Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:4060

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
27-07-2016
Datum publicatie
11-08-2016
Zaaknummer
C/16/345736 / HA ZA 13-431
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vervolg op het tussenvonnis van 20 april 2016, waarin is geoordeeld dat de bestuurder aannemelijk heeft gemaakt dat andere feiten en omstandigheden dan zijn onbehoorlijke taakvervulling (in de zin van artikel 2:248 lid 2 BW) een belangrijke oorzaak van het faillissemenet zijn. Ondanks kennelijk onbehoorlijke taakvervulling (in de zin van artikel 2:248 lid 1 BW) in de laatste maanden voorafgaand aan het faillissement, is niet aannemelijk dat dit (mede) een belangrijke oorzaak is van het faillissement. De bestuurder is daarom niet aansprakelijk op grond van artikel 2:248 lid 1 BW. Ook geen aansprakelijkheid op grond van artikel 2:9 BW, nu de curator heeft nagelaten om concreet te stellen welke schade de vennootschap heeft geleden. Hij heeft niet inzichtelijk gemaakt hoe de onbehoorlijke taakvervulling ertoe heeft geleid dat het vermogen van de vennootschap is verdampt en tot het faillissementstekort heeft geleid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/2360
OR-Updates.nl 2016-0237
INS-Updates.nl 2016-0310
prof. mr. A.W. Jongbloed annotatie in UDH:TvCu/13587
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/345736 / HA ZA 13-431

Vonnis van 27 juli 2016

in de zaak van

MR. JOHAN WESTERHOF Q.Q.,

In zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [bedrijf] B.V.,

wonende te Zeist,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. D. Heitman te Utrecht,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. I.D.C.J. van Driel te Vlaardingen.

Partijen zullen hierna de curator en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 20 april 2016

  • -

    de akte inbreng producties van de curator van 18 mei 2016

  • -

    de antwoordakte van [gedaagde] van 1 juni 2016.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

in conventie

2.1.

In het tussenvonnis van 5 november 2014 heeft de rechtbank geoordeeld dat, omdat [gedaagde] niet aan zijn administratieplicht had voldaan, op grond van artikel 2:248 lid 2 BW vast staat dat hij, ook voor het overige, zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld en dat deze onbehoorlijke taakvervulling vermoed wordt een belangrijke oorzaak van het faillissement van [bedrijf] te zijn. Nadat vervolgens in het kader van een aan [gedaagde] verstrekte bewijsopdracht getuigen zijn gehoord heeft de rechtbank in het tussenvonnis van 20 april 2016 (hierna: het tweede tussenvonnis) geoordeeld dat [gedaagde] aannemelijk heeft gemaakt dat de omstandigheid dat [bedrijf] vrijwel geen omzet had, een direct gevolg was van het feit dat de Zieso software nog niet klaar was voor de verkoop aan de doelgroep (grote bedrijven). Ook heeft de rechtbank geoordeeld dat het standpunt van de curator, dat het aan [gedaagde] is te wijten dat het niet tot verkoop van de Zieso software is gekomen, moest worden verworpen. De rechtbank heeft in het tweede tussenvonnis geconcludeerd dat [gedaagde] aannemelijk heeft gemaakt dat andere feiten en omstandigheden dan zijn onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn. In verband daarmee is de curator opgedragen om op basis van artikel 2:248 lid 1 BW te bewijzen dat kennelijk onbehoorlijke taakvervulling van [gedaagde] (mede) een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest. Naar aanleiding daarvan heeft de curator er voor gekozen om geen getuigen te laten horen maar heeft hij bij akte van 18 mei 2016 wel stukken in het geding gebracht. In die akte neemt de curator een aantal stellingen in waarmee hij kennelijk de rechtbank wil bewegen om terug te komen op de aan hem verstrekte bewijsopdracht. Verder concludeert de curator aan de hand van de door hem bij zijn akte overgelegde stukken dat de in die akte door de curator genoemde gedragingen van [gedaagde] kwalificeren als onbehoorlijk bestuur zoals bedoeld in artikel 2:248 lid 1 BW en dat dit mede een belangrijke oorzaak van het faillissement is. [gedaagde] betoogt in zijn antwoordakte dat de curator niet is geslaagd in zijn bewijsopdracht en dat de vorderingen moeten worden afgewezen.

