikkingstelling gelasten met een bevel tot verpleging van overheidswege, nu op de bewezen verklaarde feiten een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld en de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen dit eist. De maatregel kan langer duren dan vier jaren, omdat deze wordt opgelegd ter zake van misdrijven die zijn gericht tegen en gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen.

9 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

9.1

De inhoud van de vorderingen

[aangeefster 1]

De vordering van [aangeefster 1] strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het onder 1 ten laste gelegde, te weten een totaalbedrag van € 10.900,00 ter zake van materiële en immateriële schade, te vermeerderen met de executiekosten en de wettelijke rente.

[aangeefster 2]

De vordering van [aangeefster 2] strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het onder 2 ten laste gelegde, te weten een totaalbedrag van € 6.622,50 ter zake van materiële en immateriële schade, te vermeerderen met de executiekosten en de wettelijke rente.

[aangeefster 3]

De vordering van [aangeefster 3] strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het onder 3 ten laste gelegde, te weten een totaalbedrag van € 1.509,50 ter zake van materiële en immateriële schade, te vermeerderen met de executiekosten en de wettelijke rente.

[aangeefster 4]

De vordering van [aangeefster 4] strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het onder 4 ten laste gelegde, te weten een totaalbedrag van € 1.044,08 ter zake van materiële en immateriële schade, te vermeerderen met de executiekosten en de wettelijke rente.

[aangeefster 5]

De vordering van [aangeefster 5] strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het onder 5 ten laste gelegde, te weten een totaalbedrag van € 1.067,03 ter zake van materiële en immateriële schade, te vermeerderen met de executiekosten en de wettelijke rente. Daarnaast heeft [aangeefster 5] gevorderd aan verdachte een gebiedsverbod (voor haar woonomgeving) op te leggen.

[aangeefster 6]

De vordering van [aangeefster 6] strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het onder 6 ten laste gelegde, te weten een totaalbedrag van € 1.838,24 ter zake van materiële en immateriële schade, te vermeerderen met de executiekosten en de wettelijke rente.

9.2

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd alle vorderingen integraal toe te wijzen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

9.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van de schadepost ‘studievertraging’ in de vorderingen van [aangeefster 1] en [aangeefster 2] bepleit dat deze dienen te worden afgewezen. Volgens de raadsvrouw kan niet worden gezegd dat deze schade voortkomt uit de ten laste gelegde feiten. De vaststelling van deze schade zou een onevenredige belasting van het strafproces inhouden. Bovendien kan het lesgeld worden teruggevraagd bij DUO.

9.4

Het oordeel van de rechtbank

[aangeefster 1]

Vast is komen te staan dat de benadeelde partij [aangeefster 1] als gevolg van het hiervoor onder 1 bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden.

De rechtbank acht het, gelet op de aard van het bewezen verklaarde feit en de gegeven onderbouwing, voldoende aannemelijk dat [aangeefster 1] als gevolg van de door verdachte gepleegde aanranding studievertraging heeft opgelopen. Het is de rechtbank echter onvoldoende duidelijk geworden of alle studievertraging van [aangeefster 1] het gevolg is geweest van het bewezen verklaarde feit. De rechtbank waardeert deze schadepost op in ieder geval € 2.500,00. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van deze uitspraak, 1 augustus 2016, tot aan de dag van de algehele voldoening.

De rechtbank wijst de gevorderde immateriële schade geheel toe. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 december 2015 tot aan de dag van de algehele voldoening.

De rechtbank waardeert de totale schade op € 3.500,00 (drieduizend vijfhonderd euro), te weten € 1.000,00 aan immateriële schade en € 2.500,00 aan materiële schade. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van de benadeelde partij voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd.

Behandeling van het restant van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. Daarom is de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk. De benadeelde partij kan het bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

[aangeefster 2]

Vast is komen te staan dat de benadeelde partij [aangeefster 2] als gevolg van het hiervoor onder 2 meer subsidiair bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden.

