Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:4299

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
20-05-2016
Datum publicatie
28-07-2016
Zaaknummer
16/994020-13 (P)
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2018:5371, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mega-onderzoek Mount Nepal. Medewerkers van SNSPF hebben onderling betalingsafspraken gemaakt, waarbij een deel van de uurvergoeding van SNSPF werd doorbetaald aan andere SNSPF-medewerkers. Daarbij werden valse facturen opgemaakt. Verdachte was hierbij als rechtspersoon betrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/994020-13 (P)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 20 mei 2016

in de strafzaak tegen

[bedrijf 1] ,

gevestigd te [adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 1 december 2015 (regie), 21, 22, 24 (inhoudelijke behandeling) en 29 maart 2016 (requisitoir), 4 (pleidooi) en 7 april 2016 (repliek, dupliek en laatste woord verdachte) en 9 mei 2016 (sluiting onderzoek).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie en van wat namens verdachte (hierna ook te noemen: [bedrijf 1] ) door haar bestuurder de heer [naam] en haar [A] , mr. J.W. Soeteman, naar voren is gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is aan dit vonnis gehecht (Bijlage I).

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte -al dan niet samen met anderen- betrokken is geweest bij het valselijk opmaken van facturen (feit 1), zich schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen (feit 2) en heeft deelgenomen aan een criminele organisatie (feit 3).

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en het Openbaar Ministerie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officieren van justitie hebben gevorderd alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen te verklaren.

De officieren van justitie hebben een aantal uitdrukkelijk onderbouwde standpunten naar voren gebracht, die zullen worden besproken bij de bewijsoverwegingen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit.

De raadsman heeft een aantal verweren gevoerd, die zullen worden besproken bij de bewijsoverwegingen.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Valsheid in geschrift en gewoontewitwassen

[naam]
is sinds de oprichting in 2006 enig aandeelhouder van [bedrijf 1] welke vennootschap enig aandeelhoudster is van [bedrijf 2] sinds de oprichting in 2006 en van [bedrijf 3] sinds de oprichting op 21 september 2010 (hierna respectievelijk: [bedrijf 2] en [bedrijf 3] ). De vennootschappen zijn zowel statutair als feitelijk gevestigd te Hilversum, met uitzondering van [bedrijf 3] dat feitelijk gevestigd is in Utrecht. [naam] is bestuurder van de drie vennootschappen.1

Op 25 juni 2009 sluiten [bedrijf 4] (hierna: [bedrijf 4] ), [bedrijf 5] en [bedrijf 2] , vertegenwoordigd door [naam] , een overeenkomst van opdracht waarbij [naam] wordt aangesteld als directieadviseur.2 Bij addendum van 27 oktober 2011 is het contract verlengd tot en met 312 december 2012 en is [naam] aangesteld als “Lid van de directie, Chief Restructuring Officer” (CRO).3

Introductie externen
[naam] was als externe medewerker werkzaam op de afdeling Restructuring & Recovery van [bedrijf 4] en heeft na zijn aanstelling meerdere andere externe medewerkers geïntroduceerd, te weten onder meer:

  • -

    [A] ,

  • -

    [B] ,

  • -

    [C] ,

  • -

    [D] (hierna: [D] ), en

  • -

    [E] .4

[naam] bevestigt voornoemde externen uit zijn eigen netwerk te hebben aangedragen bij [bedrijf 4] .5 Ten aanzien van [B]6, [C]7, [D]8 en [E]9 heeft [naam] de tarieven en contracturen bepaald. [naam] heeft alle eerste en aanvullende overeenkomsten van opdracht medeondertekend.10

[D]
heeft verklaard dat [naam] haar eerste klant was. Zij verzorgde sinds 2009 de administratie van zijn persoonlijke vennootschappen [bedrijf 1] en [bedrijf 2] en later ook van [bedrijf 3] .11 De facturen die vanuit deze vennootschappen zijn verstuurd, heeft [D] opgemaakt.12 Voor het opmaken van de facturen gaf [naam] de factuurbedragen en omschrijvingen aan haar door.13

Ook [naam] heeft verklaard dat [D] de administratie verrichtte voor zijn vennootschappen, waaronder het opmaken van facturen. Dit deed zij met input van [naam] .14

Met ingang van 1 juli 2010 is [D] eerst via haar eenmanszaak en later via haar vennootschap voor [bedrijf 4] gaan werken op basis van een overeenkomst van opdracht.15 Zij is door [naam] gevraagd om bij [bedrijf 4] te komen werken16, aldus [D] , en is ondersteunende werkzaamheden gaan verrichten voor [A] en [naam] .17 Ook andere externen zijn via [naam] aangetrokken, te weten [A] , [E] , [C] en [B] .18 [naam] was werkzaam als CRO. Onder andere [A] , [B] en [C] werkten direct onder hem.19

