Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:436

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
21-01-2016
Datum publicatie
01-02-2016
Zaaknummer
16/661715-15 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Man wordt verdacht van diefstal en medeplichtigheid aan een inbraak in een kantoorpand. De officier van justitie eiste zes maanden en drie dagen cel, waarvan zes maanden voorwaardelijk. Daarnaast een werkstraf van 120 uur en subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis. De rechtbank acht verdachte niet schuldig aan het plegen van een inbraak in een kantoorpand maar is wel medeplichtig en legt daarom een werkstraf op van 100 uur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht
Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/661715-15 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 21 januari 2016

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1995] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats] , [adres]

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 22 december 2015. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. J.J.J.L. Maalsté, advocaat te Utrecht.

Het onderzoek ter terechtzitting is op 7 januari 2016 gesloten. Met instemming van de verdediging en de officier van justitie was de samenstelling van de rechtbank ten tijde van de sluiting niet geheel gelijk aan die van 22 december 2015 en heeft de samenstelling van 22 december 2015 het vonnis gewezen.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

ten aanzien van feit 1:

samen met een ander of anderen op 26 juni 2015 heeft ingebroken in een bedrijfspand in Soest, dan wel dat hij anderen hierbij behulpzaam is geweest;

ten aanzien van feit 2:

in de periode van 1 juni 2015 tot en met 28 juli 2015 deel heeft genomen aan een criminele organisatie.

3 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de hem onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde feiten heeft gepleegd.

De officier van justitie acht het onder 1 primair ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte dient van dit feit te worden vrijgesproken.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten.

Eveneens kan niet worden vastgesteld dat verdachte lid was van een criminele organisatie. Het enkele feit dat verdachte op 25 juni 2015 en mogelijk ook op 26 juni 2015 als tipgever heeft gefungeerd is onvoldoende om aan de vereisten van een criminele organisatie te voldoen. Er is geen sprake van een duurzaam samenwerkingsverband. Op basis van de in het dossier aanwezige stukken kan niet worden vastgesteld dat verdachte als tipgever betrokken is geweest bij inbraken op 9 en 10 juli 2015. De intensiteit van de samenwerking heeft zich beperkt tot het geven van informatie betreffende het onder feit 1 ten laste gelegde. Ook was er geen taakverdeling, verdachte heeft enkel een tip gegeven. Er zijn geen aanwijzingen dat er sprake was van een hiërarchie: niemand heeft verdachte opdracht gegeven en als tipgever komt men niet voor in een hiërarchie.

Verdachte dient derhalve vrijgesproken te worden van de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten.

Ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit heeft de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Vrijspraak

feit 1 primair

De rechtbank is, met de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten. Het dossier bevat geen aanknopingspunten waaruit volgt dat verdachte, anders dan het fungeren als tipgever, een rol heeft gehad bij de planning en uitvoering van de betreffende inbraak.

De rechtbank zal verdachte derhalve vrijspreken van het onder 1 primair ten laste gelegde feit.

feit 2

De rechtbank is van oordeel dat het onder 2 ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. Het dossier bevat daartoe onvoldoende aanknopingspunten. Verdachte heeft als tipgever gefungeerd bij een inbraak gepleegd door de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Uit het dossier volgt niet dat verdachte, zoals vereist in de jurisprudentie naar aanleiding van artikel 140 Sr1., wetenschap had van de activiteiten van zijn medeverdachten, te weten het veelvuldig en georganiseerd plegen van inbraken.

De rechtbank zal verdachte derhalve vrijspreken van het onder 2 ten laste gelegde feit.

