Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:3986

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
20-07-2016
Datum publicatie
29-07-2016
Zaaknummer
4077060
Rechtsgebieden
Intellectueel-eigendomsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Inbeuk auteursrecht ivm overgenomen teksten uit afstudeerscriptie. Geen IE-inbreuk op project dat onderwerp van scriptie vormt, als eenlijnsprestatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
IER 2018/34 met annotatie van V. Rörsch
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 4077060 UC EXPL 15-5981 WV/1337

Vonnis van 20 juli 2016

inzake

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [eiseres] ,

eisende partij,

gemachtigde: mr. P-A.Th.A.M. van Egmond,

tegen:

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [gedaagde] ,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. W.M.M. de Vries.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 15 juli 2015 waarbij een comparitie van partijen is gelast

- de akte overlegging producties van [eiseres] van 8 oktober 2015

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek

- de akte uitlating producties van [eiseres] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

In mei 2012 heeft [eiseres] haar studie Digitale Fotografie aan de [Academie] in Rotterdam met succes afgerond. Zij heeft in dat kader een afstudeerscriptie geschreven met de titel “Werkelijkheid op reis, een onderzoek naar reisfotografie in de huidige beeldcultuur”. In deze scriptie behandelt [eiseres] de vraag: “Laten reisfoto’s een schijnwerkelijkheid zien?”.

De scriptie is mede gebaseerd op het door [eiseres] uitgevoerde experiment dat zij het “ [naam] ”-project heeft genoemd (hierna: het project van [eiseres] ). Dit experiment had tot doel om aan te tonen dat (bewerkte) reisfoto’s schijnwerkelijkheid in het leven kunnen roepen.

De scriptie en het project van [eiseres] staan sinds mei 2012 online op de website van [eiseres] ( [website] ) en deels (de presentatie van het project) op de website van de [Academie] .

2.2.

In mei 2013 studeerde [gedaagde] af aan de [Hogeschool] in Utrecht ( [Hogeschool] ) in de richting Graphic Design. De afstudeerscriptie van [gedaagde] is getiteld “ [naam] ” en heeft als onderzoeksvraag: “Laten reisfoto’s een schijnwerkelijkheid zien?” De scriptie is gebaseerd op een door [gedaagde] uitgevoerd experiment dat tot doel had om aan te tonen dat (bewerkte) reisfoto’s en berichten (zoals ansichtkaarten, berichten op sociale media en Skype-contacten) een schijnwerkelijkheid in het leven kunnen roepen.

Het project van [gedaagde] staat op de website van [gedaagde] (eerst [website] ; later op [website] ). Haar scriptie is opgenomen in de bibliotheek en de online databank van de [Hogeschool] .

2.3.

Diverse keren in 2014 is in verschillende media (waaronder de dagbladen Het Parool en Algemeen Dagblad, en het televisieprogramma RTL Late Night) aandacht besteed aan het project van [gedaagde] .

2.4.

Dit heeft uiteindelijk geleid tot het volgende artikel van 22 mei 2014 op de website van het Algemeen Dagblad:

Het project van [gedaagde] , de grafisch ontwerpster die haar vrienden en familie vijf weken lang misleidde met neppe vakantiefoto's, zou plagiaat zijn, stelt [eiseres] . Ze studeerde twee jaar geleden met hetzelfde project af. 'Het is exact hetzelfde concept. Ik ben me kapot geschrokken,' aldus [eiseres] . Het idee en de uitwerking komen overeen. Zelfs een zin uit de conclusie dubbelt letterlijk.

Gister werd het artikel over [gedaagde] nog door meer dan een half miljoen mensen bekeken op deze site. Media toonden massaal interesse in [gedaagde] , waaronder de show (RTL Late Night) van Humberto Tan, Q-Music en het Parool. Dit tot grote verbazing van [eiseres] . 'Het is exact hetzelfde concept, tot achter de komma,' stelt ze. Twee jaar geleden studeerde zij op precies dezelfde wijze af en haar complete afstudeerproject, inclusief scriptie, is op haar site te bekijken.

Overeenkomsten

De overeenkomsten vindt [eiseres] wel erg opvallend. Beide dames 'vertrokken' naar Azië, bezochten de dierentuin en een Thais restaurant om een foto te maken en te bewerken. Ook gingen beide dames eerst onder de zonnebank om vervolgens het zwembad in te duiken voor een foto onderwater met snorkel.

Verder zijn de conclusies van de scripties niet alleen qua strekking gelijk, maar is een zin zelfs letterlijk hetzelfde. Ook de spelfout in de volgende zin is in beide stukken te lezen: 'Als vakantieganger ben je namelijk opzoek naar het ultieme vakantiegevoel..'. Hier hoort 'opzoek' geschreven te worden met een spatie (op zoek, red.).

Helemaal ziek

De moeder van [eiseres] liet weten dat haar dochter helemaal ziek is van de situatie. Ze zou contact hebben gelegd met Humberto Tan en de [Academie] .

