Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:4007

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
17-06-2016
Datum publicatie
23-08-2016
Zaaknummer
UTR 15/6250
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep gegrond, zelf in de zaak voorzien, ten onrechte aanvraag restrictie 'ligt Aircraft Pilot Licence (LAPL) only van Flight Instructor Airoplanes certificaat (FI(A)) te verwijderen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 15/6250

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juni 2016 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr.dr. R.M. Schnitker),

en

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, verweerder

(gemachtigden: mr. I.M. Kops en F.T. Knape).

Procesverloop

Bij besluit van 27 juli 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om de restrictie ‘light Aircraft Pilot Licence (LAPL) only’ van zijn Flight Instructor Airoplanes certificaat (FI(A)) te verwijderen, afgewezen.

Bij besluit van 21 oktober 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 maart 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Eiser heeft zijn FI-opleiding met een RFI examen afgesloten. Deze nationale instructie bevoegdheid (RFI) is door middel van een conversie examen omgezet naar de bevoegdheid FI met een restrictie zodat hij alleen vliegers mag opleiden voor het Europese vliegbrevet LAPL.

2. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor een FI(A) certificaat zonder restrictie LAPL. Verweerder stelt daartoe dat de vereisten voor afgifte van het FI(A) certificaat volgen uit FCL.915.FI van Verordening (EU) 1178/2011. Verweerder stelt op grond daarvan dat het hebben van theoriekennis van het bewijs van bevoegdheid CPL(A) één van deze vereisten is. Daarbij stelt verweerder dat om te kunnen constateren of iemand over de vereiste CPL theoriekennis beschikt in FCL.310 staat aangegeven dat een kandidaat blijk moet geven van een niveau van kennis over een aantal onderwerpen. De wijze waarop dat moet gebeuren staat beschreven in FCL.315. Er moet daarvoor met goed gevolg een theorie-examen zijn afgelegd. Eiser heeft daar volgens verweerder niet aan voldaan. Eiser heeft volgens verweerder niet aangetoond over voldoende kennisniveau voor een CPL(A) te beschikken.

3. Eiser heeft aangevoerd dat hij wel kan aantonen dat hij over een voldoende CPL(A) kennisniveau beschikt. Immers, de voorwaarde voor toelating tot de opleiding van instructeur, de FI(A), was dat eiser over voldoende kennisniveau CPL(A) beschikte. De heer [A] , gekwalificeerd FI op grond van de JAR-FCL 1.330(f) en chef Instructeur in de periode dat eiser de opleiding tot vlieginstructeur bij [naam 1] B.V. volgde, heeft schriftelijk verklaard dat eiser een CPL theoriekennis examen aan het begin van zijn instructeurs opleiding succesvol heeft afgelegd. Ook de heer [B] van de [naam 2] heeft in een e-mailbericht verklaard dat eiser in het JAR-FCL tijdperk een FI-opleiding heeft gevolgd en dat aan het begin van deze opleiding een test is afgenomen om de kennis op CPL niveau te toetsen. Hij voegt daaraan toe dat deze wijze van toetsing toen werd geaccepteerd. Hiermee staat volgens eiser buiten kijf dat hij over kennis op CPL niveau beschikt en dat de toetsing daarvan ook werd geaccepteerd. De verwijzing door verweerder naar FCL.310 en FCL.315 vindt geen grondslag in het conversieverslag en evenmin in de Verordening (EU) 1178/2011. Artikel 4, derde lid, van de Verordening (EU) laat volgens eiser de mogelijkheid open om via het bepaalde in het conversieverslag een instructiebevoegdheid te verkrijgen zonder beperkingen.

4. Partijen zijn het er over eens dat de afgifte van het in geschil zijnde bewijs van bevoegdheid thans wordt geregeld in de Verordening (EU) 1178/2011 en dat deze Verordening tevens regelt hoe bestaande nationale bewijzen van bevoegdheid dienen te worden omgezet. Partijen zijn het er ook over eens dat verweerder voor de omzetting van nationale bevoegdheden conform het bepaalde in de Verordening een conversieverslag heeft opgesteld. Partijen verwijzen beide naar pagina 9 van dit conversieverslag, waar staat omschreven wanneer de in geding zijnde beperking kan worden verwijderd. Partijen verschillen echter van mening over de uitleg van deze bepaling, waarbij eiser kort gezegd stelt dat hij voldoet aan de in die bepaling geformuleerde eis en verweerder zich op het standpunt stelt dat hij niet aan die eis voldoet.

