Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:409

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
03-02-2016
Datum publicatie
15-02-2016
Zaaknummer
C/16/379725 / HA ZA 14-834
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Zuivere aanvaarding; vereffening en inbreng van giften

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2016-0052
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling familierecht

Locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/379725 / HA ZA 14-834

Vonnis van 3 februari 2016

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. M.L.A. Verleun,

tegen

1 [gedaagde sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

3. [gedaagde sub 3],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden,

advocaat mr. K. Tijsterman.

Partijen zullen hierna [eiser] en gedaagden (in mannelijk enkelvoud) [gedaagden] dan wel afzonderlijk [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] genoemd worden.

1 De procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 21 januari 2015;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 10 april 2015;

  • -

    de conclusie van repliek;

  • -

    de conclusie van dupliek.

1.2

De door [eiser] nadien genomen akte uitlating producties wordt buiten beschouwing gelaten, omdat [gedaagden] niet in de gelegenheid is geweest om op de in die akte voor het eerst naar voren gebrachte stellingen te reageren. De producties die bij de conclusie van dupliek zijn gevoegd (en waarop [eiser] door middel van voornoemde akte wenste te reageren) liggen, zoals hierna zal blijken niet aan de beslissing ten grondslag.

1.3

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1

Partijen zijn kinderen, geboren uit het huwelijk tussen [A] (vader) en [B] (moeder). Vader is overleden op [2001] en moeder op [2009] .

2.2

Vader heeft bij testament beschikt over zijn nalatenschap. Daarin is onder andere een ouderlijke boedelverdeling opgenomen waarbij alle goederen aan moeder zijn toebedeeld en de kinderen (partijen) een vordering op moeder verkregen ter grootte van de waarde van hun aandeel in de nalatenschap van vader. In het testament is onder meer het volgende bepaald:

BOEDELVERDELNIG

B. Ik maak bij deze tussen mijn echtgenote [B] hierna te noemen “mijn echtgenote” en mijn overige erfgenamen volgens de wet, hierna te noemen “mijn nakomelingen, de volgende scheiding en verdeling van mijn nalatenschap:

1. Ik deel toe aan mijn echtgenote: de tot mijn nalatenschap behorende goederen en rechten, onder de verplichting:

a. voor haar rekening te nemen en als eigen schulden te voldoen: alle schulden van mijn nalatenschap, alsmede de in verband met mijn overlijden verschuldigde begrafenis- crematiekosten, boedel- en taxatiekosten en successierechten;

b. aan mijn nakomelingen bedragen schuldig te erkennen ter grootte van hun aandelen volgens de wet in mijn nalatenschap, verminderd met hun aandelen in genoemde kosten en de door hen verschuldigde successierechten.

BEPALINGEN BOEDELVERDELING

C. De sub B vermelde boedelverdeling vindt plaats onder de navolgende bepalingen:

1. De waardering van de goederen en rechten van mijn nalatenschap dient te geschieden in onderling overleg.

Bij gebreke van overeenstemming daarover, alsook indien de wet ter zake van de verdeling van mijn nalatenschap dit voorschrijft, dient de waardering plaats te vinden, als door de wet is voorgeschreven voor boedelverdelingen waarbij minderjarigen betrokken zijn.

2. Mede ter voldoening aan mijn verzorgingsplicht jegens mijn echtgenote, bepaal ik, dat de hiervoor aan mijn nakomelingen toebedeelde vorderingen niet eerder opeisbaar zullen zijn, dan bij het overlijden van mijn echtgenote (…)

3. Mijn echtgenote zal aan mijn nakomelingen een enkelvoudige rente verschuldigd zijn berekend tegen een percentage gelijk aan het in artikel 21 van de Successiewet bedoeld percentage of een daarvoor in de plaats getreden regeling, tenzij anders wordt overeengekomen.

Ten aanzien van deze rente bepaal ik, mede ter voldoening aan mijn genoemde verzorgingsplicht, dat deze niet eerder opeisbaar zal zijn dan bij het overlijden van mijn echtgenote.

2.3

Moeder heeft een soortgelijk testament opgemaakt. Ingevolge haar testament zijn partijen haar erfgenamen. Verder heeft zij, voor zover van belang, nog in haar testament bepaald:

VRIJSTELLING INBRENG

F. Ik stel mijn nakomelingen vrij van de verplichting tot inbreng in mijn nalatenschap van alle eventueel door mij aan hen gedane schenkingen, tenzij bij enige schenking door mij anders is bepaald.

2.4

[eiser] heeft de nalatenschap van moeder beneficiair aanvaard.

2.5

Partijen hebben notaris mr. [C] te Mijdrecht benoemd als boedelnotaris in het kader van de afwikkeling van de nalatenschap van moeder.

