Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:4344

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
17-05-2016
Datum publicatie
03-08-2016
Zaaknummer
16/659092-16, 16/018065-16, 16/151288-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling in verband met bedreigingen, belediging en handelen in strijd met de Wet wapens en munitie. Plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van maximaal 1 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/659092-16, 16/018065-16 (gev.ttz) en 16/151288-15 (tul) (P)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 17 mei 2016

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Dominicaanse Republiek) op [1968] ,

thans verblijvende in het PPC Vught te Vught.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 3 mei 2016. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. A.T.G. van Wandelen, advocaat te Utrecht.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlasteleggingen zijn als bijlagen aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

parketnummer: 16/659092-16

op 30 januari 2016 te Utrecht medewerkers van het Willem Arntsz Huis heeft bedreigd met een mes; en

parketnummer: 16/018065-16

1. op 25 januari 2016 te Utrecht, twee hoofdagenten van politie heeft beledigd;

2. op 25 januari 2016 te Utrecht, twee hoofdagenten van politie heeft bedreigd;

3. op 26 januari 2016 te Utrecht, medewerkers van het politiebureau heeft bedreigd;

4. op 31 december 2015 te Utrecht, medewerkers van het politiebureau heeft bedreigd;

5. op 30 december 2015 te Utrecht, munitie van categorie III voorhanden heeft gehad.

3 Voorvragen

De dagvaardingen zijn geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd alle in de zaken met parketnummers 16/018065-16 en 16/659092-16 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen te verklaren.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte van het onder 2 in de zaak met parketnummer 16/018065-16 ten laste gelegde moet worden vrijgesproken voor zover verdachte wordt verweten dat hij tegen [A] en/of [B ] heeft gezegd: “Ik maak jullie moeder, vader, vrouw en kinderen dood. Ik snijd hun keel door”. Met die woorden heeft hij namelijk die [A] [B ] niet zelf bedreigd.

Verdachte moet volgens de raadsvrouw ook worden vrijgesproken van het onder 4 ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 16/018065-16, dat hij medewerkers van het politiebureau Utrecht Zuid en/of [C] en /of [D] heeft bedreigd door tegen hen te zeggen: “Als ik vrijdag nog vastzit, zweer ik, gaan er minimaal vijf doden vallen. Ik blaas het politiebureau op want jullie beroven mij van mijn vrijheid.” De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte met die woorden de in de tenlastelegging genoemde personen niet de redelijke vrees kon aanjagen dat zij het leven zouden verliezen. Het was voor verdachte namelijk feitelijk onmogelijk om aan die bedreiging uitvoering te geven, zolang hij vastzat.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

parketnummer 16/659092-16

Aangeefster [aangeefster 1] heeft over de ten laste gelegde bedreiging, zakelijk weergegeven, het volgende verklaard.

Op 30 januari 2016 was ik als verpleegkundige werkzaam in de Lange Nieuwstraat 119 in Utrecht. Ik zag dat [verdachte] opvallend druk en agressief was. Om die reden vroeg ik hem of hij medicatie nodig had. Toen zag ik dat [verdachte] een broodmes tevoorschijn haalde en hoorde ik hem zeggen dat hij mijn keel zou doorsnijden en zou neersteken. Ik voelde mij hierdoor echt bedreigd.2

[getuige 1] , die als getuige is gehoord, heeft over de ten laste gelegde bedreiging, zakelijk weergegeven, het volgende verklaard.

Op 30 januari 2016 was ik aan het werk in het Willem Arntsz Huis. Ik hoorde een collega tegen [verdachte] zeggen dat hij medicatie moest hebben. Ik zag dat [verdachte] een mes pakte, daarmee in onze richting wees en riep dat hij onze strot eraf zou snijden.3 Ik was bang dat hij dit echt zou doen.4

[getuige 2] , die als getuige is gehoord, heeft over de ten laste gelegde bedreiging, zakelijk weergeven, het volgende verklaard.