[E]
Door de vennootschappen van [naam] is gefactureerd aan de eenmanszaak van [E] , [bedrijf 6] . Een deel van deze facturen waren afkomstig van [bedrijf 1] . Deze facturen zijn door [bedrijf 6] in de periode van 16 augustus 2010 tot en met 14 december 2011 voldaan, te weten een bedrag van € 16.687,50 (exclusief btw).20

[E] heeft verklaard dat toen hij begon met zijn werkzaamheden voor [bedrijf 4] [naam] heeft aangegeven dat hij het logisch vond dat hij een gedeelte van het uurtarief van [E] betaald zou krijgen.21 Deze betaling was deels voor het aanbrengen van de opdracht. Het was gekoppeld aan het aantal door [E] bij [bedrijf 4] gewerkte uren.22

[E] heeft voor de betaling hiervan facturen ontvangen van [naam] . De omschrijving hierop komt volgens [E] niet helemaal overeen met de afspraak die gemaakt was.23 [naam] heeft over deze omschrijving verklaard dat hier detacheringsfee gelezen dient te worden.24

[naam] heeft deze geldstroom niet gemeld bij [bedrijf 7]25 en alle door hem / zijn vennootschappen verzonden en betaalde facturen zijn verwerkt in de administratie van die vennootschappen.26

Aanvullende bewijsmiddelen: gewoontewitwassen

Bestemming ontvangsten
[naam] heeft via zijn vennootschappen in de periode van 16 augustus 2010 tot en met 4 juli 2012 voornoemde gefactureerde betalingen ontvangen van de eenmanszaken / vennootschappen The Office Managementondersteuning, The Office Management BV, AFD, ACD, [bedrijf 8] , [bedrijf 6] , [bedrijf 9] , [bedrijf 10] , [bedrijf 11] en [bedrijf 12] .27

Deze bedragen (inclusief btw) zijn op de volgende rekeningen ontvangen:

  • -

    [bedrijf 3] € 1.087.839,-

  • -

    [bedrijf 1] € 19.858,-

  • -

    [bedrijf 2] € 23.205,-28

Vanaf de rekening van [bedrijf 3] worden in deze periode overboekingen gedaan naar de rekening van [bedrijf 1] . Volgens de rekeningafschriften van [bedrijf 1] is op 24 januari 2011 sprake van debetstand. Nadat op 25 januari 2011 € 50.000,- wordt overgeboekt vanaf de rekening van [bedrijf 3] wordt op 26 januari 2011 door [bedrijf 1] een totaalbedrag van € 34.760,- overgeboekt aan de Belastingdienst.29

De hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden worden slechts gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop deze blijkens de inhoud kennelijk betrekking hebben.

4.3.2

Korte samenvatting feiten en omstandigheden

Voor de leesbaarheid van dit vonnis volgt hier een korte samenvatting van de opgesomde bewijsmiddelen.

[naam] heeft verschillende personen benaderd om werkzaamheden te gaan verrichten voor [bedrijf 4] . Vervolgens zijn overeenkomsten van opdracht gesloten tussen de vennootschappen van deze personen en [bedrijf 4] . Op enig moment is de afspraak gemaakt om een deel van het uurtarief dat deze personen ontvingen af te dragen aan [naam] , die hen had aangebracht bij [bedrijf 4] . Door [naam] zijn vervolgens facturen gestuurd ter verkrijging van deze afdracht. De omschrijving op de facturen had als strekking: advieswerkzaamheden. De facturatie en betalingen verliepen via de betrokken vennootschappen, waaronder [bedrijf 1] . [bedrijf 4] was van dit alles niet op de hoogte.

De rechtbank zal in de volgende paragrafen uitwerken of vorenstaande bewijsmiddelen tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde strafbare feiten dienen te leiden.

4.3.3

Bewijsoverwegingen

Algemeen

Vervolging rechtspersonen en/of natuurlijke personen
De rechtbank overweegt allereerst dat de vervolging of het daderschap van een rechtspersoon de vervolging of het daderschap van natuurlijke personen niet uitsluit. Het staat het Openbaar Ministerie in beginsel vrij te beslissen of de rechtspersoon en/of de natuurlijke persoon op grond van het eigen daderschap wordt vervolgd (HR 21-10-1986, NJ 1987, 362 en ECLI:NL:PHR:2007:BA7261). De stelling dat het daderschap van een rechtspersoon daderschap van een natuurlijk persoon uitsluit, vindt in zijn algemeenheid geen steun in het recht.

Toerekening aan rechtspersonen
Daarnaast is voor de onderstaande overwegingen van belang dat een rechtspersoon (in de zin van artikel 51 Sr) kan worden aangemerkt als dader van een strafbaar feit indien de betreffende gedraging redelijkerwijs aan hem kan worden toegerekend. Een belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon (ECLI:NL:HR:2003:AF7938).

