Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:4284

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
20-07-2016
Datum publicatie
28-07-2016
Zaaknummer
C/16/338073 / HA ZA 13-117
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2019:1060
Rechtsgebieden
Mededingingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Liftenkartel. Toepasselijk recht. Aansprakelijkheid moedervennootschappen. Onderbouwing cessies en vorderingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/338073 / HA ZA 13-117

Vonnis van 20 juli 2016

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

EAST WEST DEBT B.V.,

gevestigd te Bodegraven,

eiseres,

advocaat mr. J.M.K.P. Cornegoor te Haarlem,

tegen

1. de vennootschap naar het recht van de Verenigde Staten van Amerika

UNITED TECHNOLOGIES CORPORATION,

gevestigd te Hartford, Connecticut, Verenigde Staten van Amerika,

gedaagde,

advocaten mr. D.J. Beenders en mr. J.K. de Pree,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

OTIS B.V.,

gevestigd te Amersfoort,

gedaagde,

advocaten mr. D.J. Beenders en mr. J.K. de Pree,

3. de vennootschap naar het recht van de Zwitserse Bondsstaat

SCHINDLER HOLDING LTD.,

gevestigd te CH-6052 Hergiswil, Zwitserland,

gedaagde,

advocaten mr. J.S. Kortmann, mr. Ch.R.A. Swaak en mr. J.E.P.A. van Hooff,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SCHINDLER LIFTEN B.V.,

gevestigd te 's-Gravenhage,

gedaagde,

advocaten mr. J.S. Kortmann, mr. Ch.R.A. Swaak en mr. J.E.P.A. van Hooff,

5. de vennootschap naar het recht van de Bondsrepubliek Duitsland

THYSSENKRUPP A.G.,

gevestigd te 45143 Essen, Duitsland,

gedaagde,

advocaten mr. O.W. Brouwer, mr. J.K. van Hezewijk en mr. N. Lorjé,

6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

THYSSENKRUPP LIFTEN B.V.,

gevestigd te Capelle aan den IJssel,

gedaagde,

advocaten mr. O.W. Brouwer, mr. J.K. van Hezewijk en mr. N. Lorjé,

7. de vennootschap naar het recht van de Republiek Finland

KONE CORPORATION,

gevestigd te Espoo, Finland,

gedaagde,

advocaten mr. J.M. Luycks, mr. S.M. Peek en mr. S. Verschuur,

8. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

KONE B.V.,

gevestigd te Voorburg,

gedaagde,

advocaten mr. J.M. Luycks, mr. S.M. Peek en mr. S. Verschuur,

9. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MITSUBISHI ELEVATOR EUROPE B .V.,

gevestigd te Veenendaal,

gedaagde,

advocaat mr. Chr.F. Kroes.

Partijen zullen hierna worden genoemd:

 EWD,

 UTC, Otis, Schindler Holding, Schindler Liften, ThyssenKrupp A.G., ThyssenKrupp Liften, Kone Corporation, Kone, Mitsubishi,

 de Liftfabrikanten (gedaagden sub 2, 4, 6, 8 en 9),

 de Moedervennootschappen (gedaagden sub 1, 3, 5 en 7) en

 gedaagden (gedaagden gezamenlijk).

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

 het (aanvullende) incidentele vonnis van 26 februari 2014,

 de conclusie van antwoord van UTC en Otis, van Schindler Holding en Schindler Liften, van ThyssenKrupp A.G. en ThyssenKrupp Liften, van Kone Corporation en Kone en van Mitsubishi,

 de conclusie van repliek,

 de conclusie van dupliek van UTC en Otis, van Schindler Holding en Schindler Liften, van ThyssenKrupp A.G. en ThyssenKrupp Liften, van Kone Corporation en Kone en van Mitsubishi en

 de pleidooien en de ter gelegenheid daarvan overgelegde stukken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De Liftfabrikanten zijn aanbieders op de Nederlandse markt voor de aanschaf en de installatie, het onderhoud en de modernisering van liften (hierna: de Nederlandse markt). UTC is de (uiteindelijke) moedervennootschap van Otis, Schindler Holding die van Schindler Liften, ThyssenKrupp A.G. die van ThyssenKrupp Liften en Kone Corporation die van Kone.

2.2.