De rechtbank acht het, gelet op de aard van het bewezen verklaarde feit en de gegeven onderbouwing, voldoende aannemelijk dat [aangeefster 2] als gevolg van de door verdachte gepleegde aanranding studievertraging heeft opgelopen. Het is de rechtbank echter onvoldoende duidelijk geworden of alle studievertraging van [aangeefster 2] het gevolg is geweest van het bewezen verklaarde feit. De rechtbank waardeert deze schadepost op in ieder geval € 2.500,00. Daarnaast zal de rechtbank de overige materiële schadeposten, van € 172,50, toewijzen. Deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van deze uitspraak, 1 augustus 2016, tot aan de dag van de algehele voldoening.

De rechtbank wijst de gevorderde immateriële schade van € 1.500,00 geheel toe. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 december 2015 tot aan de dag van de algehele voldoening.

De rechtbank waardeert de totale schade op € 4,172,50 (vierduizend honderdtweeënzeventig euro en vijftig eurocent), te weten € 1.500,00 aan immateriële schade en € 2.672,50 aan materiële schade. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van de benadeelde partij voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd.

Behandeling van het restant van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. Daarom is de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk. De benadeelde partij kan het bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

[aangeefster 3]

Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 3 primair bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op € 1.509,50 (duizend vijfhonderdnegen euro en vijftig eurocent), te weten € 1.000,00 aan immateriële schade en € 509,50 aan materiële schade. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. De immateriële en materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf respectievelijk 7 oktober 2015 en 1 augustus 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van de benadeelde partij voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd.

[aangeefster 4]

Vast is komen te staan dat de benadeelde partij [aangeefster 4] als gevolg van het hiervoor onder 4 bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op € 1.044,08 (duizend vierenveertig euro en acht eurocent), te weten € 1.000,00 aan immateriële schade en € 44,08 aan materiële schade. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. De immateriële en materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf respectievelijk 11 november 2015 en 1 augustus 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van de benadeelde partij voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd.

[aangeefster 5]

Vast is komen te staan dat de benadeelde partij [aangeefster 5] als gevolg van het hiervoor onder 5 bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op € 1.067,03 (duizend zevenenzestig euro en drie eurocent), te weten € 1.000,00 aan immateriële schade en € 67,03 aan materiële schade. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. De immateriële en materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf respectievelijk 24 oktober 2015 en 1 augustus 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van de benadeelde partij voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd.

De rechtbank ziet, gelet op de aan verdachte opgelegde straf en maatregel, geen aanleiding om aan verdachte een gebiedsverbod op te leggen.

[aangeefster 6]

Vast is komen te staan dat de benadeelde partij [aangeefster 6] als gevolg van het hiervoor onder 6 bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op € 1.838,24 (duizend achthonderdachtendertig euro en vierentwintig eurocent), te weten € 1.000,00 aan immateriële schade en € 838,24 aan materiële schade. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. De immateriële en materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf respectievelijk 26 oktober 2015 en 1 augustus 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van de benadeelde partij voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 36f, 37, 37a, 37b, 38e, 57 en 246 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 Beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

Verklaart het onder 2 primair en 2 subsidiair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bewezenverklaring

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2 meer subsidiair, 3 primair, 4, 5 en 6 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Strafbaarheid

Het bewezen verklaarde levert op:

feit 1, 2 meer subsidiair, 3 primair, 4, 5 en 6:

telkens: feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Straf

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 (twee) jaren.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Maatregel

Gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege wordt verpleegd.

Benadeelde partij [aangeefster 1] (feit 1)

Wijst de vordering van [aangeefster 1] toe tot een bedrag van € 3.500,00 (zegge drieduizend vijfhonderd euro), bestaande uit € 1.000,00 aan immateriële schade en € 2.500,00 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 7 december 2015 (immateriële schade) en 1 augustus 2016 (materiële schade) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [aangeefster 1] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering is en bepaalt dat dit gedeelte kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [aangeefster 1] , € 3.500,00 (zegge drieduizend vijfhonderd euro) aan de Staat te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 45 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 7 december 2015 (immateriële schade) en 1 augustus 2016 (materiële schade) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Benadeelde partij [aangeefster 2] (feit 2)