5. De rechtbank is van oordeel dat de door verweerder voorgestane uitleg niet gevolgd kan worden. Zij overweegt daartoe het volgende.

Artikel 4 van de Verordening (EU) 1178/2011 bepaalt in het derde lid:

“3. Bewijzen van bevoegdheid die niet zijn gebaseerd op de JAR en de bijbehorende bevoegdverklaringen of certificaten worden omgezet in bewijzen van bevoegdheid conform deel FCL overeenkomstig:

  1. de bepalingen van bijlage II, of

  2. de elementen die in een conversieverslag zijn vastgesteld.”

De van belang zijnde passage op pagina 9 van het conversieverslag luidt als volgt:

“Removal of limitation

To remove the restriction to provide training for the LAPL(A) only the applicant shall prove that CPL theoretical knowledge examinations have been passed.”

Uit deze passage volgt dat voor het verkrijgen van een volledige bevoegdheid, derhalve voor het verwijderen van de beperking, aangetoond moet worden dat met succes een CPL theoriekennis examen is afgelegd. Dat voldaan moet worden aan FCL.310 en FCL.315 blijkt niet uit het conversieverslag. Dit volgt ook niet uit artikel 4 van de Verordening (EU) 1178/2011. In FCL.310 en FCL.315 zijn kennelijk de huidige eisen vastgelegd, maar blijkens voormeld artikel 4 kan het conversieverslag de regels voor omzetting geven. Dit volgt ook uit het hiervoor geciteerde derde lid van artikel 4 van de Verordening (EU) 1178/2011, waarin is bepaald dat bewijzen van bevoegdheid ofwel worden omgezet overeenkomstig de bepalingen van bijlage II bij deze Verordening ofwel overeenkomstig het conversieverslag. In het vierde lid is bepaald dat het conversieverslag eventuele beperkingen moet aangeven en moet aangeven aan welke eisen moet worden voldaan om die beperkingen op te heffen. Dit is kennelijk geschiedt door middel van de passage op pagina 9 van het conversieverslag. De rechtbank volgt verweerder dus niet in zijn standpunt dat eiser moet voldoen aan FCL.310 en FCL.315.

De rechtbank is voorts van oordeel dat eiser heeft voldaan aan de eis zoals deze volgt uit het conversieverslag. Niet in geschil is dat eiser een FI opleiding heeft gevolgd en dat hij destijds een CPL toelatingsexamen heeft moeten afleggen om aan deze opleiding te mogen beginnen. Omdat eiser deze opleiding met een RFI examen heeft afgesloten en deze nationale bevoegdheden na het van kracht worden van de Verordening (EU) 1178/2011 moesten worden omgezet in Europese bevoegdheden, heeft eiser de conversieopleiding tot vlieginstructeur met de bevoegdheid FI gevolgd en het FI examen met succes afgelegd. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat degenen die destijds de FI opleiding hebben gevolgd, met het CPL toelatingsexamen, en toen een FI examen hebben behaald, thans wel een volledige bevoegdheid hebben en derhalve geen beperking. Degenen die deze volledige bevoegdheid hebben behouden, hebben hetzelfde toelatingsexamen voor de opleiding FI(A) afgelegd als eiser en beschikken derhalve over dezelfde CPL kennis, hetgeen door verweerder niet is betwist. Ter zitting is door verweerder ook verklaard dat voor diegenen FLC.310 en FCL.315 niet geldt. Nu de kennis van eiser niet verschilt van een ander die wel een volledige bevoegdheid heeft behouden, kan de rechtbank verweerder niet volgen in zijn uitleg dat de CPL kennis van eiser niet voldoende zou zijn.

Nu verweerder dit ook ter zitting niet nader heeft kunnen motiveren, is de rechtbank van oordeel dat eiser, met de overgelegde stukken, voldoende heeft aangetoond dat hij over CPL kennisniveau beschikt en daarmee voldoet aan de in het conversieverslag neergelegde voorwaarde voor verwijdering van de beperking.

6. Het beroep is daarom gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit.

De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat aan eiser een volledige bevoegdheid FI(A) wordt verstrekt, derhalve zonder de restrictie LAPL.

7. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 165,- vergoedt.

8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand vast op € 992,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 496,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het primaire besluit en bepaalt dat aan eiser een bevoegdheid FI(A) zonder restrictie LAPL wordt verstrekt;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 165,- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 992,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J. Praamstra, rechter, in aanwezigheid van E.M. Schoot, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2016.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.