De Europese Commissie (hierna: de Commissie) heeft bij beschikking van 21 februari 2007, aangeduid met C (2007) 512 (hierna: de beschikking), vastgesteld dat gedaagden op de Nederlandse markt inbreuk hebben gemaakt op het kartelverbod zoals omschreven in artikel 81 EG1 (thans artikel 101 VWEU2). De vaststelling, verwoord in artikel 1 sub 4 van de beschikking, luidt als volgt:

“In respect of the Netherlands, the following undertakings have infringed Article 81 of the Treaty by regulary agreeing collectively, for the periods indicated, in the context of related national agreements and concerted practices concerning elevators and escalators to share markets, allocate public and private tenders and other contracts in accordance with the pre-agreed shares for the sale and installation and to refrain from competing with each other for maintenance and modernization contracts:

KONE: Kone Corporation and [Kone]: from June 1 1999 to March 5 2004;

Otis: [UTC][…] and [Otis]: from April 15 1998 to March 5 2004;

Schindler: [Schindler Holding] and [Schindler Liften]: [from] June 1 1999 to March 5 2004;

ThyssenKrupp: [Thyssenkrupp A.G.] and [ThyssenKrupp Liften]: from April 15 1998 to March 5 2004 and

[Mitsubishi]: from January 11 2000 to March 5 2004.”

2.3.

De Commissie heeft, zo blijkt uit artikel 2 sub 4 van de beschikking, voor de inbreuk op het kartelverbod op de Nederlandse markt aan Kone Corporation en Kone een boete opgelegd van € 79.750.000,00, aan Schindler Holding en Schindler Liften een boete van € 35.169.750,00, aan ThyssenKrupp A.G. en ThyssenKrupp Liften een boete van € 23.477.850,00 en aan Mitsubishi een boete van € 1.841.400,00. Aan UTC en Otis is door toepassing van de clementieregeling voor de inbreuk op het kartelverbod op de Nederlandse markt geen boete opgelegd.

2.4.

De Commissie heeft ook op de Belgische, Duitse en Luxemburgse liftmarkten inbreuken op het kartelverbod vastgesteld van vennootschappen die behoren tot het Otis-concern, het Schindler-concern, het ThyssenKrupp-concern en het Kone-concern. De Commissie heeft voor de inbreuken op het kartelverbod op de vier liftmarkten in totaal ongeveer 990 miljoen euro aan boetes opgelegd.

2.5.

UTC, Otis en andere vennootschappen van het Otis-concern, Schindler Holding, Schindler liften en andere vennootschappen van het Schindler-concern, ThyssenKrupp A.G., ThyssenKrupp Liften en andere vennootschappen van het ThyssenKrupp-concern en Kone en andere vennootschappen van het Kone-concern hebben tegen de beschikking beroep ingesteld bij het Gerecht van de Europese Unie. De beroepen zijn bij arresten van 13 juli 2011 verworpen, zij het dat de aan ThyssenKrupp A.G. en ThyssenKrupp Liften en andere vennootschappen van het ThyssenKrupp-concern opgelegde boetes zijn verlaagd.

3. Het geschil

3.1.

EWD stelt, samengevat, het volgende. De Liftfabrikanten, die toentertijd tezamen veruit het grootste deel van de Nederlandse markt in handen hadden, hebben de Nederlandse markt in de in artikel 1 onder 4 van de beschikking genoemde inbreukperiodes onderling verdeeld. De marktverdeling heeft tot gevolg gehad dat de aan afnemers berekende prijzen, met name de prijzen voor onderhoud van liften, aanmerkelijk hoger waren dan de prijzen die zouden gelden zonder marktverdeling. Door dit onrechtmatige handelen hebben 144 ziekenhuizen en andere zorginstellingen in Nederland (hierna: de Achterliggende partijen), die in en na de inbreukperiodes met de Liftfabrikanten contracten voor de aanschaf en de installatie, voor het onderhoud en voor de modernisering van liften hebben gesloten, schade geleden. De schade van de Achterliggende partijen ten gevolge van de kartelvorming bedraagt voor de inbreukperiode van 15 april 1998 tot en met 10 januari 2000 € 2.702.148,80 en voor de inbreukperiode van 11 januari 2000 tot en met 5 maart 2004 € 12.532.140,31. Door nawerking van de marktverdeling hebben de Achterliggende partijen ook in de periode van 6 maart 2004 tot en met 31 december 2007 schade geleden. Die schade bedraagt € 16.339.347,55. Gedaagden zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de voldoening van de schadebedragen. De Achterliggende partijen hebben hun schadevorderingen op gedaagden aan EWD gecedeerd.