Ik was op 30 januari 2016 werkzaam in het Willem Arntsz Huis in Utrecht. Ik werd geroepen door een collega omdat een patiënt zijn medicatie niet wilde innemen. Ik zag dat het om een kale man ging met een getinte huidskleur. Ik zag dat hij een mes tevoorschijn haalde, hiermee naar mij en andere collega’s wees en zei: “Jullie gaan eraan”.5

[getuige 3] , die als getuige is gehoord, heeft over de ten laste gelegde bedreiging, zakelijk weergegeven, het volgende verklaard.

Ik was op 30 januari werkzaam in het Willem Arntsz Huis in Utrecht. Toen ik met een aantal collega’s de kamer binnenkwam hoorde ik [verdachte] zeggen: “Jullie gaan er allemaal aan. Er gaan koppen rollen.” Plotseling zag ik dat [verdachte] een mes tevoorschijn haalde en in onze richting wees.6 Hij riep toen: “Ik snij jullie koppen eraf. Er gaan koppen rollen”. Ik voelde mij hierdoor bedreigd, omdat ik de indruk had dat hij dit werkelijk zou doen.7

[getuige 4] , die als getuige is gehoord, heeft over de ten laste gelegde bedreiging, zakelijk weergegeven, het volgende verklaard.

Ik was op 30 januari 2016 aan het werk in het Willem Arntsz Huis in Utrecht. Ik hoorde een collega tegen [verdachte] zeggen dat hij zijn medicatie moest innemen. Ik hoorde [verdachte] zeggen dat hij dit niet wilde. Ik zag dat hij plotseling een broodmes pakte, hiermee in de richting van alle medewerkers wees en meerdere malen zei dat hij onze kelen zou doorsnijden en ons zou vermoorden.8

[getuige 5] , die als getuige is gehoord, heeft over de ten laste gelegde bedreiging, zakelijk weergegeven, het volgende verklaard.

Op 30 januari 2016 was ik aan het werk in het Willem Arntsz Huis in Utrecht. Ik werd verzocht om mee te lopen naar een patiënt die zijn medicijnen niet wilde innemen. Plotseling zag ik dat hij een mes tevoorschijn haalde en hiermee in de richting van het aanwezige personeel wees. Ik schrok hiervan. Ik hoorde de patiënt toen zeggen: “Ik snijd jullie kop eraf, ik vermoord jullie […].”9

parketnummer 16/018065-16

Feiten 1, 2 en 3

Op 25 januari 2016 hebben verbalisanten [B ] en [A] zich, vanwege een melding van geluidsoverlast, begeven naar de woning van verdachte in Utrecht.10 Toen zij daar waren aangekomen, hoorde verbalisant [B ] verdachte schreeuwen: “Jullie zijn de kankerpolitie. Vrouwen zijn niets en behoren tot niets. Ik weet waar je woont. Ik kom je keel doorsnijden.”11 Zij zag dat verdachte op de grond voor haar voeten spuugde.12 Ook hoorde zij verdachte roepen: "ik maak jullie dood, ik ga jullie opblazen, pas maar op ik blaas het politiebureau op".13 Verbalisant [A] heeft verdachte ook horen roepen dat hij hem de volgende keer dood ging schieten.14

Toen verbalisant [E] op 26 januari 2016 verdachte in de ophoudcel opzocht, hoorde hij verdachte zeggen: “De volgende keer zal ik boobytraps plaatsen en zal ik jullie opblazen.”15

Feit 4

Op 31 december 2015 begaven verbalisanten [C] en [D] zich naar het arrestantencomplex in Houten om verdachte te horen. Zij hoorden hem toen zeggen: “Als ik vrijdag nog vastzit, zweer ik, gaan er minimaal vijf doden vallen. Ik blaas het politiebureau op want jullie beroven mij van mijn vrijheid.”16 [F] heeft op 31 december 2015 namens zijn collega’s aangifte gedaan van de hiervoor genoemde bedreiging.17

Verdachte heeft hierover verklaard dat hij het niet zo had bedoeld, dat hij er spijt van heeft en dat hij boos was omdat hij nog vastzat op het politiebureau.18

Feit 5

Aangezien verdachte het onder feit 5 ten laste gelegde heeft bekend en de raadsvrouw geen vrijspraak heeft bepleit ten aanzien van dit feit, volstaat de rechtbank, met toepassing van artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering, met een opsomming van de bewijsmiddelen onder feit 5.