Valsheid in geschrift

Valsheid facturen
Door de verdediging is betoogd dat de facturen niet vals zijn omdat -kort gezegd- beide partijen wisten wat de onderliggende prestatie was, de omschrijving voldoende juist is en de gefactureerde bedragen niet te hoog zijn.

Hierna zal eerst worden ingegaan op de stelling van de verdediging betreffende de aard van de betalingen van [E] . De rechtbank volgt de verdediging daarin niet.

[naam] – [E] (advisering)
Door de verdediging is een beroep gedaan op de verklaring van [E] dat een deel van de betaling zag op advies dat hij van [naam] kreeg. [naam] verwijst daarbij naar een e‑mail van 3 oktober 2010 (D-0591), waarin staat vermeld dat [naam] door [E] is aangezocht als adviseur van zijn onderneming.

De rechtbank acht het niet aannemelijk dat een deel van de betalingen van [E] betrekking had op advisering. In de eerste plaats lopen de verklaringen van [E] en [naam] over de gestelde advisering, de betaling ervan en de afspraken die per e-mail zouden zijn verzonden uiteen. De rechtbank hecht ook geen waarde aan de door [naam] gestuurde e‑mail. Vóór het versturen van deze e-mail -met een opdrachtbevestiging- heeft immers al facturatie plaatsgevonden. Bovendien komt de wijze van facturatie ná deze e-mail niet overeen met de afspraken die in de e-mail worden genoemd. De facturatie na oktober 2010 vindt namelijk niet steeds op kwartaalbasis plaats. Over de advisering zelf verklaart [E] dat de advisering heel beperkt is geweest, in totaal hooguit 20 uur. Als al sprake zou zijn van advisering dan staat dit aantal uren, naar het oordeel van de rechtbank, in geen verhouding tot het bedrag dat door [E] aan [naam] is betaald, namelijk ruim € 45.000,- (exclusief btw). [E] heeft ook verklaard dat er geen concrete afspraken waren, er geen sprake was van een uitgebreid advies, maar dat er in de gesprekken die hij met [naam] had ook een stukje coaching als component zat. Voor zover al sprake was van advisering, acht de rechtbank gelet op al deze omstandigheden dit advies zo marginaal dat niet kan worden gesproken van declarabel advies. De rechtbank beoordeelt het gehele bedrag dat door [E] is betaald dan ook als betrekking hebbend op enerzijds het feit dat [E] door [naam] is gaan werken bij [bedrijf 4] en anderzijds op het in stand houden van een goede relatie met [naam] . Ook bij [E] en [naam] was sprake van een hiërarchische relatie. [E] heeft bij zijn aanstelling het uurtarief besproken met [naam] en [naam] heeft uiteindelijk zijn uurtarief vastgesteld. De afdracht van [E] aan [naam] kan daarom niet als (geheel) vrijwillig worden gezien. [naam] heeft met zijn verzoek bewust de aanmerkelijk kans aanvaard dat [E] hiermee in zou stemmen om de onderlinge relatie goed te houden.

Valse omschrijving werkzaamheden op de facturen
De rechtbank is van oordeel dat alle hiervoor besproken facturen, opgenomen in het bewijsoverzicht Bijlage II, valselijk zijn opgemaakt. Daarbij is van belang dat de facturen volgens de verdachten betrekking hadden op de betaling voor de onderling gemaakte afspraken. Anders dan de omschrijvingen op de facturen suggereren, werden met de facturen dan ook geen adviezen of andere werkzaamheden in rekening gebracht. De rechtbank acht immers de stelling dat sprake was van advieswerkzaamheden niet aannemelijk. Ook als gesteld wordt dat sprake was van detachering klopt de omschrijving advies niet. Aan de hand van de omschrijving op de facturen kan dus niet worden afgeleid op welke onderliggende afspraken en betalingen de facturen in werkelijkheid betrekking hadden. De facturen zijn opgemaakt ten behoeve van de verzwegen omkoping en de bijbehorende betaalstroom en zijn bedoeld om deze betalingen een titel te verschaffen. Met de opgenomen valse omschrijvingen is de werkelijke aard van deze betaalstroom verhuld.

Ook ten tijde van het (laten) opmaken van de facturen door [naam] had hij wetenschap van de aard van de betalingen waarop deze facturen betrekking hadden en had hij daarmee ten minste voorwaardelijk opzet op de valsheid hiervan. Hij heeft de aanmerkelijke kans op de valsheid van deze facturen willens en wetens aanvaard.

Bewijsbestemming als waren de facturen echt en onvervalst
De verdediging heeft ook betoogd dat geen sprake is geweest van een oogmerk om de facturen als echt en onvervalst te gebruiken. De facturen zijn wel gebruikt, maar de ontvanger is hierdoor niet misleid aangezien het zowel voor de opsteller als de geadresseerde duidelijk was waar de facturen op zagen.