2.2.

Met betrekking tot het impliciete verzoek van de curator om terug te komen op de aan hem verstrekte bewijsopdracht stelt de curator dat de rechtbank op onbegrijpelijke gronden heeft aangenomen dat [gedaagde] zich zou hebben ingespannen om te voorkomen dat de tweespalt de belangen van de onderneming zou schaden. Deze stelling berust op een onjuiste lezing van het tweede tussenvonnis, zoals hierna wordt toegelicht.

2.3.

De curator voert aan dat het onjuist is dat de mediationgesprekken hebben plaatsgevonden op initiatief van [gedaagde] en dat het oordeel van de rechtbank daarover berust op een aangename die geen onderbouwing vindt in de stukken die in deze procedure zijn ingebracht. In 2.11 van het tweede tussenvonnis staat dat [gedaagde] zich vergaand heeft ingespannen om ervoor te zorgen dat de tweespalt de belangen van [bedrijf] , en daarmee ook van haar schuldeisers, zo min mogelijk zou schaden, aanvankelijk door middel van mediationgesprekken met [A] en [B] onder leiding van [C] . De rechtbank heeft hierbij niet overwogen dat de mediationgesprekken hebben plaatsgevonden op initiatief van [gedaagde] . De rechtbank is daarvan ook niet uitgegaan, omdat zij niet weet wie het initiatief daartoe heeft genomen. De door de rechtbank bedoelde inspanning van [gedaagde] heeft eruit bestaan eruit dat hij zich niet heeft verzet tegen mediation maar constructief heeft deelgenomen aan de mediationgesprekken. Dat hij zich daarin constructief heeft opgesteld blijkt uit de verklaring van [C] dat [gedaagde] zich bij de lijmpogingen (ook) positief heeft opgesteld.

2.4.

De curator voert ook aan dat het evenmin de verdienste is van [gedaagde] dat [D] werd benoemd tot interim bestuurder; het voorstel om [D] tot interim bestuurder te benoemen kwam niet van [gedaagde] . Hierover merkt de rechtbank op dat in het tweede tussenvonnis nergens is overwogen of gesuggereerd dat [gedaagde] heeft voorgesteld om [D] te benoemen tot interim bestuurder. Uit de notulen van de aandeelhoudersvergadering van 18 april 2012 blijkt duidelijk dat dit voorstel tijdens de vergadering is gedaan door [A] . Wel staat in het tweede tussenvonnis (2.11) dat [gedaagde] , om de impasse te doorbreken, ruim twee maanden voor het faillissement [D] bij de onderneming heeft betrokken, en dat [gedaagde] zijn commerciële taken met instemming van zijn mede-aandeelhouders aan [D] heeft overgedragen. Deze conclusie heeft de rechtbank getrokken op basis van de getuigenverklaringen van [D] , [B] en [A] . [D] heeft verklaard: ‘Ongeveer 2 tot 3 maanden voor het faillissement ben ik betrokken geraakt bij [bedrijf] . Dat was op initiatief van [gedaagde] , die bevriend was met een investeerder die weer een vriend van mij was. [gedaagde] heeft mij bij onze eerste ontmoeting gevraagd of ik de commercie op mij wilde nemen.’ [B] heeft verklaard: ‘De laatste keer dat ik [gedaagde] gesproken heb was in een bijeenkomst waar ook [D] bij aanwezig was. We hadden [D] gevraagd om naar de bijeenkomst te komen omdat [gedaagde] [D] had ingeschakeld, aanvankelijk om het product commercieel te verkopen maar later om het bedrijf te redden.’ En [A] heeft in verband hiermee verklaard: ‘ [gedaagde] heeft [D] aangetrokken om de dagelijkse gang van zaken over te nemen,[…].’

2.5.