4.3.2

Het oordeel over het onder 1 subsidiair ten laste gelegde2

feit 1 subsidiair

[aangever] heeft namens [bedrijf] B.V. aangifte gedaan van een inbraak in een bedrijfspand gelegen aan de [adres] te [vestigingsplaats] op 26 juni 2015 te 02.25 uur.3

De daders hadden een raam aan de zijkant van het pand opengebroken Het pand had geen beveiliging. Bij de inbraak werden de navolgende goederen weggenomen:4

een tablet (Samsung Galaxy Tab 2), een geldbedrag van ongeveer € 700,00, zeven bankpassen, vier Ipads (Apple), 5 Ipods (Apple) en een telefoon (Apple Iphone 5).5

[getuige] was op 26 juni 2015 werkzaam als beveiliger. Omstreeks 02.45 uur zag hij bij het pand [adres] te [vestigingsplaats] een bromscooter met hoge snelheid wegrijden. Op de scooter zaten twee personen.6

Uit opgenomen communicatie in de auto van verdachte [medeverdachte 1] en de bijbehorende bakengegevens volgt dat:

[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op 25 juni 2015 samen in de auto zaten. [medeverdachte 1] zei dat ze bij een bedrijfspand kunnen inbreken. [verdachte] had gezegd dat de eigenaar weg was en dat er geen beveiliging was. [medeverdachte 1] zei dat ze een geldkistje, een grote kluis en pasjes met codes konden meenemen. Beiden besloten om niet meteen te gaan, maar op een later moment met de motor te gaan.7

Op 25 juni 2015 zaten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en een derde persoon, genoemd NN5, in de auto van [medeverdachte 1] . Zij stopten ter hoogte van de kruising Industrieweg/Nijverheidsweg te Soest. Vanuit hun stopplaats hadden zij zicht op de [adres] . NN5 legde uit waar het kantoor, het geldkistje en de kluis zich bevinden en wat de inhoud van de kluis zal zijn.8 NN5 vertelde dat hij sinds een paar weken werkzaam was bij het cateringbedrijf.9

Op 26 juni 2015 zaten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en een derde persoon, genoemd NN5, in de auto van [medeverdachte 1] . In de auto werd besproken dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] de pinpassen wilden stelen. NN5 vertelde dat er 5 Ipads in het bedrijf lagen. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] bespraken dat zij een tas mee moesten nemen. [medeverdachte 1] is de zoeker is en [medeverdachte 2] de breker. Zij moeten geen telefoon meenemen.10

De auto van [medeverdachte 1] parkeerde op 26 juni 2015 omstreeks 01.23 uur aan de Valeriaanstraat. Omstreeks 02.25 uur vond de inbraak aan de [adres] plaats.

Omstreeks 03.26 uur kwam de auto weer in beweging en stopte in de omgeving van de woning van [medeverdachte 2] .11 De auto reed vervolgens naar de [adres] te [woonplaats] , zijnde de woning van [medeverdachte 1] .12

[aangever] kreeg op 27 juni 2015 een mailtje van [A] . Zij gaf aan dat zij een bankpas met zijn naam had gevonden. [aangever] was gaan zoeken en vond ook de andere bij de inbraak weggenomen bankpassen. [A] vertelde dat zij een tweetal jongen had gezien die zich in de omgeving ophielden.13 De beschrijving van één van deze personen deed [aangever] denken aan een stagiair die sinds twee weken bij hem werkzaam was: [verdachte] . [aangever] zocht in de omgeving en zag na enkele ogenblikken [verdachte] in een auto rijden. Hij was achter de auto aangereden en zag dat deze auto stopte bij de Albert Heijn.14

Op 27 juni 2015 vertelde [medeverdachte 1] tegen [medeverdachte 2] dat hij achtervolgd werd terwijl hij met iemand anders in de auto zat. Hij werd achtervolgd door twee lange mannen in een BMW die voor het cateringbedrijf werkten. Ze werden achtervolgd tot aan de Albert Heijn. Op 28 juni 2015 bespraken [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] dat ze Ipads hadden en dat ze die gingen verkopen. 15

Op 28 juni 2015 spraken [medeverdachte 1] en een onbekende persoon over het verkopen van Ipads en Ipods. [medeverdachte 1] vertelde dat hij in de kluis had gekeken, daar lag niets. Hij ging de pasjes en de pincode zoeken in het bedrijf.16 Hij had in de geldkistjes gekeken, daar zat

€ 60/€ 70 in. Hij vertelde dat ze bij het bedrijf waar ze hadden ingebroken een beveiliger hadden gezien.17

Uit de aangifte [aangever]18 volgt dat bij de inbraak aan de [adres] te [vestigingsplaats] op 26 juni 2015 diverse Ipads werden gestolen.