3.2.

EWD vordert, samengevat:

  1. te verklaren voor recht dat gedaagden onrechtmatig hebben gehandeld jegens elk der Achterliggende partijen door de prijzen voor de aanschaf, de installatie, het onderhoud en de modernisering van liften op te drijven,

  2. te verklaren voor recht dat gedaagden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die de Achterliggende partijen als gevolg hiervan hebben geleden,

  3. UTC, Otis, Schindler Holding, Schindler Liften, ThyssenKrupp A.G., ThyssenKrupp Liften, Kone Corporation en Kone hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 2.702.148,80, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, met rente,

  4. gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 12.532.140,31, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, met rente,

  5. gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 16.339.347,55, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, met rente,

  6. gedaagden hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten, met rente.

3.3.

Gedaagden voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Toepasselijk recht

4.1.

De Moedervennootschappen stellen ieder voor zich dat de vorderingen voor zover tegen hen gericht niet moeten worden beoordeeld met toepassing van Nederlands recht, maar met toepassing van het recht van het land waarin zij zijn gevestigd, dus met toepassing van Amerikaans recht (UTC), van Zwitsers recht (Schindler Holding), van Duits recht (ThyssenKrupp) en van Fins recht (Kone Corporation).

4.2.

De rechtbank volgt deze stellingen niet. EWD heeft aan haar vorderingen voor zover tegen de Moedervennootschappen gericht primair ten grondslag gelegd dat de Moedervennootschappen, gelet op het feit dat er vrijwel gelijktijdig in vier lidstaten van de Europese Unie sprake was van liftenkartels met dochtervennootschappen van de Moedervennootschappen, bij de onrechtmatige handelingen betrokken moeten zijn geweest.

Voor de beoordeling welk recht moet worden toegepast, moet van deze grondslag worden uitgegaan. Anders dan de Moedervennootschappen menen, doet het er daarbij niet toe of EWD deze grondslag al dan niet voldoende heeft toegelicht.

4.3.

Het feit dat de vorderingen van EWD, voor zover die zijn gericht tegen de Moedervennootschappen, zijn gebaseerd op betrokkenheid bij onrechtmatige handelingen, betekent dat voor zover die handelingen op of na 1 juni 2001 hebben plaatsgevonden, de datum waarop de WCOD3 in werking trad, aan de hand van de WCOD moet worden beoordeeld welk recht moet worden toegepast. Omdat de door EWD gestelde onrechtmatige handelingen betrekking hebben op beperking van de mededinging op de Nederlandse markt, moet op grond van artikel 4 lid 1 WCOD Nederlands recht worden toegepast.

4.4.

Ook voor de gestelde onrechtmatige handelingen voor zover die vóór 1 juni 2001 hebben plaatsgevonden moet Nederlands recht worden toegepast en wel op grond van de zogenoemde lex loci delicti-regel. Die regel houdt in dat een vordering uit onrechtmatige daad, behoudens rechtskeuze, in beginsel wordt beheerst door het recht van het land waar de onrechtmatige daad heeft plaatsgevonden4. De gestelde onrechtmatige handelingen en ook de gestelde betrokkenheid van de Moedervennootschappen daarbij hebben in Nederland plaatsgevonden, zodat niet alleen op de vorderingen voor zover gericht tegen de Liftfabrikanten, maar ook op de vorderingen voor zover gericht tegen de Moedervennootschappen Nederlands recht moet worden toegepast. De stelling van de Moedervennootschappen dat voor zover hen iets verweten kan worden, het om gedragingen buiten Nederland gaat, maakt dat niet anders. Ook gedragingen van de Moedervennootschappen buiten Nederland, voor zover die er in dit kader zijn geweest, zijn erop gericht geweest om binnen Nederland een effect in het leven te roepen5. Ook indien en voor zover de gestelde betrokkenheid van de Moedervennootschappen alleen zou hebben bestaan uit het gedogen van de inbreukmakende gedragingen van hun Nederlandse dochtervennootschappen, de minst vergaande vorm van actieve betrokkenheid, heeft dat gedogen (mede) plaatsgevonden in Nederland, althans was dat erop gericht om binnen Nederland effect te sorteren.

Aansprakelijkheid Moedervennootschappen

4.5.