Verder voert de curator in het kader van zijn stelling, dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat [gedaagde] zich heeft ingespannen om te voorkomen dat de tweespalt de belangen van de onderneming zou schaden, dat de heer [E] zich op voordracht van [A] , en niet van [gedaagde] , aan de onderneming heeft verbonden. De curator suggereert dat uit het tweede tussenvonnis blijkt dat [gedaagde] zich naar het oordeel van de rechtbank actief heeft ingespannen om ook [E] aan [bedrijf] te verbinden. Dit is onjuist. In het tweede tussenvonnis (eveneens 2.11) staat dat toen [D] ongeveer zes weken aan het werk was voor [bedrijf] , [A] nog een derde, [E] , naar voren heeft geschoven, die samen met [D] moest proberen om de Zieso-software te verkopen. Wat uit deze overweging blijkt, maar niet uitdrukkelijk in het tweede tussenvonnis is overwogen, is dat [gedaagde] open stond voor initiatieven van degene met wie hij een ernstig verstoorde verstandhouding had, namelijk [A] , en dergelijke initiatieven niet blokkeerde maar er juist zijn medewerking aan heeft verleend.

2.6.

De curator voert ook aan dat het [B] was, en niet [gedaagde] , die voorstellen deed om afspraken met crediteuren te maken teneinde de onderneming te redden. In het tweede tussenvonnis (2.18) staat echter dat uit de notulen (van de aandeelhoudersvergadering van 18 april 2012) blijkt dat [gedaagde] informatie over bankrekeningen moest verstrekken aan [B] . De curator heeft geen enkele passage uit het tweede tussenvonnis aangewezen waaruit kan worden afgeleid dat dit volgens de rechtbank op voorstel van [gedaagde] is gebeurd.

2.7.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank niet terug op haar oordeel dat [gedaagde] aannemelijk heeft gemaakt dat andere feiten en omstandigheden dan zijn onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak zijn van het faillissement, zodat de daaruit voortvloeiende beslissing om de curator bewijs op te dragen in stand blijft.

2.8.

Met betrekking tot zijn standpunt dat sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur van [gedaagde] , zoals bedoeld in artikel 2:248 lid 1 BW, en dat dit mede een belangrijke oorzaak van het faillissement is, betoogt de curator het volgende. Diverse betrokkenen hebben de noodklok geluid en zijn met voorstellen gekomen om het zinkende schip te redden, maar [gedaagde] heeft die voorstellen en pogingen gefrustreerd en heeft zelf niets gedaan om het faillissement af te wenden. [gedaagde] heeft zich niet aan afspraken gehouden, de onderneming stuurloos gelaten, voor verdere escalatie gezorgd en met zijn destructieve gedrag bewerkstelligd dat [D] vertrok en de bereidwilligheid van [E] tot nihil werd gereduceerd. Ook heeft [gedaagde] alle betrokkenen, waaronder potentiële investeerders, tegen zich in het harnas gejaagd en daarmee elke oplossing om een faillissement te voorkomen teniet gedaan, aldus de curator.

2.9.

In verband met het verwijt van de curator, dat [gedaagde] onvoldoende sturing aan de onderneming heeft gegeven, voert hij aan dat [gedaagde] in de laatste maanden voor het faillissement nauwelijks op kantoor was, waardoor er feitelijk geen leiding was en er onvoldoende voortgang in het project zat. Eerder in deze procedure heeft de curator al een soortgelijke stelling ingenomen. De curator heeft toen aangevoerd dat [gedaagde] ruzie maakte met personeel (en potentiële klanten) en nauwelijks aanwezig was op kantoor, met als gevolg dat er nooit vaste klanten aan [bedrijf] zijn verbonden en de software nooit op de markt is gebracht. Dit betoog is door de rechtbank verworpen in het tweede tussenvonnis (2.9 en verder). De rechtbank verwijst daarnaar. De rechtbank voegt in het kader van het verwijt van onvoldoende sturing nog toe dat [D] op de aandeelhoudersvergadering van 18 april 2012 feitelijk de leiding van de onderneming in handen heeft gekregen, met instemming van [gedaagde] . Vanaf dat moment was het dus niet meer de taak van [gedaagde] om sturing te geven aan de onderneming.

2.10.