Wijst de vordering van [aangeefster 2] toe tot een bedrag van € 4,172,50 (vierduizend honderdtweeënzeventig euro en vijftig eurocent), bestaande uit € 1.500,00 aan immateriële schade en € 2.672,50 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 6 december 2015 (immateriële schade) en 1 augustus 2016 (materiële schade) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [aangeefster 2] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering is en bepaalt dat dit gedeelte kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [aangeefster 2] , € 4,172,50 (vierduizend honderdtweeënzeventig euro en vijftig eurocent) aan de Staat te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 51 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 6 december 2015 (immateriële schade) en 1 augustus 2016 (materiële schade) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Benadeelde partij [aangeefster 3] (feit 3)

Wijst de vordering van [aangeefster 3] toe tot een bedrag van € 1.509,50 (zegge duizend vijfhonderdnegen euro en vijftig eurocent), bestaande uit € 1.000,00 aan immateriële schade en € 509,50 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 7 oktober 2015 (immateriële schade) en 1 augustus 2016 (materiële schade) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [aangeefster 3] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [aangeefster 3] , € 1.509,50 (zegge duizend vijfhonderdnegen euro en vijftig eurocent) aan de Staat te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 25 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 7 oktober 2015 (immateriële schade) en 1 augustus 2016 (materiële schade) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Benadeelde partij [aangeefster 4] (feit 4)

Wijst de vordering van [aangeefster 4] toe tot een bedrag van € 1.044,08 (zegge duizend vierenveertig euro en acht eurocent), bestaande uit € 1.000,00 aan immateriële schade en € 44,08 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 11 november 2015 (immateriële schade) en 1 augustus 2016 (materiële schade) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [aangeefster 4] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [aangeefster 4] € 1.044,08 (zegge duizend vierenveertig euro en acht eurocent) aan de Staat te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 20 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 11 november 2015 (immateriële schade) en 1 augustus 2016 (materiële schade) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Benadeelde partij [aangeefster 5] (feit 5)

Wijst de vordering van [aangeefster 5] toe tot een bedrag van € 1.067,03 (zegge duizend zevenenzestig euro en drie eurocent), bestaande uit € 1.000,00 aan immateriële schade en € 67,03 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 24 oktober 2015 (immateriële schade) en 1 augustus 2016 (materiële schade) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [aangeefster 5] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [aangeefster 5] , € 1.067,03 (zegge duizend zevenenzestig euro en drie eurocent) aan de Staat te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 20 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 24 oktober 2015 (immateriële schade) en 1 augustus 2016 (materiële schade) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Benadeelde partij [aangeefster 6] (feit 6)

Wijst de vordering van [aangeefster 6] toe tot een bedrag van € 1.838,24 (zegge duizend achthonderdachtendertig euro en vierentwintig eurocent), bestaande uit € 1.000,00 aan immateriële schade en € 838,24 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 26 oktober 2015 (immateriële schade) en 1 augustus 2016 (materiële schade) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [aangeefster 6] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [aangeefster 6] € 1.838,24 (zegge duizend achthonderdachtendertig euro en vierentwintig eurocent) aan de Staat te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 28 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 26 oktober 2016 (immateriële schade) en 1 augustus 2016 (materiële schade) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. V. van Dam, voorzitter, mr. drs. S.M. van Lieshout en mr. J.M. Eelkema, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.C. van Reenen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 1 augustus 2016.

De voorzitter is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

BIJLAGE: de tenlastelegging

Aan [verdachte] is tenlastegelegd dat

1.

hij op of omstreeks 07 december 2015 te Utrecht, althans in het arrondissement

Midden-Nederland,

door geweld en/of een andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld

en/of een andere feitelijkheid [aangeefster 1] heeft gedwongen tot het plegen

en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen,

immers heeft hij

- die [aangeefster 1] op de fiets gevolgd naar haar huis en/of

vervolgens, onverhoeds

- die [aangeefster 1] van achteren vast gepakt en/of vast gehouden en/of

- met zijn hand(en) over de kleding de borst(en) van die [aangeefster 1] gegrepen

en/of betast en/of aangeraakt en/of

- met zijn hand(en) over de kleding het kruis en/of de buik en/of de/het

(boven)be(e)n(en) van die [aangeefster 1] gegrepen en/of betast en/of aangeraakt;

art 246 Wetboek van Strafrecht

2.