- Het proces-verbaal van bevindingen van 30 december 201519;

- Het proces-verbaal van bevindingen van 19 januari 201620 en

- De bekennende verklaring van verdachte ter zitting.21

De hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden worden slechts gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop deze blijkens de inhoud kennelijk betrekking hebben.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

parketnummer 16/659092-16

op 30 januari 2016 in Utrecht [aangeefster 1] en [getuige 1] en [getuige 2] en [getuige 3] en [getuige 4] en [getuige 5] (allen werkzaam bij het Willem Arntsz Huis) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een mes vastgehouden en dat mes aan die [aangeefster 1] en [getuige 1] en [getuige 2] en [getuige 3] en [getuige 4] en [getuige 5] getoond en (daarbij) die [aangeefster 1] en [getuige 1] en [getuige 2] en [getuige 3] en [getuige 4] en [getuige 5] dreigend de woorden toegevoegd: “Jullie gaan eraan.” en “Ik snij jullie kop(pen) eraf.” en “Er gaan koppen rollen.” en “Ik vermoord jullie.”;

parketnummer 16/018065-16

Feit 1

op 25 januari 2016 in Utrecht opzettelijk meer ambtenaren, [A] en [B ] (hoofdagenten van politie Eenheid Midden-Nederland), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in hun tegenwoordigheid,

mondeling heeft beledigd, door hun de woorden toe te voegen: "Kankerpolitie" en "Vrouwen zijn niets en behoren tot niets." en voor de voeten

van verbalisant [B ] te spugen;

Feit 2

op 25 januari 2016 in Utrecht [A] en [B ] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [A] [B ] dreigend de woorden toegevoegd: “Ik ga jullie opblazen.” “Ik blaas het politiebureau op.” “De volgende keer dat ik jou zie schiet ik je dood.” En “Ik weet waar je woont. Ik kom je keel doorsnijden.”, of woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

Feit 3

op 26 januari 2016 in Utrecht [E] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [E] dreigend de woorden toegevoegd: “De volgende keer zal ik boobytraps plaatsen en zal ik jullie opblazen.”;

Feit 4

op 31 december 2015 in Utrecht [C] en [D] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk [C] en [D] dreigend de woorden toegevoegd: “Als ik vrijdag nog vast zit, zweer ik, gaan er minimaal vijf doden vallen. Ik blaas het politiebureau op want jullie beroven mij van mijn vrijheid”;

Feit 5

op 30 december 2015 in Utrecht munitie van categorie III, te weten, één of meerdere scherpe patronen (kaliber 7,62mm Tokarev), voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar als

ten aanzien van parketnummer 16/659092-16

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd;

ten aanzien van parketnummer 16/018065-16

Feit 1

Eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of terzake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening, meermalen gepleegd;

Feit 2 en 4

Telkens: Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd;

Feit 3

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

Feit 5

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, strafbaar gesteld bij artikel 55, eerste lid, van de Wet wapen en munitie.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

In het dossier bevinden zich de verdachte betreffende Pro Justitia rapportages van S. van Es GZ-psycholoog en I.N.K. Aga-Kulijeva, psychiater.