EWD heeft geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit (indien juist) betrokkenheid van de Moedervennootschappen bij de inbreuken op het kartelverbod kan worden afgeleid. Uit het enkele feit dat vrijwel gelijktijdig in vier lidstaten van de Europese Unie sprake was van liftenkartels waarbij dochtervennootschappen van de Moedervennootschappen betrokken waren, volgt die betrokkenheid niet. EWD heeft gesteld dat de kans dat de Moedervennootschappen niet bij de liftenkartels betrokken zijn geweest becijferd moet worden op een kans van tussen de 0,00003% en 0,0562%, dus buitengewoon klein. Daargelaten de waarde van een dergelijke berekening, betekent dit nog niet dat zonder meer van betrokkenheid kan worden uitgegaan. Alleen op basis van de berekening van een kans kan geen betrokkenheid bij een inbreuk worden vastgesteld. Daarvoor zijn feitelijke stellingen nodig en die ontbreken. De rechtbank merkt bij het voorgaande verder nog op dat de Commissie uitgaat van vier separate kartels. De primaire grondslag voor de vorderingen voor zover gericht tegen de Moedervennootschappen slaagt al hierom niet.

4.6.

EWD heeft subsidiair de volgende stellingen aan haar vorderingen voor zover gericht tegen de Moedervennootschappen ten grondslag gelegd. De in artikel 101 VWEU geschonden norm richt zich tot ondernemingen en niet tot rechtspersonen. Een onderneming is, zo blijkt uit rechtspraak van het Hof van Justitie, een economische eenheid die kan bestaan uit meerdere (rechts)personen, inclusief de moedervennootschap die het beleid van de onderneming kan bepalen. In dit geval maken, zo blijkt uit de beschikking, de Moedervennootschappen deel uit van ondernemingen die inbreuk hebben gemaakt op het kartelverbod. Zij zijn daarom mede aansprakelijk voor de schade ten gevolge van die inbreuk.

4.7.

Ook deze grondslag slaagt niet. Het Hof van Justitie heeft onder meer in de zaak Manfredi geoordeeld dat een ieder de nietigheid kan inroepen van een door (thans) artikel 101 VWEU verboden mededingingsregeling of onderling afgestemde feitelijke gedraging en, indien er een causaal verband bestaat tussen deze regeling of gedraging en de schade, schadevergoeding kan vorderen en dat het een aangelegenheid is van de interne rechtsorde van elke lidstaat om de regels vast te stellen voor de uitoefening van dit recht, met inbegrip van de regels voor de toepassing van het begrip “causaal verband”6. In Nederland zijn regels vastgesteld waardoor de mogelijkheid tot uitoefening van het recht op schadevergoeding wordt gewaarborgd. Voor de beoordeling of in dit geval het recht op schadevergoeding jegens de Moedervennootschappen kan worden uitgeoefend, geldt dus het Nederlandse recht. In het Nederlandse recht is een vennootschap in beginsel niet aansprakelijk voor schade die wordt veroorzaakt door een onrechtmatige daad van een andere vennootschap, ook niet wanneer die twee vennootschappen tot hetzelfde concern behoren. Slechts in uitzonderlijke situaties gaat dit uitgangspunt niet op; bijvoorbeeld in de (hier niet aan de orde zijnde) situatie zoals beschreven in artikel 2:11 BW.

4.8.

De rechtbank ziet verder geen grond voor de juistheid van het standpunt van EWD dat de Moedervennootschappen, ook al heeft de Commissie hun eigen betrokkenheid bij de inbreuk niet vastgesteld en ontbreekt daardoor het in het Nederlands recht vereiste causale verband, op grond van Europees recht toch aansprakelijk zijn, omdat zij deel uitmaken van ondernemingen in de zin van artikel 101 VWEU. Het Hof van Justitie lijkt er juist van uit te gaan dat een moedervennootschap waarvan niet is vastgesteld dat zij daadwerkelijk betrokken was bij de inbreuk, niet verplicht is tot betaling van schadevergoeding. De rechtbank wijst in dit verband op de zaak Bolloré SA e.a./Commissie7, die door een aantal Moedervennootschappen is aangehaald. In die zaak had de Commissie in de fase van de mededeling van de punten van bezwaar Bolloré SA alleen in de hoedanigheid van moedervennootschap aangesproken op een inbreuk op het kartelverbod. In de beschikking van de Commissie is Bolloré SA echter ook eigen betrokkenheid bij de inbreuk verweten. Bolloré SA heeft bij het Gerecht bezwaar gemaakt tegen het feit dat zij zich niet tegen dat verwijt heeft kunnen verdedigen, welk bezwaar het Gerecht heeft verworpen op de grond dat Bolloré SA als moedervennootschap toch al aansprakelijk kon worden gehouden. Advocaat‑Generaal Y. Bot heeft er vervolgens, samengevat, op gewezen dat het voor de beoordeling van de civiele aansprakelijkheid door de nationale rechter van belang is vast te stellen of en, zo ja, in welke mate Bolloré SA daadwerkelijk zelf bij de inbreuk van het kartelverbod was betrokken8. Het Hof van Justitie heeft vervolgens geoordeeld dat Bolloré SA de mogelijkheid moet hebben zich te verdedigen tegen het verwijt dat zij persoonlijk bij de inbreuk van het kartelverbod was betrokken en heeft om die reden het arrest van het Gerecht ten aanzien van Bolloré SA vernietigd.

