Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:4276

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
01-06-2016
Datum publicatie
28-07-2016
Zaaknummer
5012566 ME VERZ 16-95
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

WWZ, vernietiging ontslag op staande voet, loonvordering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2016-0846
AR 2016/2224
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
kantonrechter

locatie Almere

Zaak- en rekestnummers: 5012566 ME VERZ 16-95

Datum beslissing: 1 juni 2016

Beschikking

in de zaak van

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,
verzoekster,

gemachtigde mr. L.S. Lageman (werkzaam bij ARAG SE),

hierna te noemen: [verzoekster] ,

en


[verweerster] (voorheen h.o.d.n. [handelsnaam] ),

voorheen gevestigd te [vestigingsplaats] , wonende te [woonplaats] ,

verweerster,

verschenen in persoon

hierna te noemen: [verweerster] .

1 De procedure

1.1.

De kantonrechter heeft kennis genomen van:

- het verzoekschrift met producties, ingekomen op 21 april 2016.

1.2.

De mondelinge behandeling is gehouden op 18 mei 2016. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht.

2 De feiten

2.1.

[verzoekster] is met ingang van 17 augustus 2015 bij [handelsnaam] ( [verweerster] ) voor bepaalde tijd in dienst getreden in de functie van pedagogisch medewerker voor de duur van zes maanden. Op 17 februari 2016 is deze arbeidsovereenkomst voor twee maanden verlengd, welke overeenkomst van rechtswege is geëindigd op 17 april 2016.

2.2.

Het brutoloon van [verzoekster] bedroeg bij aanvang van de arbeidsovereenkomst

€ 1.670,75 per maand exclusief vakantiebijslag en overig emolumenten op basis van een arbeidsduur van 24 uur per week.

2.3.

Op de arbeidsovereenkomst is de CAO Kinderopvang van toepassing.

2.4.

[verweerster] heeft op 24 februari 2016 de arbeidsovereenkomst van [verzoekster] per 1 maart 2016 opgezegd.

2.5.

Op 28 februari 2016 heeft [verzoekster] aan [verweerster] geschreven:

‘In navolging op ons telefonisch gesprek van 24 februari 2016 deel ik u hierbij schriftelijk mede dat ik bezwaar aanteken tegen beëindiging van mijn arbeidsovereenkomst per 1 maart 2016.’

2.6.

[verweerster] heeft per 9 maart 2016 [handelsnaam] uitgeschreven uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel.

3 Het geschil

3.1.

[verzoekster] vordert – samengevat – om bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad:

- de opzegging van 24 februari 2016 te vernietigen ex artikel 7:681 lid 1 BW;

en voorts [verweerster] te veroordelen tot betaling aan [verzoekster] van:

  • -

    € 2.561,82 bruto, zijnde het loon over de periode 1 maart 2016 tot 17 april 2016;

  • -

    € 89,91 netto, zijnde achterstallig loon van de maanden november 2015 en januari 2016;

  • -

    € 317,18 bruto, zijnde de overuren in de maanden januari en februari 2016;

  • -

    € 1.071,17 bruto, zijnde de verschuldigde vakantietoeslag;

  • -

    € 324,56 bruto, zijnde de opgebouwde maar niet genoten vakantiedagen;

  • -

    de wettelijke verhoging wegens vertraging over de gevorderde bedragen;

  • -

    de wettelijke rente over de gevorderde bedragen;

  • -

    de buitengerechtelijke kosten van € 716,46;

  • -

    de kosten van deze procedure, waaronder de nakosten.

Tot slot vordert [verzoekster] [verweerster] te veroordelen tot verstrekking aan haar van een schriftelijke en deugdelijke netto/bruto specificatie, waarin de gevorderde bedragen zijn verwerkt, op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag met een maximum van
€ 10.000,00 voor elke dag dat [verweerster] na betekening van deze beschikking hieraan niet voldoet.

3.2.

[verweerster] heeft verweer gevoerd.

4 De beoordeling

Vernietiging van de opzegging

4.1.

De kantonrechter overweegt ten aanzien van het verzoek van [verzoekster] om de opzegging van de arbeidsovereenkomst te vernietigen het volgende.

4.2.

De kantonrechter stelt voorop dat het verzoekschrift tot vernietiging van de opzegging tijdig is ingediend, gelet op de vervaltermijn ex artikel 7:686a BW.

4.3.

Tussen partijen staat vast dat zij op 17 februari 2016 een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, voor de duur van twee maanden, hebben gesloten. Die arbeidsovereenkomst eindigt daarom in beginsel op 17 april 2016 van rechtswege.

4.4.

Op 24 februari 2016 heeft [verweerster] aan [verzoekster] laten weten dat de arbeidsovereenkomst per 1 maart 2016 eindigt. [verzoekster] stelt dat voornoemde opzegging van de arbeidsovereenkomst voor vernietiging vatbaar is, omdat [verweerster] met die opzegging niet heeft ingestemd, en er ook geen toestemming door het UWV is verleend om de arbeidsovereenkomst te mogen opzeggen.

4.5.

Ter zitting heeft [verweerster] niet weersproken dat zij geen toestemming had van het UWV om de arbeidsovereenkomst te mogen opzeggen. Ook is niet gesteld of gebleken dat [verzoekster] met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 1 maart 2016 heeft ingestemd. [verweerster] heeft nog gesteld dat [verzoekster] zich niet gehouden heeft aan haar deel van de tussen partijen gemaakte afspraak dat zij haar kinderen op de opvang van [handelsnaam] zou houden. Wat daar ook van zij, dit verleent [verweerster] geen bevoegdheid de arbeidsovereenkomst per 1 maart 2016 op te zeggen, zonder toestemming van [verzoekster] of het UWV. Gelet hierop is niet opgezegd op de wijze die de wet voorschrijft.