Primair

hij op of omstreeks 6 december 2015 te Utrecht, althans in het arrondissement

Midden-Nederland,

door geweld en/of een andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld

en/of een andere feitelijkheid, [aangeefster 2] heeft gedwongen tot het

ondergaan van handelingen die hebben bestaan uit of mede hebben bestaan uit

het seksueel binnendringen van het lichaam,

immers heeft hij

- die [aangeefster 2] op de fiets heeft gevolgd naar haar huis en/of

vervolgens, onverhoeds

- die [aangeefster 2] van achteren vast gepakt en/of vast gehouden en/of

- met zijn hand(en) over de kleding de borst(en) van die [aangeefster 2] gepakt

en/of betast en/of aangeraakt en/of

- zijn hand en/of vinger(s) in de broek en/of onderbroek en/of tussen de

schaamlippen van die [aangeefster 2] gebracht en/of geduwd en/of gehouden;

art 242 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

hij op of omstreeks 06 december 2015 te Utrecht, althans in het arrondissement

Midden-Nederland,

ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om door geweld en/of een

andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld en/of een andere

feitelijkheid [aangeefster 2] te dwingen tot het ondergaan van handelingen die

bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam,

opzettelijk,

- die [aangeefster 2] op de fiets heeft gevolgd naar haar huis en/of

vervolgens, onverhoeds

- die [aangeefster 2] van achteren stevig heeft vast gepakt en/of stevig heeft vast

gehouden en/of

- met zijn hand(en) over de kleding de borst(en) van die [aangeefster 2] heeft gepakt

en/of betast en/of aangeraakt en/of

- zijn hand en/of vinger(s) in de broek en/of onderbroek en/of tegen de

schaamlippen van die [aangeefster 2] heeft gebracht en/of geduwd en/of gehouden,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

art 242 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Meer subsidiair

hij op of omstreeks 06 december 2015 te Utrecht, althans in het arrondissement

Midden-Nederland, door geweld en/of een andere feitelijkheid en/of door

bedreiging met geweld en/of een andere feitelijkheid [aangeefster 2] heeft

gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen,

immers heeft hij

- die [aangeefster 2] op de fiets gevolgd naar haar huis en/of

vervolgens, onverhoeds

- die [aangeefster 2] van achteren stevig heeft vast gepakt en/of stevig vast

gehouden en/of

- met zijn hand(en) over de kleding de borst(en) van die [aangeefster 2] gepakt

en/of betast en/of aangeraakt en/of

- zijn hand en/of vinger(s) in de broek en/of onderbroek en/of tegen de

schaamlippen van die [aangeefster 2] gebracht en/of geduwd en/of gehouden;

art 246 Wetboek van Strafrecht

3.

Primair

hij op of omstreeks 07 oktober 2015 te Utrecht, althans in het arrondissement

Midden-Nederland,

door geweld en/of een andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld

en/of een andere feitelijkheid [aangeefster 3] heeft gedwongen tot het plegen en/of

dulden van een of meer ontuchtige handelingen,

immers heeft hij

- die [aangeefster 3] op de fiets gevolgd en/of

vervolgens, onverhoeds

- die [aangeefster 3] met de fiets ten val gebracht door met zijn, verdachtes, fiets

tegen haar fiets aan te rijden/te botsen, dan wel die [aangeefster 3] van haar fiets te

trekken en/of

- ( vervolgens) die [aangeefster 3] bij haar middel gepakt en/of zich tegen haar aan

gedrukt en/of

- ( vervolgens) met zijn hand(en) over haar kleding over en/of tussen de/het

(boven)be(e)n(en) en/of over de schaamstreek gepakt en/of betast en/of

aangeraakt en/of

- gezegd dat hij alles zou geven wat ze nodig had, als zij dichterbij zou

komen en/of dat als zij zou geven wat hij nodig had, hij zou geven wat zij

nodig had, althans woorden van gelijke aard en/of strekking;

art 246 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

hij op of omstreeks 07 oktober 2015 te Utrecht, althans in het arrondissement

Midden-Nederland,

ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om door

geweld en/of een andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld en/of

een andere feitelijkheid [aangeefster 3] te dwingen tot het plegen en/of dulden van

een of meer ontuchtige handelingen,

opzettelijk,

- die [aangeefster 3] op de fiets heeft gevolgd en/of

vervolgens, onverhoeds

- die [aangeefster 3] met de fiets ten val heeft gebracht door met zijn, verdachtes,