Genoemde psycholoog komt in het rapport van 8 april 2016 tot de conclusie dat verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde als ontoerekeningsvatbaar moet worden beschouwd. Zij trekt die conclusie op basis van het volgende. Bij verdachte is er sprake van een manisch-psychotische ontregeling, vermoedelijk in het kader van een bipolaire stoornis met psychotische kenmerken. Die stoornis veroorzaakt bij hem een paranoïde gedachtengang, waarbij hij ook hallucinaties kan hebben. Verdachte was ten tijde van de ten laste gelegde feiten flink verhoogd prikkelbaar, opgewonden, geagiteerd en impulsief. Vanuit zijn paranoïde belevingen en achterdocht voelde hij zich tijdens zowel de bedreiging van de agenten als de bedreiging van de medewerkers van het Willem Arntsz Huis duidelijk bedreigd. Hij was de grip op zijn emoties en gedrag volledig verloren. Hierdoor was verdachte onvoldoende in staat om zijn gedragskeuzes en de consequenties van zijn gedrag op lange termijn te overzien. Hoewel hij wist dat zijn handelen niet door de beugel kon, was hij niet in staat om zijn wil in overeenstemming met dit inzicht te bepalen. De psycholoog adviseert daarom om verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar te verklaren.

Mevrouw Aga-Kuijeva, psychiater, komt in het rapport van 28 april 2016 tot de conclusie dat de ziekelijke stoornissen het gedrag van verdachte ten tijde van de ten laste gelegde feiten in wisselende mate beïnvloedde. Ze stelt vast dat verdachte:

  • -

    ten aanzien van de bedreiging van de verpleegkundigen van het Willem Arntsz Huis volledig ontoerekeningsvatbaar is;

  • -

    ten aanzien van de belediging en bedreiging van de verbalisanten verminderd toerekeningsvatbaar is, hoewel er ook sprake zou kunnen zijn van sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid, en

  • -

    ten aanzien van het voorhanden hebben van de munitie, in elk geval enigszins verminderd toerekeningsvatbaar moet worden verklaard.

De psychiater trekt die conclusie op basis van het volgende.

Verdachte is een ernstig disfunctionerende zwakbegaafde man met een psychotische stoornis NAO (niet anders omschreven). Het was voor de psychiater in een ambulante setting niet mogelijk om vast te stellen of het psychotisch gedrag ontstaat vanuit een bipolaire stoornis of vanuit een chronische psychose. Een psychose kan optreden in het kader van een schizofrenie, een schizoaffectieve stoornis of een bipolaire stoornis. De schommelingen kunnen echter ook het gevolg zijn van (wisselende) effecten van middelengebruik op genoemde stoornissen. Wel kon worden vastgesteld dat zijn gestoorde realiteitstoetsing hoe dan ook gevoelens van achterdocht, angst en agressie veroorzaakt.

De psychiater stelt vast dat de stoornissen van verdachte tijdens de bedreiging van de verpleegkundigen in volle omvang, en volledig, doorwerkten in zijn handelen. Voor dit feit adviseert zij verdachte dan ook volledig ontoerekeningsvatbaar te verklaren.

Ten aanzien van de belediging en bedreiging van de verbalisanten concludeert de psychiater dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaarheid moet worden geacht, hoewel er ook sprake kan zijn geweest van sterk verminderde toerekenvatbaarheid. Volledige doorwerking, in de zin dat verdachte toen geen ‘gezond’ besef meer had van het ongeoorloofde van zijn handelen, kan de psychiater niet onderbouwen. Volgens de psychiater weet verdachte dat zijn gedrag normaal gesproken niet toelaatbaar is. De stoornissen hadden echter een sterke invloed op zijn waarneming en interpretatie van de gebeurtenissen. Zijn agressieve gedrag kwam grotendeels vanuit zijn psychotische stoornis en zijn keuzevrijheid was zeer sterk beperkt door de onderliggende pathologie.

Voor wat betreft het voorhanden hebben van de munitie heeft de psychiater opgemerkt dat de context onduidelijker is. Verondersteld kan worden dat de stoornissen van verdachte in belangrijke mate hebben doorgewerkt. Dit kan echter niet worden onderbouwd omdat er te weinig toetsbare informatie is. Op basis van het algemeen beperkte niveau van functioneren dat structureel wordt beïnvloed door een paranoïd psychotische grondhouding, acht de psychiater verdachte voor dit feit in elk geval enigszins verminderd toerekeningsvatbaar.