4.9.

Uit de vernietiging blijkt dat het Hof van Justitie het van belang acht dat op een zorgvuldige wijze wordt vastgesteld of en, zo ja, in welke mate Bolloré SA zelf betrokken is geweest bij de inbreuk op het kartelverbod, ook al stond de aansprakelijkheid van Bolloré als moedervennootschap al vast. Dit lijkt niet anders te kunnen worden verklaard dan dat in de ogen van het Hof van Justitie de vaststelling dat Bolloré SA zelf betrokken is geweest bij de inbreuk een doorslaggevende rol speelt in het antwoord op de vraag of Bolloré, naast haar dochtervennootschappen, civielrechtelijk aansprakelijk kan worden gehouden voor vergoeding van schade ten gevolge van de inbreuk. De vernietiging was immers anders niet nodig geweest; de aansprakelijkheid van Bolloré SA op grond van haar hoedanigheid als moedervennootschap stond immers al vast.

4.10.

De rechtbank wijst op grond van de vorige overwegingen de vorderingen voor zover gericht tegen de Moedermaatschappijen af.

Onderbouwing cessie en vorderingen

4.11.

Er is in deze zaak veel geschreven en gezegd door partijen. Uit de beschikking van de Commissie volgt dat de Liftfabrikanten een inbreuk hebben gemaakt op het kartelverbod. Ze zijn daarvoor door de Commissie bestraft. Deze zaak dient niet om dat nog eens over te doen. Deze zaak dient om te beoordelen of de Liftfabrikanten civielrechtelijk aansprakelijk zijn voor de door de Achterliggende partijen ten gevolge van hun inbreuk op het kartelverbod geleden schade. Partijen werpen in deze zaak een veelheid aan rechtsvragen op, maar de beoordeling begint bij de vraag of de Achterliggende partijen slachtoffers zijn van het kartel en bij de vraag of mogelijke vorderingen van de Achterliggende partijen aan EWD zijn overgedragen. EWD heeft haar stellingen in dat verband onvoldoende feitelijk onderbouwd. Zo ontbreekt, zoals gedaagden ook terecht aanvoeren, concrete informatie en documentatie over de cessies en over welke Achterliggende partij wanneer welke zaken of diensten van welke Liftfabrikant heeft afgenomen. De weigering van EWD om concrete informatie te overleggen maakt dat de rechtbank moet beslissen om, in dit stadium al, de vorderingen van EWD af te wijzen. Gezien het verloop en de stand van het processuele debat krijgt EWD geen gelegenheid meer om, zoals zij heeft verzocht, die informatie alsnog in het geding te brengen.

4.12.

De rechtbank overweegt meer specifiek over de feitelijke onderbouwing van de stellingen van EWD als volgt. De cessieakten zijn bij dagvaarding niet in het geding gebracht. Gedaagden hebben bij de conclusies van antwoord uitdrukkelijk om overlegging van de cessieakten verzocht. EWD heeft bij de conclusie van repliek niet aan dat verzoek voldaan. Ook ter gelegenheid van de gehouden pleidooien heeft EWD, ondanks het feit dat gedaagden bij de conclusies van dupliek dit punt weer uitdrukkelijk aan de orde hadden gesteld, de cessieakten niet in het geding gebracht.

4.13.