3 Het geschil

3.1

[eiser] vordert na wijziging van eis dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, verklaart voor recht dat

  1. de betalingen, genoemd in de conclusie van antwoord onder 17 b, niet zijn te beschouwen als schenkingen en door [gedaagden] dient te worden ingebracht in de nalatenschap van moeder;

  2. het saldo van de nalatenschap van moeder € 230.825,39 bedraagt, te verminderen met de rente van 6% over de vordering van [eiser] op moeder wegens het aan hem toekomende kindsdeel van de nalatenschap van vader;

  3. [gedaagden] aan [eiser] heeft te voldoen een bedrag van € 71.682,54 –ieder naar rato van het erfdeel – binnen twee dagen na de betekening van het in dezen te wijzen vonnis, te vermeerderen met de rente van 6% over de hoofdsom van

€ 39.387,22 tot aan de dag der algehele voldoening;

met veroordeling van [gedaagden] in de kosten van de procedure.

3.2

[gedaagden] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen.

3.3

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Vordering 1: inbreng van giften

4.1

[eiser] wenst dat in rechte wordt vastgesteld dat de betalingen van in totaal

€ 206.076,00 over een periode van 7 januari 2002 tot 2 december 2004 (genoemd in de conclusie van antwoord onder 17b) niet zijn te beschouwen als schenkingen en dat die bedragen door [gedaagden] dienen te worden ingebracht in de nalatenschap van moeder. [gedaagden] stelt dat het schenkingen, althans giften betrof en beroept zich op de in 2.3 vermelde vrijstelling van inbreng.

4.2

Ingevolge artikel 4:229 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bestaat de verplichting tot inbreng slechts voor zover de erflater dit hetzij bij de gift hetzij bij uiterste wilsbeschikking heeft voorgeschreven. De stelling van [eiser] dat bedoelde betalingen aan [gedaagden] geen schenkingen (de rechtbank begrijpt dat de stelling van [eiser] ook giften impliceert) betroffen, betekent dat artikel 4:229 lid 1 BW toepassing mist. Voor zover er al sprake zou zijn van giften geldt dat de erfgenamen bij uiterste wilsbeschikking zijn vrijgesteld van de verplichting tot inbreng. Nu niet kan worden vastgesteld dat er sprake is van een verplichting tot inbreng en [eiser] geen ander belang dan inbreng ten behoeve van hem heeft gesteld, zal de door hem gevorderde verklaring voor recht bij gebrek aan belang worden afgewezen. Weliswaar merkt [eiser] in zijn conclusie van repliek terloops op dat de eventuele schenkingen mede ter bepaling van zijn legitieme portie dienen te worden ingebracht, maar klaarblijkelijk heeft [eiser] met deze opmerking de berekening van de legitimaire massa op het oog (artikel 4:65 e.v. BW). Het debat van partijen is echter gevoerd in het licht van het vaststellen van de omvang van de nalatenschap van moeder, teneinde tot een verdeling te komen. Nog los daarvan gaat de rechtbank ervan uit dat [eiser] er geen belang bij heeft dat rechtens komt vast te staan dat bedoelde betalingen aan [gedaagden] geen giften zijn die grond van artikel 4:67 aanhef en onder d BW bij de berekening van zijn legitieme portie in aanmerking moeten worden genomen.

Vordering 2: omvang nalatenschap moeder

4.3

[eiser] vordert voorts dat in rechte wordt vastgesteld dat het saldo van de nalatenschap van moeder € 230.825,39 bedraagt, te verminderen met de rente van 6% over de vordering van [eiser] op moeder wegens het aan hem toekomende kindsdeel van de nalatenschap van vader. [gedaagden] betwist dit saldo en verwijst onder andere naar zijn stelling dat [eiser] ten onrechte rekening houdt met de inbreng van de omstreden betalingen aan [gedaagden] zoals hiervoor bedoeld in 4.1 en 4.2.

4.4

Uit hetgeen hiervoor in 4.2 is overwogen volgt dat de door [eiser] gestelde inbrengverplichting van [gedaagden] van € 206.076,- niet is komen vast te staan. Het door [eiser] gestelde saldo van de nalatenschap van moeder kan daarom evenmin in rechte worden vastgesteld. Gelet daarop behoeven de overige geschilpunten die voor de vaststelling van het saldo van de nalatenschap van moeder relevant zijn (waaronder de gestelde vordering op [gedaagde sub 1] uit hoofde van geldlening en de gestelde resterende vordering van [gedaagden] uit hoofde van de nalatenschap van vader) geen nadere bespreking. De gevorderde verklaring voor recht zal reeds hierom worden afgewezen. Daar komt bij dat de nalatenschap van moeder vanwege de beneficiaire aanvaarding door [eiser] in beginsel vereffend moet worden op de wijze als voorgeschreven door afdeling 4.6.3 BW (artikel 4:202 BW e.v.). Het ligt dan ook op de weg van de vereffenaar om een boedelbeschrijving op te maken en de schulden van de nalatenschap in kaart te brengen. Eerst daarna kan het saldo van de nalatenschap van moeder worden vastgesteld.