De rechtbank stelt vast dat de adviezen en conclusies van de deskundigen over de psychische stoornissen en de mate van toerekeningsvatbaarheid van verdachte niet volledig overeenstemmen. Zij komen op hoofdlijnen wel tot vergelijkbare diagnoses. Zowel de psychiater als de psycholoog hebben bij verdachte een manisch-psychotische ontregeling vastgesteld. De psycholoog is alleen, anders dan de psychiater, van mening dat in de diagnose de stemmingscomponent (bipolaire stoornis) meer op de voorgrond moet staan.

De rechtbank neemt de conclusies en adviezen van de psycholoog over en maakt deze tot haar oordeel. Dit geldt ook voor de conclusies en adviezen van de psychiater, met dien verstande dat de rechtbank van oordeel is dat verdachte ten aanzien van alle bewezen verklaarde feiten volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden beschouwd. De rechtbank wijst in dit verband op de ondubbelzinnige conclusie van de psycholoog op dit punt. Daarbij komt dat de psychiater niet uitsluit dat verdachte in hogere mate ontoerekeningsvatbaar moet worden geacht dan zij in het rapport heeft kunnen vaststellen. Zij kan een volledige doorwerking van de stoornissen in het gedrag van verdachte ten tijde van alle bewezenverklaarde feiten niet onderbouwen. De rechtbank zal voor die onderbouwing steunen op het rapport van de psycholoog. Ten slotte stoelt de rechtbank haar oordeel op dit punt ook op het gedrag van verdachte zoals is waargenomen tijdens de zitting. Verdachte heeft zich ook toen in verwarde toestand aan haar gepresenteerd.

De rechtbank oordeelt op grond van het voorgaande dat de bewezen verklaarde feiten niet aan verdachte kunnen worden toegerekend en dat verdachte ter zake van de ten laste gelegde feiten niet strafbaar is, zodat hij zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen de maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van 1 jaar.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat verdachte niet op grond van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis moet worden geplaatst. De raadvrouw voert daartoe aan dat verdachte ook gedwongen kan worden opgenomen op grond van de Wet BOPZ. Om die reden acht zij het opleggen van een strafrechtelijke maatregel op grond van artikel 37 niet opportuun.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft, vanuit de waan dat hij een dodelijke injectie toegediend zou krijgen, een hele groep verpleegkundigen bedreigd met de dood. Bij eerdere aanhoudingen heeft hij verbalisanten beledigd en bedreigd.

Uit de verklaringen van de verpleegkundigen en de verbalisanten blijkt dat zijn gewelddadige gedrag veel indruk op hen heeft gemaakt.

De rapportages Pro Justitia als vermeld onder 7. houden onder meer als conclusie in dat verdachte manisch-psychotisch ontregeld is en dat aldus zijn realiteitszin is verstoord. De kans op recidive wordt vergroot vanwege zijn paranoïde gedachtes en impulsief gedrag dat ontstaat door het manisch-psychotische toestandsbeeld. Gezien de ernst van de problematiek, het gebrek aan ziekteinzicht en ziektebesef en het ontbreken van motivatie voor behandeling, is klinische behandeling noodzakelijk om de kans op recidive te verkleinen. Het advies van de deskundigen is een gedwongen opname in een psychiatrisch ziekenhuis, omdat is gebleken dat hij dit op vrijwillige basis niet zal doen. Gedurende die opname kan de diagnostiek verder worden verhelderd en kan verdachte worden ingesteld op medicatie.