Door de cessieakten niet over te leggen heeft EWD aan gedaagden, zoals zij ook hebben betoogd, de mogelijkheid ontnomen om vast te stellen of aan het aktevereiste voor de overdracht van de vorderingen van de Achterliggende partijen aan EWD is voldaan9. Gedaagden hebben, omdat EWD hen tot voldoening van de schadevorderingen aanspreekt, er belang bij om vast te kunnen stellen of de Achterliggende partijen die vorderingen daadwerkelijk (met die reikwijdte) aan EWD hebben overgedragen.

4.14.

EWD heeft overigens de cessieakten in de loop van het geding wel aan ThyssenKrupp A.G. en ThyssenKrupp Liften toegestuurd. Weliswaar hebben ThyssenKrupp A.G. en ThyssenKrupp Liften hierdoor kennis van de cessieakten kunnen nemen, maar dit geldt niet voor de overige zeven gedaagden. De verweren die ThyssenKrupp A.G. en ThyssenKrupp Liften hebben gevoerd met betrekking tot de cessieakten behoeven geen bespreking omdat de rechtbank ook op een andere grond tot afwijzing van de vorderingen komt.

4.15.

EWD heeft verder ook haar stelling dat de Achterliggende partijen liften en diensten van de Liftfabrikanten hebben afgenomen waarvan de prijs door de uitvoering van het kartel is geraakt, onvoldoende onderbouwd. EWD heeft ter onderbouwing van de door haar gestelde schade spreadsheets overgelegd10, waaruit volgens EWD de totaalbedragen aan prijzen voor de aankoop en de installatie, voor het onderhoud en voor de modernisering van liften van de Achterliggende partijen in de inbreukperiodes en in de periode van nawerking blijken. Ook heeft EWD twee rapporten van SEO Economisch Onderzoek te Amsterdam (hierna: SEO)11 overgelegd, waaruit volgens EWD blijkt met welk percentage de prijzen voor de aankoop en installatie van liften, met welk percentage prijzen voor het onderhoud van liften en met welk percentage prijzen voor modernisering van liften gemiddeld genomen door de kartelvorming zijn opgedreven. Door het totaalbedrag van elk van de drie prijzensoorten te vermenigvuldigen met het door SEO in algemene zin berekende percentage aan prijsopdrijving van de betreffende prijzensoort, wordt de schade per prijzensoort verkregen, aldus EWD.

4.16.

Daargelaten het antwoord op de vraag of de door EWD gehanteerde berekeningsmethodiek als zodanig geschikt is voor bepaling van mogelijke schade als hier aan de orde en daargelaten het antwoord op de vraag of de gehanteerde uitgangspunten van EWD (van SEO) juist zijn (gedaagden hebben zowel tegen de berekeningsmethodiek als tegen de uitgangspunten gemotiveerd verweer gevoerd), heeft EWD de bedragen die op de spreadsheets zijn vermeld, onvoldoende toegelicht. Zo wordt bij die bedragen niet vermeld op welke overeenkomsten zij precies betrekking hebben en wanneer en onder welke omstandigheden die overeenkomsten zijn gesloten. EWD had naar het oordeel van de rechtbank elk bedrag op de spreadsheets dat aan de schadeberekening ten grondslag is gelegd en dat dus naar de opvatting van EWD door de uitvoering van het kartel is geraakt, gedocumenteerd moeten toelichten. Het feit dat het om een grote hoeveelheid bedragen (en stukken) gaat, kan hier, anders dan EWD meent, niet aan afdoen. Dit feit komt voor rekening van EWD.

4.17.

Hier komt bij dat gedaagden er bij de conclusies van antwoord, de conclusies van dupliek en ter gelegenheid van de pleidooien telkens op hebben gewezen dat zij door de weigering van EWD om de bedragen gedocumenteerd toe te lichten, niet of zeer moeilijk in staat zijn op dit punt verweer te voeren, omdat zij de bedragen op de spreadsheets in hun administraties niet kunnen koppelen aan overeenkomsten en/of andere relevante documentatie. EWD heeft dit niet gemotiveerd betwist. Aan gedaagden wordt aldus de mogelijkheid ontnomen om in een gelijkwaardige positie deel te nemen aan het debat tussen partijen, waarbij gedetailleerde feiten en omstandigheden, waarover EWD en/of de Achterliggende partijen dus wel beschikken, maar gedaagden niet, in verband met het vereiste causale verband tussen de onrechtmatige handelingen enerzijds en de mogelijke schade anderzijds een cruciale rol vervullen.

4.18.

