Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:4355

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
22-07-2016
Datum publicatie
04-08-2016
Zaaknummer
16/661533-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van de ten laste gelegde ontucht met een minderjarige; de rechtbank acht het ten laste gelegde niet wettig bewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/661533-14 (P)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 22 juli 2016

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1969] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 8 juli 2016. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. J. Visscher, advocaat te Amersfoort.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

primair

op een of meer tijdstippen in de periode van 1 februari 2014 tot en met 1 maart 2014 te Soest zich schuldig heeft gemaakt aan ontucht met een aan zijn zorg of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige;

subsidiair

op een of meer tijdstippen in de periode van 1 februari 2014 tot en met 1 maart 2014 te Soest zich schuldig heeft gemaakt aan ontucht met een persoon jonger dan 16 jaren.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie is van mening dat het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht. Daarbij heeft de officier van justitie gewezen op de verklaringen van de getuigen [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] , alsmede op de eigen verklaring van verdachte.

De verklaringen van getuige [getuige 5] , de moeder van de minderjarige, zoals die zijn afgelegd bij de politie en bij de rechter-commissaris, zijn niet meegenomen voor het bewijs, omdat de officier van justitie van mening is dat deze verklaringen onderling te veel verschillen en zij mede daarom grote vraagtekens zet bij de geloofwaardigheid daarvan.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en heeft om die reden vrijspraak bepleit.

Daarbij heeft de verdediging - samengevat - betoogd dat de verklaringen van de getuigen [getuige 6] , [getuige 3] en [getuige 2] zijn gebaseerd op hetgeen deze getuigen hebben gehoord van [getuige 1] , dat deze onderling verschillen vertonen en afwijken van de verklaring van [getuige 1] en om die reden niet bruikbaar zijn.

Getuige [getuige 4] heeft aanvankelijk iets gehoord van getuige [getuige 3] en is aanwezig geweest bij enkele gesprekken die verdachte bij De Waag heeft gehad waarbij de behandelaar van De Waag aan verdachte heeft voorgehouden hetgeen is verklaard.

De getuige [getuige 1] heeft haar verklaring gebaseerd op hetgeen zij, zoals getuige zegt, van verdachte heeft gehoord. Of de getuigenis van [getuige 1] bruikbaar is, trekt de verdediging in twijfel, gelet op de verstandelijke beperking van deze getuige.

Al deze getuigenverklaringen zijn derhalve gebaseerd op één bron, namelijk de verklaring van de verdachte zelf.

Met de officier van justitie is de verdediging van mening dat de verklaringen van getuige

[getuige 5] niet kunnen worden gebruikt voor het bewijs. De verdediging is van mening dat deze verklaringen volstrekt ongeloofwaardig zijn.

Dan resteert, aldus de verdediging, uitsluitend de verklaring van verdachte zelf, en wordt dus niet voldaan aan het wettelijk bewijsminimum.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Vrijspraak

De rechtbank acht niet wettig bewezen hetgeen de verdachte ten laste is gelegd, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

Volgens het vierde lid van artikel 341 van het Wetboek van Strafvordering kan het bewijs dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de opgaven van verdachte.

Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door verdachte genoemde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal.

Verdachte, een 47-jarige man met een IQ van 57, is, zo bleek de rechtbank ter terechtzitting, een zeer moeizaam sprekende man, voor wie het lastig is zich concreet en helder uit te drukken. Dat maakt dat het voor de rechtbank niet met voldoende zekerheid vaststaat of hetgeen verdachte heeft verklaard overeenkomt met hetgeen er daadwerkelijk is gebeurd. Bovendien bevat het dossier geen steunbewijs voor de verklaringen van verdachte.

Evenals de officier van justitie en de verdediging, acht de rechtbank de verklaringen van getuige [getuige 5] onbruikbaar om te dienen voor het bewijs, gelet op het wisselend verklaren van deze getuige, bijvoorbeeld over de ten laste gelegde handelingen, de plaats en het tijdstip waar en waarop deze zouden hebben plaatsgevonden en over de plaats waar het (vermeende) slachtoffer haar verhaal zou hebben gedaan tegenover deze getuige.

De verklaringen van de overige getuigen acht de rechtbank eveneens onbruikbaar omdat die getuigen ofwel hun verklaringen hebben gebaseerd op hetgeen zij van één van de andere getuigen - in het bijzonder [getuige 1] - hebben gehoord (die haar informatie weer aan verdachte ontleent), ofwel de verklaring is gebaseerd op hetgeen rechtstreeks van verdachte is of zou zijn gehoord. Uiteindelijk is alle informatie terug te leiden naar verdachtes eigen verklaring en is geen sprake van eigen waarnemingen van de getuigen.

Omdat naast de bekennende verklaring van verdachte - waarover hiervoor al is geoordeeld - er geen bewijs is dat afkomstig is uit een andere bron dan verdachte, wordt niet voldaan aan het bewijsminimum en zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het ten laste gelegde.

Reeds om die reden zal het door de raadsman van [getuige 5] , mr. E.N. Bouwman ter terechtzitting ingediende verzoek om aanhouding, ter onderbouwing van een eventueel in te dienen verzoek om schadevergoeding, worden afgewezen.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

De rechtbank:

- verklaart niet bewezen dat verdachte het primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E. Akkermans, voorzitter,

mr. drs. S.M. van Lieshout en mr. A.R. Creutzberg, rechters,

in tegenwoordigheid van A. Heijboer, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 juli 2016.

BIJLAGE : De tenlastelegging

Aan [verdachte] wordt ten laste gelegd dat

Primair

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks 1 februari 2014 tot en met 1 maart 2014 te Soest, althans in het arrondissement Midden-Nederland, (telkens) ontucht heeft gepleegd met een aan zijn zorg of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, te weten [benadeelde] , geboren op [2007] , bestaande die ontucht (telkens) hierin dat hij (meermalen)

- zich ontkleed heeft getoond aan voornoemde [benadeelde] en/of

- ( vervolgens) die [benadeelde] zijn, penis heeft laten aanraken en/of heeft laten aaien en/of

- die [benadeelde] (in) zijn penis heeft laten knijpen en/of vastpakken en/of vasthouden en/of

- die [benadeelde] op zijn penis heeft laten zitten en/of

- ( met) zijn penis op/tegen de vagina, althans de schaamstreek, althans het lichaam, van die [benadeelde] heeft bewogen en/of gewreven, althans bewegingen heeft gemaakt als had hij geslachtsgemeenschap;

art 249 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 februari 2014 tot en met 1 maart 2014 te Soest, althans in het arrondissement Midden-Nederland, met [benadeelde] , geboren op [2007] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande die ontuchtige handeling(en) (telkens) hierin dat hij, verdachte,

- zich ontkleed heeft getoond aan voornoemde [benadeelde] en/of

- ( vervolgens) die [benadeelde] zijn penis heeft laten aanraken en/of heeft laten aaien en/of

- die [benadeelde] (in) zijn penis heeft laten knijpen en/of vastpakken en/of vasthouden en/of

- die [benadeelde] op zijn penis heeft laten zitten en/of

- ( met) zijn penis op/tegen de vagina, althans de schaamstreek, althans het lichaam, van die [benadeelde] heeft bewogen en/of gewreven, althans bewegingen heeft gemaakt als had hij geslachtsgemeenschap;

art 247 Wetboek van Strafrecht