De rechtbank overweegt hierover als volgt. Het oogmerk van de verdachte moet zijn gericht op het gebruik van het valse of vervalste geschrift als ware echt en onvervalst. Dit impliceert gerichtheid op misleiding. Dit betekent dat er derden in het spel moeten zijn, die niet van de valsheid op de hoogte zijn. Het gebruik van het geschrift hoeft niet daadwerkelijk plaats te vinden. Het verweer van de verdediging wordt verworpen, nu facturen naar hun aard reeds in het maatschappelijk verkeer (ook jegens derden) een bewijsbestemming hebben. Bovendien zijn de facturen in dit geval ook nog opgenomen in de bedrijfsadministratie(s) waarmee temeer vast staat dat de facturen bestemd waren voor het gebruik door derden -anderen dan de geadresseerden- als waren zij echt en onvervalst, bijvoorbeeld de fiscus en/of accountants (ECLI:NL:GHAMS:2015:1212). De rechtbank acht dan ook bewezen dat de facturen valselijk zijn opgemaakt met het oogmerk om deze als echt en onvervalst te (doen) gebruiken. Ook hebben de betalers deze door anderen opgemaakte valse facturen voorhanden gehad, terwijl zij wisten dat deze geschriften een zodanige bewijsbestemming hadden.

Medeplegen door vennootschap(pen)
De valsheid van de facturen en de hiermee verrichte handelingen, zoals ten laste gelegd, kunnen zowel aan [naam] als aan zijn vennootschappen worden toegerekend. Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat [naam] zelf samen met [D] de ten laste gelegde handelingen (zodoende als medepleger) heeft begaan. Omdat de ten laste gelegde gedragingen gelet op de gebezigde bewijsmiddelen- hebben plaatsgevonden en/of zijn verricht in de sfeer van de rechtspersonen worden deze ook aan hen (als medeplegers) toegerekend.

Conclusie
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat [bedrijf 1] zich samen met [naam] , [D] en haar vennootschap heeft schuldig gemaakt aan het opmaken van valse facturen (feit 1).

Gewoontewitwassen

De verdediging heeft betoogd dat geen sprake is van gelden die verkregen zijn uit (voorafgaande) strafbare feiten. Indien de rechtbank wel tot een bewezenverklaring van een gronddelict komt dan is sprake van geld afkomstig uit een eigen misdrijf. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is het verwerven en voorhanden hebben hiervan niet strafbaar.

Illegale herkomst
De rechtbank stelt vast dat [naam] gedurende de ten laste gelegde perioden geldbedragen heeft ontvangen. Een deel hiervan, in totaal € 16.687,50 (exclusief btw), is gefactureerd en ontvangen via [bedrijf 1] . De rechtbank is van oordeel dat [bedrijf 1] dit geldbedrag heeft ontvangen, terwijl zij wist dat dit afkomstig was uit (passieve) niet-ambtelijke omkoping. Dit geldbedrag is immers afkomstig uit een door een ander begaan misdrijf, te weten de omkoping van [naam] . Deze betalingen zijn gefactureerd en ontvangen via zijn vennootschappen, waaronder [bedrijf 1] .

Witwashandelingen
Nu geen sprake is van een eigen misdrijf geldt de eis niet dat bij het verwerven en voorhanden hebben een extra verhullende handeling moet zijn verricht. De rechtbank acht de hierna te noemen witwashandelingen wettig en overtuigend bewezen.

[bedrijf 1] heeft de beschikking gehad over het uit misdrijf afkomstige geldbedrag en heeft dit geld daarmee voorhanden gehad. Daarnaast is sprake van het verwerven van dit geldbedrag. [bedrijf 1] heeft het geld verworven door middel van de valse facturen die door haar zijn opgemaakt. Daarmee heeft zij tevens de werkelijke aard van het door haar ontvangen geld verhuld.

[naam] heeft verklaard dat hij de facturen die hij vanuit [bedrijf 1] verstuurde ook heeft verwerkt in zijn administratie. Door deze handeling is de aard van de ontvangen geldbedragen blijvend verhuld. De facturen met een onjuiste omschrijving die in de administratie van de vennootschap zijn opgenomen, suggereerden dat de geldbedragen op deze facturen uitsluitend een legale aard hadden. De illegale aard van de betalingen is door [bedrijf 1] op deze wijze verhuld in de legale bedrijfsvoering.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat [bedrijf 1] de door haar ontvangen omkoopbedragen heeft witgewassen door deze te verwerven, voorhanden te hebben en de werkelijke aard hiervan te verhullen.