EWD heeft bij de conclusie van repliek documentatie van “vijf voorbeelden” in het geding gebracht12, dit zonder elk van die voorbeelden van een specifieke toelichting te voorzien. Gedaagden hebben bij de conclusies van dupliek gemotiveerd verweer tegen de voorbeelden gevoerd. EWD is bij de pleidooien niet op die verweren ingegaan. Gelet hierop kan ook voor de vijf voorbeelden niet worden geconcludeerd dat de Achterliggende partijen liften en diensten hebben afgenomen waarvan de prijs door de uitvoering van het kartel is geraakt.

4.19.

De overige verweren van gedaagden kunnen onbesproken blijven. EWD zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

4.20.

De kosten aan de zijde van UTC en Otis worden begroot op:

- griffierecht € 3.621,00

- salaris advocaat 12.844,00 (4,0 punten × tarief € 3.211,00)

Totaal € 16.465,00

4.21.

De kosten aan de zijde van Schindler Holding en Schindler Liften worden begroot op:

- griffierecht € 3.621,00

- salaris advocaat 12.844,00 (4,0 punten × tarief € 3.211,00)

Totaal € 16.465,00

4.22.

De kosten aan de zijde van Thyssenkrupp A.G. en Thyssenkrupp Liften worden begroot op:

- griffierecht € 3.621,00

- salaris advocaat 12.844,00 (4,0 punten × tarief € 3.211,00)

Totaal € 16.465,00

4.23.

De kosten aan de zijde van Kone Corporation en Kone worden begroot op:

- griffierecht € 3.621,00

- salaris advocaat 12.844,00 (4,0 punten × tarief € 3.211,00)

Totaal € 16.465,00

4.24.

De kosten aan de zijde van Mitsubishi worden begroot op:

- griffierecht € 3.621,00

- salaris advocaat 12.844,00 (4,0 punten × tarief € 3.211,00)

Totaal € 16.465,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt EWD in de proceskosten, aan de zijde van UTC en Otis tot op heden begroot op € 16.465,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 dagen na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt EWD, onder de voorwaarde dat zij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door UTC en Otis volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

 € 131,00 € 131,00 aan salaris advocaat, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na voormelde aanschrijving,

 € 131,00 te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en met de explootkosten van betekening van het vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na voormelde betekening,

5.4.

veroordeelt EWD in de proceskosten, aan de zijde van Schindler Holding en Schindler Liften tot op heden begroot op € 16.465,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 dagen na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.5.

veroordeelt EWD, onder de voorwaarde dat zij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door Schindler Holding en Schindler Liften volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

 € 131,00 € 131,00 aan salaris advocaat,

 € 131,00 te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en met de explootkosten van betekening van het vonnis,

5.6.

veroordeelt EWD in de proceskosten, aan de zijde van Thyssenkrupp A.G. en Thyssenkrupp Liften tot op heden begroot op € 16.465,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf zeven dagen na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.7.

veroordeelt EWD in de proceskosten, aan de zijde van Kone Corporation en Kone tot op heden begroot op € 16.465,00,

5.8.

veroordeelt EWD in de proceskosten, aan de zijde van Mitsubishi tot op heden begroot op € 16.465,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 dagen na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.9.

verklaart dit vonnis wat betreft 5.2, 5.3, 5.4, 5.5, 5.6 en 5.8 uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.K.J. van den Boom, mr. S.C. Hagedoorn en mr. H.A. Brouwer, bijgestaan door mr. H.G. van Soolingen als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 20 juli 2016.13

1 Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap.

2 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

3 Wet conflictenrecht onrechtmatige daad.

4 Vgl. Hoge Raad 19 november 1993, r.o. 4.2, COVA; NJ 1993/622

5 Vgl. Hoge Raad 21 september 2001, r.o. 3.5.2, NJ 2002, 254

6 Hof van Justitie EG 13 juli 2006; gevoegde zaken C-295/04 tot en met C-298/04.

7 Hof van Justitie EU 3 september 2009, nr. 43, 44 en 45; ECLI:EU:C:2009:500.

8 Conclusie A-G 2 april 2009, nr. 125, 126 en 127; ECLI:EU:C:216.

9 Zie artikel 3:94 BW.

10 Bijlage B bij dagvaarding.

11 Productie 4 bij dagvaarding en productie 7 bij repliek.

12 Zie randnummer 79, productie 8.

13 type: HvS 4206