Bewijsoverweging

NN5

De rechtbank is van oordeel dat verdachte de persoon is die in de OVC gesprekken aangemerkt wordt als NN5.

De rechtbank overweegt daartoe dat NN5 in de gesprekken zeer gedetailleerde informatie verstrekt over het bedrijf waar hij sinds een paar weken werkt, de daar aanwezige goederen en de beveiliging. Uit de aangifte van [aangever] volgt dat verdachte sinds twee weken bij hem als stagiair werkt. De bij de inbraak weggenomen goederen zijn vrijwel gelijk aan de goederen die NN5 heeft genoemd.

In het dossier bevinden zich geen aanknopingspunten waaruit afgeleid kan worden dat NN5 een andere persoon dan verdachte betreft. Verdachte zelf heeft op geen enkel moment een verklaring afgelegd en een mogelijk alternatief scenario aannemelijk gemaakt.

De rechtbank is op grond van voornoemde feiten en omstandigheden van oordeel dat de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op 26 juni 2015 hebben ingebroken in het pand gelegen aan de [adres] te [vestigingsplaats] en dat verdachte, door het verstrekken van gedetailleerde informatie, hieraan medeplichtig is geweest.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de onder 4.3.2 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat:

feit 1 subsidiair

[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op 26 juni 2015 te Soest, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een bedrijfs/kantoorpand aan de [adres] hebben weggenomen een tablet (Samsung Galaxy Tab 2) en vier Ipads (merk Apple) en vijf Ipods (merk Apple) en geld (circa 700 euro) en zeven bankpassen en een telefoon (Iphone 5) toebehorende aan [bedrijf] B.V. en/of [aangever] , waarbij die [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak,

tot het plegen van welk misdrijf verdachte in de periode van 25 juni 2015 tot en met 26 juni 2015 te Soest, opzettelijk behulpzaam is geweest en opzettelijk gelegenheid en inlichtingen heeft verschaft door opzettelijk die [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] van informatie te voorzien omtrent de afwezigheid van de eigenaar van het pand en het ontbreken van beveiliging en de plaats waar de kluis en de geldkist zich bevinden in het pand en de aanwezigheid van vijf Ipads en bankpasjes in het pand;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

feit 1 subsidiair:

medeplichtigheid aan diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door de officier van justitie bewezen geachte zal worden veroordeeld tot:

  • -

    een gevangenisstraf van zes maanden en drie dagen, met aftrek, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren,

  • -

    een werkstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit om verdachte, gelet op de bepleite vrijspraken, een werkstraf van 80 uur op te leggen, of een iets hogere werkstraf indien de rechtbank van oordeel is dat verdachte het vertrouwen van zijn werkgever heeft geschonden en misbruikt.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft het oriëntatiepunt van het lovs, dat weergeeft wat rechters in soortgelijke zaken vaak als straf opleggen, ten aanzien van inbraak in een bedrijfspand te weten een werkstraf van 120 uur als begin van denken genomen.

Vervolgens stelt de rechtbank vast dat verdachte niet zal worden veroordeeld voor het plegen van de bedrijfsinbraak, maar het anderen behulpzaam zijn bij die inbraak. Uit de wet vloeit voort dat medeplichtigheid minder strafwaardig is..

De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan en weegt dat in zijn nadeel dat hij informatie heeft verstrekt over zijn stageadres. Het door zijn werkgever in hem gestelde vertrouwen heeft hij daardoor geschonden. Ook ten nadele van verdachte weegt daat hij op geen enkel moment er blijk van heeft gegeven het kwalijke van zijn handelen in te zien. Verdachte heeft enkel aan zijn eigen financiële gewin gedacht.