De curator heeft in het kader van de aan hem verstrekte bewijsopdracht in zijn laatste akte een aantal e-mails in het geding gebracht uit de periode van 23 april 2012 tot en met 12 mei 2012. In een e-mail van [D] aan [gedaagde] van 23 april 2012 wijst [D] [gedaagde] erop dat hij zijn frustratie over het verleden met Zieso begrijpt, maar dat die frustratie in al zijn gesprekken met [D] en de anderen (met wie [D] kennelijk de mede-aandeelhouders van [gedaagde] heeft bedoeld) doorwerkt en als zodanig zeer destructief is. Ook heeft [D] [gedaagde] in die e-mail meegedeeld dat [gedaagde] door de druk en zijn frustraties erg paniekerig overkomt en ongenuanceerd om zich heen slaat, en dat [D] hetzelfde rotgevoel krijgt als de anderen naar aanleiding van zijn onvoorspelbare gedrag. Verder heeft [D] [gedaagde] in die e-mail gevraagd zich te beheersen en iedereen positief te bejegenen, ‘zodat we nog een kans maken het overduidelijk zinkende schip te redden’. In een e-mail die [D] kort daarna, op dezelfde dag, aan [A] heeft gestuurd staat dat [D] het zat aan het worden is, dat hij (met wie kennelijk is bedoeld [gedaagde] ) niet luistert en negatief blijft doen en negatief over jullie (met wie bedoeld zal zijn: [A] en [B] ) blijft praten. En in een e-mail van [A] aan [gedaagde] van 12 mei 2012 staat dat [A] , nu [gedaagde] gebroken heeft met [D] , zonder [D] naar een afspraak zal gaan. Ook heeft [A] [gedaagde] in die e-mail meegedeeld dat, nu [D] is weggestuurd, [E] problemen heeft om door te gaan met Zieso; [E] ziet het niet meer zitten en heeft geen vertrouwen meer in de continuïteit.

2.11.

[gedaagde] heeft in zijn laatste akte de juistheid van de in 2.10 weergegeven mededelingen in de e-mails niet weersproken. Daarmee staat de juistheid daarvan vast. Door niet naar [D] te luisteren en zich negatief en onvoorspelbaar te gedragen heeft hij gezorgd voor een nog verdere verwijdering tussen hem enerzijds en [A] en [B] anderzijds, en heeft hij bewerkstelligd dat [D] en [E] , die gedurende ongeveer vier weken samen de commerciële kar van [bedrijf] hebben getrokken, de handdoek in de ring hebben gegooid. Geconcludeerd moet dan ook worden dat [gedaagde] zich eind april/begin mei 2012, hoewel hij onder druk stond van een dreigend faillissement, heeft gedragen zoals geen redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden zou hebben gedaan. Daarmee staat het kennelijk onbehoorlijke bestuur van [gedaagde] in díe periode vast. Ten aanzien van de periode daarvoor kan die conclusie echter niet worden getrokken. In verband daarmee verwijst de rechtbank naar de inhoud van het tweede tussenvonnis.

2.12.

Zoals de rechtbank in het tweede tussenvonnis heeft vastgesteld, was de Zieso software op het moment van het uitspreken van het faillissement (26 juni 2012) nog niet gereed voor verkoop aan de beoogde doelgroep (grote bedrijven). [D] heeft in een e-mail van 27 april 2012 aan [gedaagde] bevestigd dat er al negen maanden geen omzet meer was. [bedrijf] beschikte niet over externe financiering. De onderneming van [bedrijf] had, sinds zij in het najaar van 2011 met haar activiteiten, gericht op de verkoop van de Zieso-software, van start was gegaan, haar betalingen gedaan met geld dat door de aandeelhouders was ingebracht. Uit de notulen van de aandeelhoudersvergadering van

18 april 2012 blijkt dat alle aandeelhouders en [D] toen hebben gesproken over de financiële situatie van de onderneming en over de vraag of derden bereid zouden zijn daarin te investeren. Verder blijkt uit die notulen dat de liquide middelen op waren (‘er is geen geld’) en dat de totale schuld aan crediteuren toen door [A] werd geschat op

€ 35.000. [A] werkte in loondienst bij [bedrijf] en er was geen geld meer om zijn salaris te betalen. Ook was er geen geld meer om de huur van het bedrijfspand (eigendom van SOG, een vennootschap van medeaandeelhouder [B] ), te betalen. Naar aanleiding van de mededeling van [gedaagde] dat er geld moest komen merkte [C] op dat € 50.000 niet voldoende was en zei [D] dat er zeker ongeveer € 100.000 moest komen.