De rechtbank heeft onder 7. reeds geoordeeld dat de bewezen verklaarde feiten wegens een ziekelijke stoornis van de geestvermogens niet aan verdachte kunnen worden toegerekend. De rechtbank is verder van oordeel dat verdachte door zijn stoornis een gevaar oplevert voor anderen, dan wel voor de algemene veiligheid van goederen of personen. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank een plaatsing van verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis, overeenkomstig artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht, voor de duur van één jaar geïndiceerd en de rechtbank zal deze maatregel dan ook aan verdachte opleggen.

Over het betoog van de raadsvrouw dat genoemde maatregel niet opportuun is omdat verdachte middels een BOPZ-traject moet worden opgenomen, overweegt de rechtbank het volgende. Beide deskundigen is gevraagd welke aanbevelingen van gedragsdeskundige en van andere aard te doen zijn en binnen welk juridisch kader die zouden kunnen worden gerealiseerd. Zij hebben beiden expliciet geadviseerd om verdachte met een strafrechtelijke last te plaatsen in een psychiatrische inrichting. De rechtbank ziet ook niet in waarom de civielrechtelijke last, die eerst tot stand kan komen nadat de procedure op grond van de Wet BOPZ is doorlopen, in het geval van verdachte voorliggend zou moeten zijn.

9 Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 8 februari 2016 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Midden-Nederland in de zaak met parketnummer 16/151288-15, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 27 oktober 2015 van de politierechter van de rechtbank Midden-Nederland, waarbij verdachte is veroordeeld tot een geldboete van € 750,-, met bevel dat van die straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis.

Gelet hierop kan de vordering worden toegewezen. De rechtbank zal hiertoe echter niet besluiten. De tenuitvoerlegging wordt op dit moment niet opportuun geacht, omdat verdachte op grond van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis wordt geplaatst.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 37, 39, 57, 266, 267, 285 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde en op de reeds aangehaalde artikelen.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

11 Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van parketnummer 16/659092-16

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd;

ten aanzien van parketnummer 16/018065-16

Feit 1

Eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of terzake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening, meermalen gepleegd;

Feit 2en 4

Telkens: Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd;

Feit 3

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

Feit 5

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, strafbaar gesteld bij artikel 55, eerste lid, van de Wet wapen en munitie.

Strafbaarheid

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte niet strafbaar ten aanzien het bewezen verklaarde en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging

Oplegging van de maatregel

Gelast de plaatsing van verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis voor de termijn van maximaal 1 jaar.

Vordering tenuitvoerlegging 16/151288-15

Wijst de vordering af.

Dit vonnis is gewezen door

mr. S.B. Smit-Colenbrander, voorzitter,

mrs. A.J.P. Schotman en M.S. Mehilal, rechters,

in tegenwoordigheid van A. Heijboer, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 mei 2016.

mr. S.B. Smit-Colenbrander is verhinderd dit vonnis mee te ondertekenen.

BIJLAGE : De tenlastelegging

Aan [verdachte] wordt ten laste gelegd dat

16/659092-16

hij op of omstreeks 30 januari 2016 te Utrecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland, [aangeefster 1] en/of [getuige 1] en/of [getuige 2] en/of [getuige 3] en/of [getuige 4] en/of [getuige 5] (allen werkzaam bij het Willem Arentzhuis) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een (brood)mes vastgehouden en/of dat (brood)mes aan die [aangeefster 1] en/of [getuige 1] en/of [getuige 2] en/of [getuige 3] en/of [getuige 4] en/of [getuige 5] getoond en/of (daarbij) die [aangeefster 1] en/of [getuige 1] en/of [getuige 2] en/of

[getuige 3] en/of [getuige 4] en/of [getuige 5] dreigend de woorden toegevoegd:

"Jullie gaan eraan" en/of "Ik snij jullie kop(pen) eraf" en/of "Er gaan koppen rollen" en/of "Ik vermoord jullie", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

16/018065-16

1.

hij op of omstreeks 25 januari 2016 te Utrecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland, opzettelijk één of meer ambtenaren, [A] en/of [B ]