Daarnaast wordt op grond van de voornoemde bewijsmiddelen vastgesteld dat een deel van de ontvangen geldbedragen (van onbekende hoogte) ook is omgezet en/of is overgedragen en/of dat hiervan gebruik is gemaakt. Het ontvangen geld is -ten minste deels- gebruikt en is daarmee in het financiële en economische verkeer gebracht.

Pleegperiode en gewoonte
Witwassen moet worden beschouwd als een voortdurend delict. Dit brengt mee dat de pleegperiode doorloopt zolang de verdachten ten aanzien van deze geldbedragen nog steeds witwashandelingen verrichten (ECLI:NL:HR:2014:956). Dat deze handelingen nog altijd voortduren of worden verricht kan echter aan de hand van het dossier niet worden vastgesteld. Daarbij acht de rechtbank het in dit geval ook rechtens niet juist om de pleegperiode tot heden door te laten lopen. Het voorhanden hebben en verhullen van de werkelijke aard loopt door zolang verdachten de beschikking hadden over de geldbedragen. Het specifieke moment waarop zij -bijvoorbeeld door gebruik- niet meer over de geldbedragen konden beschikken, is niet vast te stellen aan de hand van het dossier. Daarom wordt in het voordeel van verdachten aangesloten bij data waarvan gesteld kan worden dat zij in de periode daaraan voorafgaand in ieder geval hebben kunnen beschikken over de geldbedragen en in welke periode ook omzetting/overdraging/gebruik heeft plaatsgevonden.

Vastgesteld kan worden dat de witwashandelingen in ieder geval hebben plaatsgevonden voorafgaand aan de aanhouding van [naam] op 12 februari 2013. Niet blijkt dat verdachte of een ander na de datum van zijn aanhouding nog over dit geld kon beschikken of ten aanzien hiervan witwashandelingen heeft verricht. Om te kunnen witwassen moet verdachte kunnen beschikken over het van misdrijf afkomstige voorwerp. Het einde van de pleegperiode wordt daarom vastgesteld op 12 februari 2013.

De rechtbank is ten slotte van oordeel dat, gelet op de bewezenverklaarde periode, de hoeveelheid witgewassen geldbedragen en de verschillende verrichte witwashandelingen, de verdachten van witwassen een gewoonte hebben gemaakt.

Medeplegen door vennootschap(pen)
Het gewoontewitwassen van de ten laste gelegde geldbedragen wordt zowel voor [naam] als voor zijn vennootschappen bewezen verklaard. Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat [naam] zelf de ten laste gelegde handelingen (zodoende als medepleger) heeft begaan. Omdat de ten laste gelegde gedragingen gelet op de gebezigde bewijsmiddelen- hebben plaatsgevonden en/of zijn verricht in de sfeer van de rechtspersonen worden deze ook aan hen (als medeplegers) toegerekend.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat [bedrijf 1] zich samen met [naam] heeft schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen van de ten laste gelegde totaalbedragen in de voornoemde pleegperiode (feit 2).

4.3.4

Vrijspraak

Criminele organisatie

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de gebezigde bewijsmiddelen, in niveau 1 sprake is geweest van een intensieve samenwerking tussen [naam] en degenen die aan hem betaalden. Het oogmerk was gericht op de passieve en actieve niet-ambtelijke omkoping, de hiermee samenhangende valsheid in geschrift en het gewoontewitwassen. [naam] heeft niet alleen wetenschap gehad van dit oogmerk maar hij heeft ook een aandeel gehad in de gedragingen die strekken tot de verwezenlijking hiervan. Een criminele organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr dient evenwel te bestaan uit minimaal twee deelnemers. [E] was slechts betrokken als betaler (actieve omkopers) en ontvanger van de bijbehorende valse facturen. Uit het dossier blijkt niet dat hij op de hoogte waren van meerdere -door [naam] geïnitieerde- omkopingen. Om die reden kan niet bewezen worden dat hij het opzet heeft gehad op deelneming aan een criminele organisatie. Ditzelfde geldt voor de andere “betalers” genoemd in de tenlastelegging.

Voor [D] ligt dit, wat de rechtbank betreft, anders. Omdat zij de facturen voor [naam] maakte, had zij niet alleen het voorwaardelijk opzet op de valsheid ervan, maar had zij ook moeten vermoeden dat [naam] zich door anderen liet omkopen. Dit is echter onvoldoende voor bewezenverklaring van deelname aan een criminele organisatie, omdat daarvoor onvoorwaardelijk opzet op het oogmerk van die organisatie is vereist. Op basis van de bewijsmiddelen kan dit onvoorwaardelijk opzet niet worden bewezen zodat niet bewezen kan worden dat [D] heeft deelgenomen aan een criminele organisatie in niveau 1.