2.13.

Uit het voorgaande blijkt dat op 18 april 2012 een faillissement van [bedrijf] alleen kon worden afgewend als er op korte termijn ongeveer € 100.000 in de onderneming werd geïnvesteerd. De curator heeft echter niet gesteld dat, als [gedaagde] zich eind april/begin mei 2012 positief en constructief had opgesteld, een dergelijk bedrag waarschijnlijk in [bedrijf] zou zijn geïnvesteerd en dat daarmee een faillissement zou zijn voorkomen. Het is ook niet gebleken, zoals hierna wordt toegelicht.

2.14.

[D] , die eind maart/begin april 2012 is begonnen met zijn werkzaamheden voor [bedrijf] , heeft als getuige verklaard dat [gedaagde] hem bij hun eerste ontmoeting heeft gevraagd of hij de commercie op zich wilde nemen en dat hij tegen [gedaagde] heeft gezegd dat hij de kans op levensvatbaarheid van zijn project (waarmee hij de onderneming van [bedrijf] heeft bedoeld) op minder dan 5% schatte, gelet op zijn ervaring met de vier andere softwarebedrijven die hij heeft moeten sluiten. Bovendien heeft [D] , toen hij tijdens de aandeelhoudersvergadering van 18 april 2012 zei dat er zeker ongeveer € 100.000 moest komen, daaraan toegevoegd dat dit gezien de huidige stand van omzet en prospects zeer moeilijk zal worden.

2.15.

Uit het vonnis waarin het faillissement van [bedrijf] is uitgesproken (productie 1 bij de dagvaarding) blijkt dat [A] het faillissement op 25 mei 2012 heeft aangevraagd. In dat vonnis is vermeld dat [gedaagde] op de zitting van 26 juni 2012 heeft meegedeeld dat het loon van [A] niet is betaald sinds maart 2012. Hieruit leidt de rechtbank af dat [A] in ieder geval vanaf eind april 2012 geen salaris van [bedrijf] heeft ontvangen. [B] heeft als getuige verklaard dat hij, toen op een gegeven moment het salaris van [A] niet meer werd betaald, met [A] heeft besproken dat een faillissement eigenlijk onvermijdelijk was. [A] heeft als getuige verklaard dat hij, voordat hij het faillissement aanvroeg, ruggespraak heeft gehad met [B] en [C] (van [investeerder 1] ). Volgens [A] hebben zij hem niet aangeraden om het faillissement aan te vragen maar hebben zij wel gezegd: ‘doe het als je het moet doen’. De rechtbank constateert dat geen van de mede-aandeelhouders van [A] , zoals zijn vriend [B] en [investeerder 1] , bereid is gebleken om een relatief klein bedrag aan [bedrijf] te verstrekken waarmee het salaris van [A] gedurende in ieder geval enkele maanden zou kunnen worden betaald, om zo te voorkomen dat hij het faillissement ging aanvragen.

2.16.

Op 12 mei 2012 heeft [A] aan [gedaagde] geschreven dat [gedaagde] het, door wederom ruzie te maken, voor elkaar had gekregen dat [investeerder 1] helemaal niets meer ging doen voor Zieso. Onder verwijzing naar die mededeling stelt de curator dat [gedaagde] heeft gefrustreerd dat [investeerder 1] opnieuw in [bedrijf] investeerde. Dat [investeerder 1] daartoe wel bereid was vóór de door [A] genoemde ruzie heeft de curator echter niet onderbouwd. Dat [investeerder 1] in april/mei 2012 bereid was om extra in [bedrijf] te investeren blijkt niet uit de verklaring die [C] als getuige heeft afgelegd. Die bereidheid blijkt in ieder geval niet uit de notulen van de aandeelhoudersvergadering van 18 april 2012. Daarin staat dat [C] heeft meegedeeld dat er een oplossing is te vinden in investering, maar dat [investeerder 1] niet wil verwateren, en dat er een prospectus moest worden opgesteld. Dit wijst er juist op dat [investeerder 1] , in ieder geval op

18 april 2012 (en dus maar een paar weken voor de hiervoor genoemde e-mail van [A] ), níet bereid was extra in [bedrijf] te investeren.