fiets tegen haar fiets aan te rijden/ te botsen, dan wel die [aangeefster 3] van haar

fiets te trekken en/of

- ( vervolgens) die [aangeefster 3] bij haar middel heeft gepakt en/of zich tegen haar

aan heeft gedrukt en/of

- ( vervolgens) met zijn hand(en) over haar kleding over en/of tussen de/het

(boven)be(e)n(en) en/of over de schaamstreek heeft gepakt en/of betast en/of

aangeraakt en/of

- heeft gezegd dat hij alles zou geven wat ze nodig had, als zij dichterbij zou

komen en/of dat als zij zou geven wat hij nodig had, hij zou geven wat zij

nodig had, althans woorden van gelijke aard en/of strekking,

zijnde de uitvoering van voorgenomen misdrijf niet voltooid;

art 246 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op of omstreeks 11 november 2015 te Utrecht, althans in het arrondissement

Midden-Nederland,

door geweld en/of een andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld

en/of een andere feitelijkheid [aangeefster 4] heeft gedwongen tot het

plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen,

immers heeft/is hij

- die [aangeefster 4] op de fiets gevolgd naar haar huis en/of

vervolgens, onverhoeds

- naast die [aangeefster 4] gaan fietsen en/of

- met zijn hand(en) over de kleding het kruis en/of tussen de/het

(boven)be(e)n(en) van die [aangeefster 4] gegrepen en/of betast en/of

aangeraakt;

art 246 Wetboek van Strafrecht

5.

hij op of omstreeks 24 oktober 2015 te Utrecht, althans in het arrondissement

Midden-Nederland,

door geweld en/of een andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld

en/of een andere feitelijkheid [aangeefster 5] heeft gedwongen tot het plegen

en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen,

immers heeft hij

- die [aangeefster 5] op de fiets gevolgd naar haar huis en/of

vervolgens, onverhoeds

- die [aangeefster 5] van achteren vast gepakt en/of vast gehouden (met beide armen

om haar (boven)lichaam) en/of haar omgedraaid en/of

- met zijn hand(en) over de kleding de borst(en) van die [aangeefster 5] gegrepen

en/of betast en/of aangeraakt en/of

- met zijn hand(en) over de kleding het kruis van die [aangeefster 5] gegrepen en/of

betast en/of aangeraakt;

art 246 Wetboek van Strafrecht

6.

hij op of omstreeks 26 oktober 2015 te Utrecht, althans in het arrondissement

Midden-Nederland,

door geweld en/of een andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld

en/of een andere feitelijkheid [aangeefster 6] heeft gedwongen tot het plegen

en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen,

immers heeft hij

- die [aangeefster 6] op de fiets gevolgd naar haar huis en/of

vervolgens, onverhoeds

- die [aangeefster 6] van achteren vast gepakt en/of vast gehouden en/of

- meermalen, althans éénmaal met zijn hand(en) over de kleding de borst(en)

van die [aangeefster 6] gegrepen en/of betast en/of aangeraakt en/of

- meermalen, althans éénmaal met zijn hand(en) over de kleding het kruis van

die [aangeefster 6] gegrepen en/of betast en/of aangeraakt;

art 246 Wetboek van Strafrecht

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende proces-verbaal, nummer PL0900/2015369268, bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering (pagina 1 tot en met 299). Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Pagina 28 tot en met 34.

3 Pagina 241 tot en met 249.

4 Pagina 255 tot en met 261.

5 Pagina 255 tot en met 261.

6 Pagina 125 tot en met 129.

7 Pagina 262 tot en met 266.

8 Pagina 149 tot en met 153.

9 Pagina 255 tot en met 261.

10 Pagina 177 tot en met 182.

11 Pagina 255 tot en met 261.

12 Het proces-verbaal van aangifte, gedaan door [aangeefster 3] , van 7 oktober 2015, pagina 75.

13 Het proces-verbaal van aangifte, gedaan door [aangeefster 3] , van 7 oktober 2015, pagina 76.

14 Het proces-verbaal van verhoor aangeefster van 10 oktober 2015, pagina 81.

15 Het proces-verbaal van verhoor verdachte van 8 december 2015, pagina 256.

16 Het proces-verbaal van verhoor verdachte van 8 december 2015, pagina 257.