Vordering 3: het erfdeel van [eiser] in de nalatenschap van vader

4.5

[eiser] vordert tot slot een verklaring voor recht dat [gedaagden] aan hem heeft te voldoen een bedrag van € 71.682,54 binnen twee dagen na de betekening van het in dezen te wijzen vonnis, te vermeerderen met de rente van 6% over de hoofdsom van

€ 39.387,22 tot aan de dag der algehele voldoening. In de conclusie van repliek (randnummer 2.10) heeft [eiser] zijn vordering gewijzigd in die zin dat hij stelt dat [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] op grond van artikel 4:182 lid 2 BW ieder verbonden zijn voor een deel evenredig aan het erfdeel.

4.6

De rechtbank begrijpt de vordering vanwege de daarin opgenomen betalingstermijn als een vordering strekkende tot veroordeling van [gedaagden] tot betaling van het genoemde bedrag, waarbij ieder voor een deel evenredig aan het erfdeel (1/4e) wordt veroordeeld tot betaling van (€ 71.682,54: 4 =) € 17.920,64 inclusief rente tot en met 15 mei 2015. Uit het verweer van [gedaagden] leidt de rechtbank af dat hij de vordering ook heeft begrepen als een vordering tot veroordeling van betaling van een geldbedrag. [gedaagden] heeft in de conclusie van dupliek erkend dat de erfdelen van partijen in de nalatenschap van vader (en dus de vordering van [eiser] op de nalatenschap van moeder) € 39.387,22 bedraagt en dat daarover een rente van 6% verschuldigd is. Dat het totale rentebedrag over de hoofdsom van € 39.387,22 tot en met 15 mei 2015 € 32.295,32 bedraagt wordt niet betwist.

4.7

De vordering die [eiser] uit hoofde van de nalatenschap van vader op moeder had, is een schuld die moeder heeft nagelaten als bedoeld in artikel 4:7 lid 1 onder a BW. [eiser] stelt onweersproken dat [gedaagden] de nalatenschap van moeder onvoorwaardelijk (de rechtbank begrijpt: zuiver) heeft aanvaard (dagvaarding: randnummer 3.1.). Hoewel het hier – vanwege de beneficiaire aanvaarding zoals hiervoor in 4.4 al vermeld – op de weg van de vereffenaar ligt om de schulden van de nalatenschap van moeder in kaart te brengen en te betalen (voordat tot verdeling kan worden overgegaan), heeft zuivere aanvaarding door [gedaagden] tot gevolg dat nalatenschapsschulden kunnen worden verhaald op het eigen vermogen van [gedaagden] (artikel 4:184 lid 2 aanhef en onder a BW). Nu [eiser] voor de voldoening van deze schuld geen verhaal wenst op de goederen van de nalatenschap, maar [gedaagden] in privé aanspreekt, hoeft de vereffening niet te worden afgewacht. [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] zullen naar evenredigheid van hun aandeel in de nalatenschap (1/4e deel) worden veroordeeld tot betaling aan [eiser] van € 17.920,64, te vermeerderen met de rente van 6% over 1/4e deel van de hoofdsom van (€ 39.387,22 : 4 =) € 9.846,81 tot aan de dag der algehele voldoening. Nu [gedaagden] geen verweer hebben gevoerd tegen de gevorderde betalingstermijn, zal de vordering ook op dit punt worden toegewezen.

4.8

Nu partijen broers en zusters van elkaar zijn en hun geschil daaruit voortvloeit, zal de rechtbank de proceskosten tussen hen compenseren, in die zin dat iedere partij zijn eigen proceskosten draagt.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1

veroordeelt [gedaagde sub 1] tot betaling aan [eiser] van € 17.920,64 binnen twee dagen na de betekening van dit vonnis, te vermeerderen met de rente van 6% over

€ 9.846,81 vanaf 16 mei 2015 tot aan de dag der algehele voldoening;

5.2.

veroordeelt [gedaagde sub 2] tot betaling aan [eiser] van € 17.920,64 binnen twee dagen na de betekening van dit vonnis, te vermeerderen met de rente van 6% over

€ 9.846,81 vanaf 16 mei 2015 tot aan de dag der algehele voldoening;

5.3

veroordeelt [gedaagde sub 3] tot betaling aan [eiser] van € 17.920,64 binnen twee dagen na betekening van dit vonnis, te vermeerderen met de rente van 6% over

€ 9.846,81 vanaf 16 mei 2015 tot aan de dag der algehele voldoening;

5.4

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.5

wijst het meer of anders gevorderde af;

5.6

compenseert de proceskosten tussen partijen, aldus dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Karman en in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2016.1

1 type: CK coll: