Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:4066

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
27-07-2016
Datum publicatie
05-08-2016
Zaaknummer
C/16/378808 / HA ZA 14-802
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Curator vordert vernietiging van verpanding van vorderingen van failliet op derden, aan schuldeiser. Curator moet onverplichtheid ervan bewijzen, wi beroep op 42 Fw slagen.l

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/2324
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/378808 / HA ZA 14-802

Vonnis van 27 juli 2016

in de zaak van

[eiser] ,

in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [bedrijf 1] , gevestigd te [vestigingsplaats ] ,

kantoorhoudende te [vestigingsplaats ] ,

eiser,

advocaat mr. G.J. Verduijn te Utrecht,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats ] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 2] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats ] ,

gedaagden,

advocaat mr. A.L.T. van Vught te Bilthoven.

Partijen zullen hierna [eiser] (eiser), [gedaagde 1] (gedaagde sub 1), [gedaagde 2] (gedaagde sub 2) en [gedaagden] (gedaagden gezamenlijk) worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 10 december 2014

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 8 februari 2016

  • -

    de akte van [gedaagden]

  • -

    de akte van [eiser] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ) is in 1982 opgericht en drijft een onderneming die zich bezighoudt met registeraccountancy met alles wat daartoe behoort, organisatieadvies en arbeidsbemiddelingsactiviteiten. [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ) houdt alle aandelen in het kapitaal van [bedrijf 2] is statutair bestuurder van [bedrijf 2]

2.2.

[gedaagde 1] is in 1996 opgericht en drijft een onderneming die zich bezighoudt met organisatieadvieswerkzaamheden. [bedrijf 2] houdt alle aandelen in het kapitaal van [gedaagde 1] . [bedrijf 2] is statutair bestuurder van [gedaagde 1] .

2.3.

[gedaagde 2] is in 1997 opgericht en drijft een onderneming die zich bezighoudt met het adviseren van ondernemingen ter zake van strategische beleidsvoering en het bemiddelen bij overnames van en de samenwerking tussen ondernemingen. [bedrijf 2] houdt alle aandelen in het kapitaal van [gedaagde 2] . [bedrijf 2] en [X] (hierna: [X] ) zijn de statutaire bestuurders van [gedaagde 2] .

2.4.

[bedrijf 1] dreef een onderneming die zich bezighield met het verlenen van diensten op marketinggebied. [bedrijf 1] is in 2002 in staat van faillissement verklaard. [bedrijf 2] , [A] (hierna: [A] ) en [B] (hierna: [B] ) hebben toentertijd (indirect) de aandelen in het kapitaal van [bedrijf 3] (hierna: [bedrijf 3] ) gekocht en de naam [bedrijf 3] gewijzigd in [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ). [bedrijf 1] heeft vervolgens de activa van [bedrijf 1] gekocht en de activiteiten van [bedrijf 1] voortgezet met [A] als statutair bestuurder.

2.5.

De grootste klant van [bedrijf 1] was [bedrijf 4] (hierna: [bedrijf 4] ). [bedrijf 4] drijft een landelijke inkooporganisatie ten behoeve van een coöperatie van (winkel)formules en (ketens van) ondernemers in de detailhandel. [bedrijf 4] heeft voor die coöperatie een centrale afdeling op marketinggebied opgebouwd, de Retail Marketing Services-afdeling (hierna: RMS‑afdeling). [bedrijf 4] heeft [bedrijf 1] in 2009 opdracht gegeven om de activiteiten van haar RMS-afdeling te outsourcen, waarna [bedrijf 1] [gedaagde 2] opdracht heeft gegeven om die outsourcing te begeleiden. [X] , gedetacheerd door [gedaagde 1] , heeft in dat verband een due diligence bij de RMS-afdeling uitgevoerd. Zowel [gedaagde 2] als [gedaagde 1] hebben werkzaamheden voor [bedrijf 1] uitgevoerd en daarvoor bedragen aan [bedrijf 1] in rekening gebracht.

2.6.

Artikel VIII lid 5 van de algemene voorwaarden van [gedaagde 1] luidt:

“ [gedaagde 1] is te allen tijde gerechtigd van de opdrachtgever zekerheden te vragen, zowel voor vervallen declaraties als voor nog te declareren werkzaamheden. Opdrachtgever zal op eerste verzoek van [gedaagde 1] hieraan haar medewerking verlenen.”

2.7.

[bedrijf 4] heeft vanaf februari 2011 door [bedrijf 1] aan haar verzonden facturen (grotendeels) onbetaald gelaten.

2.8.

[bedrijf 2] heeft [A] en [B] bij e-mail van 13 april 2011 het volgende, voor zover hier van belang, bericht:

“[…] Als [bedrijf 4] ons er per saldo uitknikkert […], dan zullen wij [bedrijf 4] voor schade gaan claimen […].

[gedaagde 2] heeft inmiddels een forse vordering op [ [bedrijf 1] ] en zal als er een schade geclaimd gaat worden nog intensief aan de slag moeten. Om die reden moet ik de belangen van [gedaagde 2] in deze borgen en verzoeken om als zekerheid voor de uitstaande vorderingen het 1ste pandrecht op de vorderingen op [bedrijf 4] .

Graag jullie instemming hiermee.”

2.9.

[bedrijf 1] heeft op 28 april 2011 een kort geding tegen [bedrijf 4] aanhangig gemaakt bij de voorzieningenrechter van de (toenmalige) rechtbank Arnhem en onder meer gevorderd dat [bedrijf 4] wordt veroordeeld tot betaling van € 325.020,99 aan onbetaalde facturen. De voorzieningenrechter heeft die vordering afgewezen.

2.10.

[bedrijf 1] heeft tot zekerheid voor de betaling van al hetgeen [bedrijf 5] B.V. van [bedrijf 1] te vorderen krijgt uit hoofde van voor [bedrijf 1] te verrichten werkzaamheden en diensten vanaf 1 mei 2011, bij vier pandaktes vorderingen op haar debiteuren en overige derden aan [bedrijf 5] B.V. verpand.

De vier aktes zijn ondertekend op 30 juni 2011, 19 juli 2011, 16 augustus 2011 respectievelijk 9 september 2011 en bij de belastingdienst geregistreerd op 12 juli 2011, 26 juli 2011, 23 augustus 2011 respectievelijk 21 september 2011. Alle vier de aktes vermelden onderaan op de laatste pagina: “Aldus is overeengekomen op 13 april 2011 […]”.

2.11.

[bedrijf 1] en [bedrijf 6] hebben tot zekerheid voor de betaling van al hetgeen [gedaagde 2] van [bedrijf 1] en [bedrijf 6] te vorderen krijgt uit hoofde van voor [bedrijf 1] te verrichten werkzaamheden en diensten vanaf 13 april 2011, bij vier pandaktes vorderingen op [bedrijf 4] aan [gedaagde 2] verpand. De vier aktes zijn ondertekend op 30 juni 2011, 19 juli 2011, 16 augustus 2011 respectievelijk 9 september 2011 en bij de belastingdienst geregistreerd op 12 juli 2011, 26 juli 2011, 23 augustus 2011 respectievelijk 21 september 2011. Alle vier de aktes vermelden onderaan op de laatste pagina: “Aldus is overeengekomen op 13 april 2011 […]”.

2.12.

De (toenmalige) rechtbank Utrecht heeft [bedrijf 1] op 12 oktober 2011 surséance van betaling verleend en haar op 26 oktober 2011 in staat van faillissement verklaard. [eiser] is als curator in het faillissement aangesteld.

2.13.

[eiser] heeft bij brieven van 28 oktober 2011 en bij akte van 20 augustus 2015 de pandaktes vernietigd, primair op grond van artikel 42 Fw en subsidiair op grond van artikel 47 Fw. [eiser] heeft bij de akte van 20 augustus 2015 ook artikel VIII van de algemene voorwaarden van [gedaagde 1] vernietigd.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert, na vermeerdering van eis, samengevat:

I.

primair te verklaren voor recht dat de pandaktes nimmer rechtsgevolg hebben gehad voor zover daarmee is beoogd zekerheden te vestigen,

subsidiair te verklaren voor recht dat de pandaktes rechtsgeldig zijn vernietigd,

meer subsidiair de pandaktes te vernietigen,

II.

primair te verklaren voor recht dat artikel VIII van de algemene voorwaarden van [gedaagde 1] c.q. [gedaagde 2] rechtsgeldig is vernietigd,

subsidiair artikel VIII van de algemene voorwaarden van [gedaagde 1] c.q. [gedaagde 2] te vernietigen,

meer subsidiair te verklaren voor recht dat het beroep van [eiser] op de vernietigbaarheid van artikel VIII van de algemene voorwaarden van [gedaagde 1] c.q. [gedaagde 2] rechtens tot gevolg heeft dat [gedaagden] daarop jegens [eiser] dan wel jegens de boedel geen beroep (meer) kunnen doen,

III.

primair te verklaren voor recht dat op 12 april 2011 dan wel op 13 april 2011 tussen [bedrijf 1] en [gedaagde 1] c.q. [gedaagde 2] geen overeenkomst tot stand is gekomen op grond waarvan [bedrijf 1] rechtens was gehouden mee te werken aan het sluiten van de pandovereenkomsten,

subsidiair de op 12 april 2011 dan wel op 13 april 2011 tussen [bedrijf 1] en [gedaagde 1] c.q. [gedaagde 2] gesloten overeenkomsten te vernietigen, voor zover daarbij aan [bedrijf 1] de verplichting is opgelegd om mee te werken aan het vestigen van zekerheden ten behoeve van [gedaagde 1] c.q. [gedaagde 2] ,

meer subsidiair te verklaren voor recht dat het beroep van [eiser] op de vernietigbaarheid van de op 12 april 2011 dan wel op 13 april 2011 tussen partijen gesloten overeenkomsten rechtens tot gevolg heeft dat [gedaagden] daarop jegens [eiser] dan wel de boedel geen beroep (meer) kan doen,

IV.

 [gedaagden] te veroordelen in de proceskosten en de nakosten, met rente.

3.2.

[gedaagden] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[eiser] betoogt primair het volgende. [bedrijf 1] heeft onverplicht verpand. Omdat verder [bedrijf 1] en haar wederpartijen bij de pandaktes wisten of behoorden te weten dat de verpanding benadeling van de schuldeisers van [bedrijf 1] tot gevolg zou hebben, is er sprake van een situatie als bedoeld in artikel 42 Fw. De algemene voorwaarden van [gedaagde 1] zijn, anders dan [gedaagden] stelt, niet van toepassing, zodat [bedrijf 1] op grond van die voorwaarden niet verplicht was tot verpanding. De toepasselijkheid is destijds, vóór 2002, niet tussen [bedrijf 1] en [gedaagde 1] overeengekomen en ook niet later tussen [bedrijf 1] en [gedaagde 1] en/of tussen [bedrijf 1] en [gedaagde 2] . De algemene voorwaarden zijn in ieder geval niet aan [bedrijf 1] ter hand gesteld, zodat [eiser] artikel VIII van de algemene voorwaarden van [gedaagde 1] op goede grond met toepassing van artikel 6:234 lid 1 BW juncto artikel 6:233 onder b BW heeft vernietigd.

4.2.

[gedaagden] voert onder meer het volgende verweer. [bedrijf 1] was op grond van artikel VIII lid 5 van de algemene voorwaarden van [gedaagde 1] verplicht tot verpanding. De algemene voorwaarden van [gedaagde 1] waren al van toepassing op de relatie tussen [bedrijf 3] , destijds een klant van [gedaagde 1] , en [gedaagde 1] en zijn nog steeds van toepassing.

4.3.

[eiser] heeft de stelling van [gedaagden] dat [bedrijf 3] destijds een klant van [gedaagde 1] was en dat de algemene voorwaarden van [gedaagde 1] al op de relatie tussen [bedrijf 3] en [gedaagde 1] van toepassing waren, onvoldoende gemotiveerd betwist. Van de juistheid van deze stelling, die overigens ook blijkt uit de bij e‑mail van 5 december 2011 gegeven verklaring van [Y] (zie productie 9 van [gedaagden] ), destijds bestuurder van [bedrijf 3] , moet dan ook worden uitgegaan. Nu verder, naar onbetwist vaststaat, [bedrijf 1] dezelfde vennootschap is als [bedrijf 3] moet van de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden van [gedaagde 1] op de relatie tussen [bedrijf 1] en [gedaagde 1] worden uitgegaan. Het enkele feit dat de activiteiten en de naam van de vennootschap zijn gewijzigd en dat de medewerkers en de aandeelhouders van de vennootschap andere zijn dan voorheen, betekent, anders dan [eiser] meent, niet dat een beroep van [gedaagden] op die ononderbroken toepasselijkheid naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De rechtspersoon waarmee [gedaagde 1] de contractuele relatie is aangegaan en op enig moment heeft hervat en voortgezet, is immers dezelfde gebleven.

4.4.

Het beroep van [eiser] op vernietiging van artikel VIII van de algemene voorwaarden van [gedaagde 1] kan niet slagen. [eiser] heeft aan dit beroep ten grondslag gelegd dat de algemene voorwaarden nimmer aan [bedrijf 1] (aan haar statutair bestuurder [A] ) zijn overhandigd. Voor de beoordeling of een beroep op de vernietigbaarheid van artikel VIII van de algemene voorwaarden van [gedaagde 1] kan slagen is echter niet van belang of de algemene voorwaarden ten tijde van de contractuele relatie met [bedrijf 1] aan [bedrijf 1] (aan [A] ) zijn overhandigd, maar of de algemene voorwaarden bij het aangaan van de contractuele relatie met [bedrijf 3] aan [bedrijf 3] zijn overhandigd. [eiser] heeft niet (mede) aan zijn beroep op vernietiging ten grondslag gelegd dat de algemene voorwaarden destijds niet aan [bedrijf 3] zijn overhandigd.

4.5.

[eiser] heeft zijn subsidiaire stelling dat de algemene voorwaarden van [gedaagde 1] die in het geding zijn gebracht (mogelijk) niet dezelfde zijn als de algemene voorwaarden die [gedaagde 1] destijds hanteerde, onvoldoende onderbouwd. Van de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden van [gedaagde 1] zoals door [gedaagden] als productie 8 overgelegd, moet dan ook worden uitgegaan. Uit artikel VIII lid 5 van die algemene voorwaarden vloeit voort dat [bedrijf 1] jegens [gedaagde 1] is verplicht om mee te werken aan verpanding van haar vorderingen op derden.

4.6.

[eiser] stelt dat [gedaagde 1] geen partij is bij de vier onder 2.10 genoemde pandaktes. De rechtbank verwerpt deze stelling. Weliswaar vermelden die vier pandaktes [bedrijf 5] B.V. en niet [gedaagde 1], maar bij [bedrijf 1] (en bij [eiser] ) kan er geen twijfel over bestaan dat hiermee [gedaagde 1] wordt bedoeld.

[bedrijf 5] B.V. bestaat als rechtspersoon niet. [bedrijf 5] (zonder B.V.) bestaat wel als handelsnaam van [bedrijf 2] (zie productie 50 van [eiser] ), zoals [eiser] ook stelt, maar niet is gesteld of gebleken dat [bedrijf 1] met [bedrijf 2] een contractuele relatie heeft gehad. [bedrijf 1] heeft wel een contractuele relatie gehad met [gedaagde 1] en met [gedaagde 2] . Vier pandaktes, de onder 2.11 genoemde pandaktes, hebben betrekking op [gedaagde 2] en zijn gelijktijdig met de vier onder 2.10 genoemde pandaktes ondertekend. Gelet hierop moeten de vier onder 2.10 genoemde pandaktes betrekking hebben op [gedaagde 1] . De rechtbank overweegt hierbij verder nog dat [eiser] niet heeft gesteld dat [bedrijf 1] er bij het ondertekenen van de onder 2.10 genoemde pandaktes van uit is gegaan dat een andere partij dan [gedaagde 1] de wederpartij was.

4.7.

Uit het voorgaande volgt dat [eiser] aan de vernietiging van de vier onder 2.10 genoemde pandovereenkomsten (hierna: de pandaktes van [gedaagde 1] ) niet artikel 42 Fw ten grondslag kon leggen. [bedrijf 1] was op grond van artikel VIII lid 5 van de algemene voorwaarden van [gedaagde 1] jegens [gedaagde 1] verplicht tot verpanding.

4.8.

[eiser] heeft aan de vernietiging van de pandaktes subsidiair artikel 47 Fw ten grondslag gelegd. Ook deze grondslag slaagt niet, omdat in ieder geval niet aan het vereiste van samenspanning in de zin van artikel 47 Fw is voldaan. [eiser] heeft geen concrete feiten gesteld waaruit blijkt dat [gedaagde 1] en [bedrijf 1] het oogmerk hadden [gedaagde 1] boven andere schuldeisers van [bedrijf 1] te begunstigen. Anders dan [eiser] meent, kan dat oogmerk niet uit zijn productie 37 worden afgeleid. Uit die productie, een e-mail van 2 mei 2011 van [bedrijf 2] aan [M] (destijds de advocaat van [gedaagden] ), blijkt al niet van enig overleg met [bedrijf 1] . Het oogmerk van benadeling blijkt ook niet uit de als productie 43 door [eiser] overgelegde e-mails van 29 juni 2011. Die e-mails zijn gericht op betaling door [bedrijf 4] aan [bedrijf 1] en bijgevolg op voorkoming van een faillissement van [bedrijf 1] . Het enkele feit dat rekening wordt gehouden met de mogelijkheid van een faillissement betekent niet dat bij [gedaagde 1] en [bedrijf 1] het oogmerk van benadeling heeft voorgezeten. Hetzelfde geldt voor productie 44 van [eiser] , e-mails van 29 en 30 juni 2011. Het feit dat [bedrijf 2] gebruik maakt van het recht van [gedaagde 1] om zekerheid door middel van verpanding te vragen, maakt dit niet anders. Bij de e-mail van 12 mei 2011 (productie 51 van [eiser] ), een e‑mail van [bedrijf 2] aan [X] , [B] en [A] , gaat [bedrijf 2] ervan uit dat [bedrijf 1] blijft bestaan. Een vorm van samenspanning valt in die e-mail niet te lezen. Bij de e-mail van 17 mei 2011 (productie 52 van [eiser] ) wil [bedrijf 2] gebruikmaken van het recht van [gedaagde 1] op zekerheid. Uit de als producties 53 en 54 door [eiser] overgelegde e‑mails blijkt slechts van algemene vragen en beschouwingen. De als productie 55 door [eiser] overgelegde e‑mails van 4 en 5 juli 2011 gaan over de vraag wat [bedrijf 4] mogelijk zou gaan doen. Hieruit kan ook geen oogmerk van benadeling worden gedestilleerd. Tot slot geeft de e-mail van 7 juli 2011 (productie 62 van [eiser] ), een e-mail van [X] aan [bedrijf 2] , [B] en [A] , een update van de financiële situatie van [bedrijf 1] . Ook uit die e‑mail valt samenspanning van [gedaagde 1] en [bedrijf 1] niet op te maken.

4.9.

Uit het voorgaande volgt dat de vordering onder I, voor zover die betrekking heeft op de pandaktes van [gedaagde 1] , niet toewijsbaar is. Uit het voorgaande volgt ook dat de volledige vordering onder II niet toewijsbaar is.

4.10.

Ten aanzien van de pandaktes van [gedaagde 1] heeft de rechtbank hiervoor geoordeeld dat [bedrijf 1] op grond van artikel VIII lid 5 van de algemene voorwaarden van [gedaagde 1] verplicht was tot verpanding. [gedaagden] stelt dat de algemene voorwaarden van [gedaagde 1] ook van toepassing zijn op de contractuele relatie tussen [gedaagde 2] en [bedrijf 1] en dat bijgevolg ook ten aanzien van de vier onder 2.11 genoemde pandaktes, de pandaktes waarbij [gedaagde 2] is betrokken (hierna: de pandaktes van [gedaagde 2] ), geldt dat [bedrijf 1] op grond van artikel VIII lid 5 van de algemene voorwaarden van [gedaagde 1] verplicht was tot verpanding en bijgevolg geen sprake kan zijn van een situatie als bedoeld in artikel 42 Fw. Volgens [gedaagden] is destijds overeengekomen dat [gedaagde 2] onder dezelfde condities zou werken als [gedaagde 1] en blijkt dit uit de verklaring van [B] (productie 6 van [gedaagden] ).

4.11.

De rechtbank overweegt als volgt. De stelling van [gedaagden] is onvoldoende feitelijk onderbouwd en wordt daarom gepasseerd. [gedaagden] heeft niet duidelijk gemaakt op welk moment, bij welke gelegenheid en op welke wijze precies de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden van [gedaagde 1] tussen [bedrijf 1] en [gedaagde 2] zou zijn overeengekomen. De verklaring van [B] waarnaar [gedaagden] verwijst is te vaag op dit punt. Uit die verklaring blijkt slechts dat [gedaagde 2] onder de gebruikelijke voorwaarden werkzaamheden voor [bedrijf 1] heeft uitgevoerd. Voor zover [B] al met de term gebruikelijke voorwaarden de algemene voorwaarden van [gedaagde 1] bedoelt, kan hieruit niet worden afgeleid dat de toepasselijkheid daarvan is overeengekomen. Hierbij komt dat [eiser] onbetwist heeft gesteld dat nergens uit blijkt, ook niet uit de e-mails uit die periode, dat de algemene voorwaarden van [gedaagde 1] ten tijde van de opdracht van [bedrijf 1] aan [gedaagde 2] ter sprake zijn gekomen.

4.12.

Het voorgaande betekent dat [bedrijf 1] met betrekking tot de pandaktes van [gedaagde 2] niet op grond van artikel VIII lid 5 van de algemene voorwaarden van [gedaagde 1] verplicht was tot verpanding.

4.13.

[gedaagden] stelt dat [bedrijf 1] op grond van een op 12/13 april 2011 gesloten overeenkomst verplicht was tot verpanding. [eiser] betwist deze stelling en beroept zich, indien en voor zover op 12/13 een dergelijke overeenkomst tot stand is gekomen, op de vernietigbaarheid van die overeenkomst op grond van artikel 42 Fw.

4.14.

De rechtbank is van oordeel dat er op 12/13 april 2011 nog geen wetenschap van benadeling was en dat er dus van vernietiging van de overeenkomst van 12/13 april 2011, voor zover tot stand gekomen, op grond van artikel 42 Fw geen sprake kan zijn. Uit de als productie 5 door [eiser] overgelegde e-mail van 13 april 2011 van [A] aan [bedrijf 2] en [B] , waarnaar [eiser] in dit verband verwijst, blijkt niet dat het faillissement en een tekort daarin met een redelijke mate van waarschijnlijkheid waren te voorzien. Weliswaar bestempelt [A] in die e-mail de financiële situatie van [bedrijf 1] als zeer zorgelijk, maar niet als uitzichtloos; [A] opperde immers dat moest worden gekeken naar de mogelijkheden van een financiële overbrugging tot, zo begrijpt de rechtbank, het moment dat [bedrijf 4] door een vonnis van de voorzieningenrechter zou worden gedwongen de onbetaalde facturen aan [bedrijf 1] te voldoen. Overigens betekent het feit dat nog zou worden geprocedeerd over de onbetaald gebleven facturen (het kort geding was toen nog niet aanhangig gemaakt) dat er een kans bestond dat [bedrijf 4] [bedrijf 1] zou moeten betalen en het tij zou worden gekeerd. Ook gelet daarop kan niet worden geconcludeerd dat het faillissement en een tekort daarin op 12/13 april 2011 met een redelijke mate van waarschijnlijkheid waren te voorzien.

4.15.

Uit het voorgaande volgt dat het subsidiaire en meer subsidiaire deel van de vordering onder III niet toewijsbaar is.

4.16.

[gedaagden] onderbouwt haar stelling dat op 12/13 april 2011 een overeenkomst tot stand is gekomen als volgt. Op 12 april 2011 hadden [bedrijf 2] , [B] en [A] een bespreking in het kantoor van [bedrijf 4] te Hoevelaken. Tijdens die bespreking is afgesproken dat [bedrijf 1] een kort geding tegen [bedrijf 4] zou starten over de openstaande facturen van [bedrijf 1] . Omdat [bedrijf 1] op haar beurt al maandenlang de facturen van [gedaagden] niet betaalde, heeft [bedrijf 2] toen verder met [B] en [A] afgesproken dat [gedaagden] geen facturen meer zou sturen, maar wel zekerheid voor nakoming zou krijgen. [bedrijf 2] heeft bij e-mail van 13 april 2011 (de onder 2.8 weergegeven e‑mail) zekerheidshalve nogmaals om instemming van [B] en [A] gevraagd om [gedaagde 2] zekerheid voor nakoming te verschaffen, dit door een eerste pandrecht te geven op de vorderingen op [bedrijf 4] . [gedaagden] wijst er in dit verband verder op dat uit de pandaktes, onderaan elke laatste pagina, blijkt dat de verplichting tot verpanding op 13 april 2011 is overeengekomen.

4.17.

[gedaagden] heeft naar het oordeel van de rechtbank met deze stelling en de toelichting daarop gemotiveerd verweer gevoerd tegen de stelling van [eiser] dat [bedrijf 1] onverplicht heeft verpand. [eiser] zal zijn stelling, voor zover die betrekking heeft op de vier pandaktes van [gedaagde 2] , dan ook moeten bewijzen. Op [eiser] rust immers de bewijslast; hij beroept zich in zijn hoedanigheid van curator op de vernietigbaarheid van de pandaktes op grond van artikel 42 Fw. Van dwingend - reeds thans doorslaggevend - bewijs dat op 13 april 2011 een verplichting tot verpanding is overeengekomen omdat dit uit de pandaktes blijkt, zoals [gedaagden] stelt, is hier geen sprake, omdat de bewijslast niet bij [gedaagden] ligt, maar bij [eiser] . Hem moet worden toegestaan van de juistheid van zijn stellingen op dit punt bewijs bij te brengen.

4.18.

Aan [eiser] zal een bewijsopdracht worden gegeven als in het dictum nader geformuleerd. Indien [eiser] het bewijs (mede) wenst te leveren door schriftelijke stukken of andere gegevens, dan dient hij deze afzonderlijk bij akte in het geding te brengen. Indien [eiser] het bewijs wil leveren door het doen horen van getuigen, dat dient hij dit in de akte te vermelden en de verhinderdata op te geven van alle partijen en van de op te roepen getuigen. De rechtbank zal dan vervolgens een dag en tijdstip voor een getuigenverhoor bepalen.

4.19.

De rechtbank verwacht dat het verhoor maximaal 60 minuten per getuige zal duren. Als [eiser] verwacht dat het verhoor van een getuige langer zal duren dan de hiervoor vermelde duur, dan kan dat in de te nemen akte worden vermeld.

4.20.

Als [eiser] in zijn bewijsopdracht slaagt en bijgevolg sprake is van een onverplichte rechtshandeling in de zin van artikel 42 Fw, dan moet voor elke pandakte van [gedaagde 2] worden beoordeeld of [bedrijf 1] op het moment dat de pandakte werd ondertekend (en dus de pandovereenkomst werd aangegaan), wetenschap van benadeling van haar schuldeisers had.

4.21.

Als [eiser] niet in zijn bewijsopdracht slaagt, dan is de weg van artikel 42 Fw voor [eiser] afgesneden. Ook de subsidiair bewandelde weg, die van artikel 47 Fw, zal dan niet tot het door [eiser] beoogde resultaat leiden. In dat geval geldt immers hetzelfde als ten aanzien van de pandaktes van [gedaagde 1] (zie 4.9); van samenspanning in de zin van artikel 47 Fw is niet gebleken.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1.

draagt [eiser] op om te bewijzen dat [bedrijf 1] met betrekking tot de vier pandaktes van [gedaagde 2] niet verplicht was tot verpanding;

5.2.

verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 24 augustus 2016 teneinde [eiser] in de gelegenheid te stellen bij akte aan te geven op welke wijze hij bewijs wil leveren;

5.3.

bepaalt dat, indien [eiser] (mede) bewijs wil leveren door middel van schriftelijke bewijsstukken, hij die stukken op die rolzitting in het geding moet brengen;

5.4.

bepaalt dat, indien [eiser] bewijs wil leveren door middel van het horen van getuigen, hij op die rolzitting:

- de namen en woonplaatsen van de getuigen dient op te geven;

- moet opgeven op welke dagen alle partijen, hun (eventuele) advocaten/gemachtigden en de getuigen in de drie maanden nadien verhinderd zijn; hij dient bij die opgave ten minste vijftien dagdelen vrij te laten waarop het getuigenverhoor zou kunnen plaatsvinden;

5.5.

bepaalt dat:

- voor het opgeven van verhinderdata geen uitstel zal worden verleend;

- indien [eiser] geen gebruik maakt van de mogelijkheid om verhinderdata op te geven de rechter eenzijdig een datum zal bepalen waarvan dan in beginsel geen wijziging meer mogelijk is;

- het getuigenverhoor zal kunnen worden bepaald op een niet daarvoor opgegeven dagdeel, indien bij de opgave minder dan het hiervoor verzochte aantal dagdelen zijn vrijgelaten;

5.6.

bepaalt dat de datum van het getuigenverhoor in beginsel niet zal worden gewijzigd nadat daarvoor dag en tijdstip zijn bepaald;

5.7.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Steenbergen, mr. N.V.M. Gehlen en mr. M.C.J. Lommen, bijgestaan door mr. H.G. van Soolingen als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 27 juli 2016.