4.6.

De opzegging is daarom voor vernietiging vatbaar. Dit verzoek zal worden toegewezen.

Loonbetaling

4.7.

Nu de opzegging van de arbeidsovereenkomst zal worden vernietigd, en de arbeidsovereenkomst tot 17 april 2016 in stand is gebleven, is [verweerster] nog altijd verplicht aan [verzoekster] het haar toekomende loon te voldoen totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, dat wil zeggen tot 17 april 2016.

4.8.

[verweerster] heeft onvoldoende weersproken, dat het loon vanaf 1 maart 2016 tot

17 april 2016, zijnde een bedrag van € 2.561,82 bruto, de verschuldigde vakantietoeslag van

€ 1.071,17 bruto en de opgebouwde maar niet genoten vakantiedagen van € 324,56 bruto niet door haar aan [verzoekster] is uitbetaald. Tevens heeft zij erkend dat zij over de maanden november 2015 en januari 2016 in totaal nog een bedrag van € 89,91 netto aan [verzoekster] verschuldigd is. [verweerster] heeft ter zitting aangevoerd dat zij bij de gemeente schuldhulpverlening heeft aangevraagd en zij niet in staat is de gevorderde bedragen te betalen. Dit ontslaat [verweerster] evenwel niet van haar verplichting tot het betalen van het loon uit hoofde van de arbeidsovereenkomst. De hiervoor genoemde bedragen zullen worden toegewezen.

4.9.

[verzoekster] heeft ook een bedrag van € 317,18 bruto ter zake overwerk in de maanden januari en februari 2016 gevorderd. [verweerster] heeft weersproken dat er in de maanden januari en februari sprake was van overwerk door [verzoekster] . [verweerster] stelt dat de overgelegde overzichten door [verzoekster] zelf zijn opgemaakt. De kantonrechter is van oordeel dat [verzoekster] hier onvoldoende tegenin heeft gebracht, hetgeen wel op haar weg had gelegen. Gelet hierop staat onvoldoende vast dat [verweerster] een bedrag van € 317,18 bruto aan [verzoekster] verschuldigd is. Dit deel van de vordering zal worden afgewezen.

4.10.

Nu vaststaat dat [verweerster] het aan [verzoekster] toekomende salaris niet tijdig en volledig heeft betaald, is zij de wettelijke verhoging verschuldigd, met dien verstande dat deze zal worden gematigd tot 10%. Hierbij heeft de kantonrechter in aanmerking genomen dat het aannemelijk is dat het uitblijven van de betaling verband houdt met financieel onvermogen aan de zijde van [verweerster] .

4.11.

De wettelijke rente is op de wet gegrond en eveneens toewijsbaar.

4.12.

Tegen het verzoek van [verzoekster] om haar een schriftelijke en deugdelijke netto/bruto specificatie te verstrekken, is geen afzonderlijk verweer gevoerd. Dat verzoek zal worden toegewezen. De gevorderde dwangsom zal worden toegewezen, met dien verstande dat deze zal worden beperkt en gemaximeerd.

Buitengerechtelijke kosten

4.13.

[verzoekster] maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim na

1 juli 2012 is ingetreden. [verzoekster] heeft onvoldoende gesteld en onderbouwd dat er buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten zal daarom worden afgewezen.

Proceskosten en nakosten

4.14.

[verweerster] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [verzoekster] worden begroot op:

- griffierecht € 223,00

- salaris gemachtigde € 600,00

Totaal € 823,00

4.15.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

vernietigt de door [verweerster] op 24 februari 2016 gedane opzegging van de arbeidsovereenkomst van [verzoekster] ;

5.2.

veroordeelt [verweerster] tot betaling aan [verzoekster] van het loon over de periode 1 maart 2016 tot 17 april 2016, zijnde € 2.561,82 bruto;

5.3.

veroordeelt [verweerster] tot betaling aan [verzoekster] van het achterstallig loon van de maanden november 2015 en januari 2016, zijnde € 89,91 netto;

5.4.

veroordeelt [verweerster] tot betaling aan [verzoekster] van de verschuldigde vakantietoeslag, zijnde € 1.071,17 bruto;

5.5.

veroordeelt [verweerster] tot betaling aan [verzoekster] van de opgebouwde en niet-genoten vakantiedagen, zijnde € 324,56 bruto;

5.6.

veroordeelt [verweerster] tot betaling aan [verzoekster] van de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over het onder 5.2 tot en met 5.5 bepaalde van 10%,

5.7.

veroordeelt [verweerster] tot betaling aan [verzoekster] van de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over het onder 5.2 tot en met 5.5, steeds vanaf de dag dat [verweerster] met de betaling van de afzonderlijke bedragen in verzuim is tot de dag van algehele voldoening;

5.8.

veroordeelt [verweerster] tot verstrekking aan [verzoekster] van een schriftelijke en deugdelijke netto/bruto specificatie, waarin de gevorderde bedragen zijn verwerkt, op straffe van een dwangsom van € 25,00 per dag met een maximum van € 500,00 voor elke dag dat [verweerster] veertien dagen na betekening van deze beschikking hieraan niet voldoet.

5.9.

veroordeelt [verweerster] in de proceskosten, aan de zijde van [verzoekster] tot op heden begroot op € 823,00,

5.10.

veroordeelt [verweerster] onder de voorwaarde dat zij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door [verzoekster] volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- € 100,00 aan salaris gemachtigde,

- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis,

5.11.

wijst het meer of anders gevorderde af,

5.12.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.M.J. Schoenaker en in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2016.