2.17.

De curator betoogt ook dat [gedaagde] een potentiële investeerder, [investeerder 2] , zodanig heeft afgeschrikt, dat dit [D] noodzaakte om [gedaagde] op afstand te houden. De rechtbank constateert dat de mate waarin [investeerder 2] was afgeschrikt wel mee valt. In zijn e-mail aan [gedaagde] van 23 april 2012 heeft [D] namelijk geschreven dat [gedaagde] op de directeur van [investeerder 2] over was gekomen als een aardige vent met wie je kunt samenwerken, maar dat hij was verrast over de haast en onrust die [gedaagde] had laten zien om de relatie in business om te zetten. Ook is niet gesteld dat de directeur van [investeerder 2] na zijn ontmoeting met [gedaagde] niet meer met [D] wilde praten om te kijken of [investeerder 2] in [bedrijf] wilde gaan investeren. Het blijkt in ieder geval niet uit de door de curator overgelegde e-mails. In een e-mail van 7 mei 2012 heeft [D] de directeur van [investeerder 2] meegedeeld dat [gedaagde] met alle partijen rond Zieso overhoop lag en dat iedereen afstand van hem deed, met de vraag om de komende weken even af te wachten wat er gaat gebeuren en de slotmededeling dat [D] wel graag contact wilde houden. Daarop heeft de directeur van [investeerder 2] [D] diezelfde dag per e-mail bericht dat hij hem die middag nog ging bellen. Over het verdere verloop van het contact tussen [D] en de directeur van [investeerder 2] voert de curator niets aan.

2.18.

Niet gesteld of gebleken is bovendien dat er een reële kans bestond dat [investeerder 2] , als [gedaagde] zich anders had gedragen, op korte termijn een zodanig bedrag zou hebben geïnvesteerd dat [bedrijf] daardoor weer levensvatbaar zou zijn geworden. Het volgt in ieder geval niet uit de e-mail van [D] aan [gedaagde] van 27 april 2012, waarin staat dat als [investeerder 2] al zal besluiten om te investeren, zij de komende 2-3 maanden eerst een zeer secuur due diligence onderzoek zal uitvoeren.

2.19.

De curator betoogt ook nog dat er geen afspraken met crediteuren konden worden gemaakt en dat dit is te wijten aan [gedaagde] , die de door hem tijdens de aandeelhoudersvergadering van 18 april 2012 gedane toezegging om informatie over bankrekeningen aan [B] te verstrekken, niet is nagekomen. [gedaagde] heeft niet weersproken dat hij die toezegging niet is nagekomen, zodat dit vast staat. Net als in het tweede tussenvonnis (zie 2.19) constateert de rechtbank echter dat de curator níet stelt dat, als [gedaagde] wel de beloofde informatie aan [B] had verstrekt, het door [D] tijdens de aandeelhoudersvergadering van 18 april 2012 genoemde bedrag van

€ 100.000 hoogstwaarschijnlijk was aangetrokken en afspraken met schuldeisers hadden kunnen worden gemaakt, waarmee het faillissement zou zijn voorkomen. Verder blijkt dit scenario ook niet uit de door de curator bij zijn laatste akte overgelegde stukken.

2.20.

De conclusie luidt dat de curator niet is geslaagd in zijn bewijsopdracht. Zijn vorderingen, voor zover die zijn gebaseerd op artikel 2:248 BW, moeten daarom worden afgewezen.

2.21.

Aan zijn vordering om [gedaagde] te veroordelen om aan de curator te voldoen het bedrag van de schulden van [bedrijf] , voor zover die niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan, nader op te maken bij staat, legt de curator subsidiair ten grondslag onbehoorlijke taakvervulling in de zin van artikel 2:9 BW. Anders dan bij aansprakelijkheid uit hoofde van artikel 2:248 BW, leidt de vaststelling dat sprake is van onbehoorlijke taakvervulling in de zin van artikel 2:9 BW in het geval van een failliete rechtspersoon niet automatisch tot aansprakelijkheid voor het faillissementstekort. Wanneer een curator zich op grond van artikel 2:9 BW op het standpunt stelt dat de bestuurder aansprakelijk is voor het tekort, dient hij inzichtelijk te maken hoe de onbehoorlijke taakvervulling ertoe heeft geleid dat het gehele vermogen van de vennootschap is verdampt en zelfs tot een negatief saldo ter hoogte van het faillissementstekort heeft geleid. In verband daarmee dient de curator concreet te stellen welke schade de vennootschap door de aan de bestuurder verweten gedragingen heeft geleden. De curator heeft dat nagelaten, zodat al om die reden zijn vordering op basis van artikel 2:9 BW moet worden afgewezen.