Geen van de betrokken natuurlijke personen kan dus worden aangemerkt als deelnemer van een criminele organisatie van [naam] . Hoewel ook rechtspersonen kunnen deelnemen aan een criminele organisatie is de rechtbank van oordeel dat in dit geval de vennootschappen van [naam] , waaronder [bedrijf 1] , zelf niet kunnen worden aangemerkt als separate deelnemers. [naam] had volledige zeggenschap over deze vennootschappen en heeft alle aan hen toe te rekenen fysieke handelingen zelf verricht. Omdat geen andere natuurlijke personen binnen deze vennootschappen een eigen intellectuele bijdrage hebben geleverd, worden [naam] en zijn vennootschappen samen niet aangemerkt als een criminele organisatie. De rechtbank zal daarom ook [bedrijf 1] (en [naam] en zijn andere vennootschappen) vrijspreken van deelneming aan een criminele organisatie in niveau 1, zoals aan haar onder feit 3 ten laste gelegd.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.3 genoemde bewijsmiddelen feit 1 (valsheid in geschrift) en feit 2 (gewoontewitwassen) wettig en overtuigend bewezen.

De volledige bewezenverklaring is opgenomen in Bijlage III van dit vonnis.

De rechtbank spreekt verdachte vrij van hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan in deze bijlage is bewezen verklaard.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar als

Feit 1: Medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, begaan door een rechtspersoon;

Feit 2: Medeplegen van gewoontewitwassen, begaan door een rechtspersoon.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1

De eis van de officier van justitie

De officieren van justitie hebben gevorderd dat verdachte voor de door hen onder 1 en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 10.000,-.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft (ten aanzien van de vennootschappen van [naam] ) geen strafmaatverweer gevoerd.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte en de omstandigheden waaronder dit is begaan, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

[naam] heeft zich als [bedrijf 4] -medewerker laten omkopen door verschillende andere medewerkers van [bedrijf 4] . Om te voorkomen dat de afspraken aan het licht zouden komen, zijn valse facturen opgemaakt, waarmee de werkelijke aard van de betalingen werd verhuld. Deze facturatie en de betalingen verliepen onder meer via [bedrijf 1] , een vennootschap van [naam] . [bedrijf 1] heeft voor ruim € 16.000,- gefactureerd aan een medewerker van [bedrijf 4] . De ontvangen geldbedragen werden vervolgens witgewassen door deze in de administratie als legale inkomsten in te boeken en door de gelden in het financiële verkeer te brengen.

[bedrijf 1] heeft onder een schijn van legale bedrijfsvoering deelgenomen aan het financieel economisch verkeer. Daardoor is het vertrouwen dat in rechtspersonen moet kunnen worden gesteld, ondergraven. De rechtbank neemt dit [bedrijf 1] kwalijk.

De rechtbank heeft gelet op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 5 november 2015, waaruit blijkt dat [bedrijf 1] niet eerder is veroordeeld.

De rechtbank vindt oplegging van een geldboete passend. Bij de bepaling van de hoogte hiervan let de rechtbank in het bijzonder op de volgende omstandigheden. [bedrijf 1] heeft als mededader de omkoping van [naam] verhuld met de valse factuurstroom en het witwassen van de opbrengst. Hierbij was sprake van een intensieve samenwerking tussen de verdachte natuurlijke personen en hun vennootschappen waaronder [bedrijf 1] . Mede door deze organisatie hebben de omkopingsconstructies kunnen blijven voortbestaan. Ook [bedrijf 1] heeft hiermee een substantiële rol gehad in de criminele organisatie die zich bezig hield met omkoping, valsheid in geschrift en gewoontewitwassen.

Gelet op deze omstandigheden, de duur van de bewezen verklaarde periode en de hoogte van de ontvangen en betaalde bedragen acht de rechtbank een geldboete van € 5.000,- passend en geboden.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 23, 24, 47, 51, 57, 225, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde en op de reeds aangehaalde artikelen.

10 Beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak
Verklaart het onder feit 3 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bewezenverklaring
Verklaart bewezen dat verdachte het onder feiten 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Strafbaarheid
Het bewezen verklaarde levert op:

Feit 1: Medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, begaan door een rechtspersoon;

Feit 2: Medeplegen van gewoontewitwassen, begaan door een rechtspersoon.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Straf

Veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 5.000,- (zegge: vijfduizend euro en nul eurocent).

Dit vonnis is gewezen door

mr. A. van Maanen, voorzitter,

mr. drs. S.M. van Lieshout en mr. A.M.M.E. Doekes-Beijnes, rechters,

in tegenwoordigheid van mrs. M.C. van Reenen en K.M. Strijbos, griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 mei 2016.

BIJLAGE I: de tenlastelegging

Aan [bedrijf 1] is ten laste gelegd dat

1.

(niveau 1):

Zij in of omstreeks de periode van 31 juli 2010 tot en met 30 november 2011 te

Hilversum en/of Utrecht en/of Leusden en/of Sint-Michielsgestel, in elk geval

in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen,

vier (4), althans een of meer, factu(u)r(en) van haar, verdachte, en/of [naam]

gericht aan [E] (al dan niet handelend onder de naam " [bedrijf 6]

") ten bedrage van in totaal circa Euro 16.687,50 (exclusief btw)

(te weten: D-0160 en/of D-0159 en/of D-0161 en/of D-0162),

zijnde telkens (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van

enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of doen opmaken en/of laten

opmaken en/of vervalst en/of doen vervalsen en/of laten vervalsen, immers

heeft/hebben zij, verdachte, en/of haar mededader(s) valselijk en/of in strijd

met de waarheid -zakelijk weergegeven-

op/in die factu(u)r(en vermeld dat door haar, verdachte, en/of [naam]

werkzaamheden en/of diensten (te weten: "advies kredietverlening" en/of

algemene coaching" en/of kennisoverdracht inzake privatebanking/effecten"

en/of "adviseurschap" en/of "Aquisitiestrategie") zijn verricht ten behoeve

van/voor [E] (al dan niet handelend onder de naam " [bedrijf 6]

"), terwijl in werkelijkheid die werkzaamheden en/of diensten niet,

althans niet in zijn geheel, door haar, verdachte, en/of [naam] zijn

verricht ten behoeve van/voor [E] (al dan niet handelend onder de naam

" [bedrijf 6] ")

en/of (telkens)

op/in die factu(u)r(en) (een) factuurbedrag(en) vermeld dat/die in

werkelijkheid geen, althans niet volledig, betrekking heeft/hebben op de in

die factu(u)r(en) vermelde(n) werkzaamheden en/of diensten,

zulks (telkens) met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en

onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken;

Artikel 225 lid 1 jo artikel 47/51 Wetboek van Strafrecht

art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

(niveau 1):

Zij in of omstreeks de periode van 16 augustus 2010 tot en met heden te

Hilversum en/of Leusden en/of Utrecht en/of De Meern, in elk geval in

Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(van) één of meer voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en) tot een

totaalbedrag van circa Euro 16.687,50 (exclusief btw) (zie: o.a. AH-049 en/of

AH-062) (ontvangen (van [E] ) op basis van de factu(u)r(en) D-0160

en/of D-0159 en/of D-0161 en/of D-0162), in elk geval enig(e) geldbedrag(en),

de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding

en/of de verplaatsing heeft/hebben verborgen/verhuld en/of heeft/hebben

verborgen/verhuld wie de rechthebbende op/het/de voorwerp(en)/geldbedrag(en)

was/waren en/of wie het/dat/die voorhanden heeft/hebben gehad

en/of dat/die voorwerp(en)/geldbedrag(en) voorhanden heeft/hebben gehad en/of

heeft/hebben verworven en/of heeft/hebben omgezet en/of heeft/hebben

overgedragen en/of van dat/die voorwerp(en)/geldbedrag(en) gebruik

heeft/hebben gemaakt,

terwijl zij, verdachte, en/of haar mededader(s) (telkens) wist(en) dat

dat/die voorwerp(en)/geldbedrag(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of

middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf,

terwijl zij, verdachte, en/of haar mededader(s), daarvan een gewoonte

heeft/hebben gemaakt;

Artikel 420bis/ter jo artikel 47/51 Wetboek van Strafrecht

art 420ter Wetboek van Strafrecht

art 420bis lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht

3.

(niveau 1):

Zij in of omstreeks de periode van 31 juli 2010 tot en met 11 februari 2013 te

Leusden en/of Sint-Michielsgestel en/of Hilversum en/of Utrecht en/of

Amsterdam en/of Haren (Groningen), in elk geval in Nederland, opzettelijk

heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een organisatieverband van

natuurlijke personen en/of rechtspersonen, bestaande uit o.a. haar, verdachte,

en/of [naam] en/of [D] en/of [C] en/of The

Office Management BV en/of [bedrijf 3] (" [bedrijf 3] ") en/of

[bedrijf 2] en/of [bedrijf 9] BV en/of [bedrijf 10] BV, welke

organisatie tot oogmerk heeft/had het plegen van misdrijven, namelijk onder

meer

-oplichting van [bedrijf 4] (met ingang van 1 januari 2014 genaamd

[bedrijf 13] ) en/of [bedrijf 14] (artikel 326 Wetboek van Strafrecht)

-verduistering in dienst betrekking bij [bedrijf 4] en/of [bedrijf 14]

(artikel 321/322 Wetboek van Strafrecht)

-actieve en/of passieve niet-ambtelijke omkoping (artikel 328ter Wetboek van

Strafrecht)

-(gewoonte)witwassen (artikel 420bis/ter Wetboek van Strafrecht)

-valsheid in geschrifte (artikel 225 Wetboek van Strafrecht);