Voorts veroorzaken dergelijke feiten overlast en financiële schade bij de benadeelden.

Uit het strafblad van verdachte blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. De rechtbank weegt dat mee ten gunste van verdachte.

De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van het rapport van Reclassering Nederland van 25 november 2015. In dat rapport komt naar voren dat verdachte zich heeft gehouden aan het verplichte reclasseringscontact dat in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis gold. De reclassering adviseert aan verdachte een werkstraf op te leggen.

Omdat de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie en verdachte vrijspreekt van het onder 2 tenlastegelegde, komt de rechtbank tot een andere strafoplegging.

De rechtbank acht, alles afwegende, een werkstraf van 100 uren passend en geboden.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, 22d, 48 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 Beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

Verklaart de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bewezenverklaring

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

feit 1 subsidiair:

medeplichtigheid aan diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldigen zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak.

- verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 100 uren;

- beveelt, voor het geval dat de verdachte de werkstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 50 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de uitvoering van de werkstraf naar rato van twee uur per dag.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.A.A. van Kalveen, voorzitter, mr. A.R. Creutzberg en mr. R.B. Eigeman, rechters, in tegenwoordigheid van G. van Engelenburg, griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 januari 2016.

Mr. R.B. Eigeman is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE : De tenlastelegging

1. primair

hij op of omstreeks 26 juni 2015 te Soest, althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een bedrijfs/kantoorpand (aan de [adres] ) heeft weggenomen een tablet (Samsung Galaxy Tab 2) en/of vier Ipads (merk Apple) en/of vijf Ipods (merk Apple) en/of geld (circa 700 euro) en/of zeven bankpassen en/of een telefoon (Iphone 5), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf] B.V. en/of [aangever] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] op of omstreeks 26 juni 2015 te Soest, althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een bedrijfs/kantoorpand (aan de [adres] ) heeft/hebben weggenomen een tablet (Samsung Galaxy Tab 2) en/of vier Ipads (merk Apple) en/of vijf Ipods (merk Apple) en/of geld (circa 700 euro) en/of zeven bankpassen en/of een telefoon (Iphone 5), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf] B.V. en/of [aangever] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of verdachte, waarbij die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte in de periode van 25 juni 2015 tot en met 26 juni 2015 te Soest, althans in arrondissement Midden-Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en / of inlichtingen heeft verschaft door opzettelijk die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] van informatie te voorzien omtrent de afwezigheid van de eigenaar van het pand en/of het ontbreken van beveiliging en/of de plaats waar de kluis en/of de geldkist zich bevindt/bevinden in het pand en/of de aanwezigheid van vijf Ipads en/of bankpasjes in het pand;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

art 48 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2015 tot en met 28 juli 2015 te Soest en/of Amersfoort, in ieder geval in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder andere) verdachte en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven (te weten woning- en/of bedrijfsinbraken);

art 140 lid 1 Wetboek van Strafrecht

1 Sedert HR 18 november 1997, NJ 1998/225

2 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende proces-verbaal in het onderzoek 033adiglas met als sluitingsdatum 1 oktober 2015 en het aanvullende proces-verbaal nummer 2015231786A, bevinden, volgens de in dat dossier doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 320. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

3 Proces-verbaal van aangifte, pagina 72.

4 Proces-verbaal van aangifte, pagina 73.

5 Proces-verbaal van aangifte, bijlage pagina 75.

6 Proces-verbaal van aangifte, pagina 79.

7 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 90; proces-verbaal van bevindingen, pagina 272.

8 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 90.

9 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 91.

10 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 91.

11 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 91.

12 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 92.

13 Proces-verbaal van aangifte, pagina 81.

14 Proces-verbaal van aangifte, pagina 82.

15 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 92.

16 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 92; proces-verbaal van bevindingen, pagina 272.

17 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 93; proces-verbaal van bevindingen, pagina 273.

18 Proces-verbaal van aangifte met bijlagen, pagina 72 e.v..