2.22.

De curator zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Op basis van het uit de dagvaarding (randnummer 23) blijkende toenmalige faillissementstekort van € 103.959,09 worden de kosten aan de zijde van [gedaagde] begroot op:

- griffierecht 274,00

- getuigenkosten 1.332,80

- salaris advocaat 7.105,00 (5,0 punten × tarief € 1.421,00)

Totaal € 8.711,80

in reconventie

2.23.

[gedaagde] heeft een verklaring voor recht gevorderd, inhoudend dat de curator onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld en schadevergoeding moet betalen, op te maken bij staat. Deze vordering houdt verband met de stelling van [gedaagde] dat de curator onzorgvuldig jegens hem heeft gehandeld door hem, hoewel hij zijn interesse in overname van de intellectuele eigendomsrechten op de Zieso-software kenbaar had gemaakt, niet uit te nodigen tot het doen van een bod. In het tussenvonnis van 5 november 2014 heeft de rechtbank al geoordeeld dat deze vordering voor afwijzing gereed ligt. De rechtbank verwijst daarnaar (4.16 tot en met 4.19).

2.24.

[gedaagde] heeft ook een verklaring voor recht gevorderd, inhoudend dat de door de curator gelegde conservatoire beslagen onrechtmatig zijn en dat de curator verplicht is de daaruit ontstane schade te voldoen, op te maken bij staat. Ook heeft [gedaagde] veroordeling van de curator gevorderd tot opheffing van de gelegde beslagen, op straffe van een dwangsom.

2.25.

Aangezien de vorderingen van de curator in conventie worden afgewezen moet, achteraf, worden geconcludeerd dat de curator de conservatoire beslagen onrechtmatig heeft gelegd. Uit de overgelegde beslagstukken (het beslagrekest en de als productie 11 bij dagvaarding overgelegde beslagexploten) blijkt dat de curator conservatoir beslag heeft gelegd op de woning van [gedaagde] , terwijl deze te koop stond. Ook heeft de curator conservatoir derdenbeslag gelegd onder ING Bank, bij welke bank [gedaagde] een door de curator genoemd rekeningnummer aanhield. Daarnaast heeft de curator conservatoire derdenbeslagen gelegd onder de huurders van twee panden van [gedaagde] . Gelet hierop is de mogelijkheid van schade voor [gedaagde] als gevolg van deze beslagen aannemelijk, zodat de met de beslagen verband houdende gevorderde verklaring voor recht kan worden toegewezen. Verder zal de rechtbank de beslagen met inachtneming van artikel 705 lid 1 Rv zelf opheffen, zodat het niet nodig is de curator tot opheffing te veroordelen.

2.26.

Aangezien elk van partijen als op enig punt in het ongelijk gesteld is te beschouwen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze.

3 De beslissing

De rechtbank

in conventie

3.1.

wijst de vorderingen af,

3.2.

veroordeelt de curator in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 8.711,80,

3.3.

verklaart dit vonnis in conventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

3.4.

verklaart voor recht dat de uit productie 11 bij de dagvaarding blijkende conservatoire beslagen onrechtmatig door de curator zijn gelegd en dat de curator verplicht is de daaruit ontstane schade aan [gedaagde] te vergoeden, op te maken bij staat,

3.5.

heft op de uit productie 11 bij de dagvaarding blijkende conservatoire beslagen,

3.6.

verklaart dit vonnis in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.7.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

3.8.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.K.J. van den Boom en in het openbaar uitgesproken op 27 juli 2016.1

1 type: JvdB/4223 coll: HAB/4727