(hoofdagenten van politie Eenheid Midden-Nederland), gedurende of ter zake van

de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, in zijn/haar/hun tegenwoordigheid,

mondeling heeft beledigd, door hem/haar/hun de woorden toe te voegen: "Kankerpolitie" en/of "Vrouwen zijn niets en behoren tot niets" en/of (vervolgens) voor de voeten, althans in

de richting van verbalisant [B ] te spugen, althans woorden en/of handelingen/feitelijkeheiden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

art 266 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 267 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 25 januari 2016 te Utrecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland, [A] en /of [B ] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [A] /of [B ] dreigend de woorden toegevoegd :

- " Ik ga jullie opblazen. Wacht maar af ik blaas het politiebureau op" en/of

- " De volgende keer dat ik jou zie schiet ik je dood" en/of

- " Ik weet waar je woont. Ik kom je keel doorsnijden" en/of

- " Ik maak jullie moeder, vader, vrouw en kinderen dood. Ik snij hun keel

door" en/of

- " ik maak je familie kapot, ik snij ze allemaal de keel door"

, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 26 januari 2016 te Utrecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland, [E] en/of de medewerkers van politiebureau Utrecht Zuid, heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [E] en/of de medewerkers van politiebureau Utrecht Zuid dreigend de woorden toegevoegd :

"De volgende keer zal ik boobytraps plaatsen en zal ik jullie opblazen",

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op of omstreeks 31 december 2015 te Utrecht, althans in het arrondissement

Midden-Nederland, de medewerkers van Politiebureau Utrecht Zuid en/of [C] en/of [D] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde medewerkers van Politiebureau Utrecht Zuid en/of [C] en/of [D] dreigend de

woorden toegevoegd :

- " Als ik vrijdag nog vast zit, zweer ik, gaan er minimaal vijf doden vallen.

Ik blaas het politiebureau op want jullie beroven mij van mijn vrijheid",

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

5.

hij op of omstreeks 30 december 2015 te Utrecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland, munitie van categorie III, te weten, één of meerdere (scherpe) patronen (kaliber 7,62mm Tokarev), voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in de aan de zaken ten grondslag liggende dossiers bevinden, volgens de in die dossiers toegepaste nummering. Het betreft in de zaak met parketnummer 16/659092-16 een dossier met nummer PL0900-2016032056-1 en in de zaak met parketnummer 16/018065-16 een dossier met nummer PL0900-2016027731. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344.1.5° Wetboek van Strafvordering, worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

2 Proces-verbaal van aangifte, blz. 22.

3 Proces-verbaal van verhoor, blz. 24.

4 Proces-verbaal van verhoor, blz. 25.

5 Proces-verbaal van verhoor, blz. 26.

6 Proces-verbaal van verhoor, blz. 28.

7 Proces-verbaal van verhoor, blz. 29.

8 Proces-verbaal van verhoor, blz. 30.

9 Proces-verbaal van verhoor van 30 januari 2016, blz. 32.

10 Proces-verbaal van bevindingen, d.d. 26 januari 2016, blz. 41.

11 Proces-verbaal van aangifte van 26 januari 2016, blz. 39.

12 Proces-verbaal van aangifte van 26 januari 2016, blz. 39.

13 Proces-verbaal van aangifte van 26 januari 2016, blz. 42.

14 Proces-verbaal van aangifte van 26 januari 2016, blz. 44.

15 Proces-verbaal van aangifte van 26 januari 2016, blz. 52.

16 Proces-verbaal van bevindingen van 26 januari 2016, blz. 6.

17 Het proces-verbaal van aangifte van 31 december 2015, blz.35.

18 Proces-verbaal van verhoor van 1 januari 2016, blz. 38.

19 Proces-verbaal van bevindingen van 30 december 2015, blz. 8.

20 Proces-verbaal van bevindingen van 19 januari 2016, blz. 1 en 2 (opgenomen in dossier na p. 23).

21 Proces-verbaal van de zitting van 3 mei 2016.