Artikel 140 Wetboek van Strafrecht

art 140 lid 1 Wetboek van Strafrecht

BIJLAGE II: bewijsmiddelenoverzicht facturen

Nummer

Afkomstig van

Gericht aan

Omschrijving

Factuurdatum

Bedrag (excl. BTW)

Betaaldatum

D-0160

[bedrijf 1]

[bedrijf 6]

Advies kredietverlening, Algemene coaching,

Kennisoverdracht inzake privatebanking/effecten

31 juli 2010

€ 6.937,50

16 augustus 2010

D-0159

[bedrijf 1]

[bedrijf 6]

Adviseurschap Q3 2010

30 september 2010

€ 3.750,00

1 november 2010

D-0161

[bedrijf 1]

[bedrijf 6]

Acquisitiestrategie aug 2011

31 augustus 2011

€ 3.000,00

27 september 2011

D-0162

[bedrijf 1]

[bedrijf 6]

Acquisitiestrategie nov 2011

30 november 2011

€ 3.000,00

14 december 201130

Totaal: € 16.687,50

BIJLAGE III: de bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat [bedrijf 1]

Niveau 1

1.

in de periode van 31 juli 2010 tot en met 30 november 2011 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen,

vier (4) facturen van haar, verdachte, gericht aan [bedrijf 6] ten bedrage van in totaal Euro 16.687,50 (exclusief btw) (te weten: D-0160 en D-0159 en D-0161 en D-0162),

zijnde telkens een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of laten opmaken, immers hebben zij, verdachte, en haar mededaders valselijk en in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven-

op die facturen vermeld dat door haar, verdachte, en/of [naam] werkzaamheden en/of diensten (te weten: "advies kredietverlening" en/of algemene coaching" en/of kennisoverdracht inzake privatebanking/effecten" en/of "adviseurschap" en/of "Aquisitiestrategie") zijn verricht ten behoeve van/voor [E] (al dan niet handelend onder de naam " [bedrijf 6] "), terwijl in werkelijkheid die werkzaamheden en/of diensten niet door haar, verdachte, en/of [naam] zijn

verricht ten behoeve van/voor [E] (al dan niet handelend onder de naam " [bedrijf 6] ")

en telkens

op die facturen factuurbedragen vermeld die in werkelijkheid geen betrekking hebben op de in die facturen vermelde werkzaamheden en/of diensten,

zulks telkens met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken;

2.

in de periode van 16 augustus 2010 tot en met 12 februari 2013 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, van voorwerpen, te weten geldbedragen tot een totaalbedrag van Euro 16.687,50 (exclusief btw) ontvangen van [E] op basis van de facturen D-0160

en D-0159 en D-0161 en D-0162, de werkelijke aard heeft verhuld en die geldbedragen voorhanden heeft gehad en heeft verworven en/of heeft omgezet en/of heeft overgedragen en/of van die geldbedragen gebruik heeft gemaakt, terwijl zij, verdachte, en haar mededaders telkens wisten dat

die geldbedragen onmiddellijk afkomstig waren uit enig misdrijf, terwijl zij, verdachte, en haar mededaders, daarvan een gewoonte hebben gemaakt.

1 [bedrijf 1] : D-0167, [bedrijf 2] : D-1342 en [bedrijf 3] : D-0152

2 D-0186, pagina 2

3 D-0187, pagina 1

4 AH-059, pagina 5

5 V01-01, pagina 6

6 V01-02, pagina 3

7 V01-02, pagina 4

8 V01-02, pagina 4

9 V01-02, pagina 5

10 [A] : AH-060, pagina 10, [B] : AH-061, pagina 9, [C] : AH-063, pagina 11 en 12, [D] : AH059, pagina 8 en [E] : AH-062, pagina 7

11 V05-01, pagina 4

12 V05-02, pagina 3

13 V05-05, pagina 5

14 V01-02, pagina 5

15 AH-059, pagina 8

16 V05-01, pagina 4

17 V05-01, pagina 3

18 V05-01, pagina 6

19 V05-02, pagina 8

20 Bijlage II: bewijsmiddelenoverzicht facturen

21 Het proces-verbaal van verhoor getuige [E] bij de rechter-commissaris op 26 augustus 2015, pagina 4

22 Het proces-verbaal van verhoor getuige [E] bij de rechter-commissaris op 26 augustus 2015, pagina 5

23 Het proces-verbaal van verhoor getuige [E] bij de rechter-commissaris op 26 augustus 2015, pagina 14

24 V01-02, pagina 7

25 Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam] bij de rechter-commissaris op 11 februari 2016, pagina 7

26 V01-12, pagina 11-13

27 Bijlage II: bewijsmiddelenoverzicht facturen

28 AH-078, pagina 3

29 AH-078, pagina 7

30 AH-049, pagina 35