Inmiddels hebben [eiseres] en [gedaagde] contact met elkaar gehad. ' [gedaagde] stelde voor om af te spreken en de scripties naast elkaar te leggen, daar heb ik niet zo'n behoefte aan. Ik heb het bij de [Academie] neergelegd. Daar waren ze erg verbaasd en gaan nu kijken wat ze met deze informatie kunnen.'

Van geen kwaad bewust

Ondertussen is [gedaagde] zich van geen kwaad bewust: 'Ik ben er van overtuigd dat het mijn eigen project is. Het is gewoon puur toeval. Ik heb ook al een plagiaatscan uitgevoerd en daar kwam niks uit. Ik maak me dus geen zorgen.' Wel was ze op de hoogte van het bestaan van het project van [eiseres] . 'Ik kwam er pas achter toen ik al bijna klaar was met mijn project. Ik schrok onwijs, maar ben niet naar mijn docenten toe gestapt. Ik was bang dat ze zouden denken dat het niet mijn eigen werk was.'

De school waar [gedaagde] studeerde, de [Hogeschool] , zegt nog niks te weten over de kwestie. 'Ik hoor dit nu voor het eerst,' aldus voorlichter [X] . 'Wel weet ik dat het met kunst vaak is dat een concept in de lucht hangt en door meerdere personen wordt opgepikt. Het gebeurt wel vaker dat studenten hetzelfde idee hebben en dezelfde uitwerking. Dat kan prima naast elkaar bestaan.'

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert dat de kantonrechter:

  1. [gedaagde] beveelt om iedere inbreuk op de auteursrechten op de scriptie en het project van [eiseres] te staken en gestaakt te houden, op straffe van verbeurte van een dwangsom,

  2. [gedaagde] verbiedt in publieke uitlatingen te ontkennen dat zij haar scriptie en afstudeerproject heeft ontleend aan de scriptie en het project van [eiseres] , op straffe van verbeurte van een dwangsom,

  3. [gedaagde] beveelt een rectificatie te plaatsen met een bepaalde inhoud in Het Parool, dan wel een ander landelijk dagblad, alsmede op de website van [gedaagde] , op straffe van verbeurte van een dwangsom,

  4. [gedaagde] beveelt om de [Hogeschool] te verzoeken de onder 3 bedoelde rectificatie gedurende drie maanden op te hangen in de bibliotheek en het exemplaar van de scriptie van [gedaagde] uit de bibliotheek en de online databank te verwijderen, op straffe van verbeurte van een dwangsom,

  5. [gedaagde] veroordeelt tot vergoeding van 90% van de gemaakte proceskosten ex artikel 1019h Rv, en 10% conform het toepasselijke liquidatietarief, dan wel tot vergoeding van de kosten conform het liquidatietarief en de buitengerechtelijke kosten,

  6. [gedaagde] veroordeelt in de nakosten.

3.2.

[gedaagde] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Auteursrechtelijk beschermd?

4.1.

Partijen verschillen onder meer van mening over het antwoord op de vraag of de scriptie en het project van [eiseres] voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking komen.

4.2.

Daarvoor is vereist dat het desbetreffende werk een eigen, oorspronkelijk karakter heeft en het persoonlijk stempel van de maker draagt (HR 30 mei 2008, LJN BC2153). Het Hof van Justitie heeft de maatstaf aldus geformuleerd dat het moet gaan om een eigen intellectuele schepping van de auteur van het werk (HvJEU 16 juli 2009, nr C-5/08, LJN BJ3749). De eis dat het werk het persoonlijk stempel van de maker moet dragen, betekent dat sprake moet zijn van een vorm die het resultaat is van scheppende menselijke arbeid en dus van creatieve keuzes, en die aldus voortbrengsel is van de menselijke geest (HR 30 mei 2008, LJN BC2153). Het auteursrechtelijk werkbegrip vindt haar begrenzing waar het eigen, oorspronkelijk karakter enkel datgene betreft wat noodzakelijk is voor het verkrijgen van een technisch effect. Daarbuiten valt ook al hetgeen een vorm heeft die zo banaal of triviaal is, dat daarachter geen creatieve arbeid van welke aard ook valt te aan te wijzen (HR 30 mei 2008, LJN BC2153).

De scriptie van [eiseres]

4.3.

Naar het oordeel van de kantonrechter voldoet de scriptie van [eiseres] op zichzelf aan deze eis. [eiseres] heeft in haar scriptie op eigen wijze een beschrijving gegeven van en een visie gegeven op de door haar in haar afstudeeropdracht geformuleerde onderzoeksvraag. Niet gesteld of gebleken is dat zij haar scriptie aan een ander heeft ontleend, zodat de scriptie van [eiseres] auteursrechtelijke bescherming toekomt.

4.4.

Dit laat evenwel onverlet dat er zinnen in de scriptie voorkomen die niet het persoonlijk stempel van de maker dragen, omdat in de Nederlandse taal geen zinnige andere wijze van verwoording mogelijk is. Dat geldt voor:

- de onderzoeksvraag ”Laten reisfoto’s een schijnwerkelijkheid zien?”: uitgaande van het (terechte) uitgangspunt van partijen dat een onderzoek naar de verhouding tussen reisfoto’s en de daardoor mogelijk opgewekte schijnwerkelijkheid als zodanig een idee betreft dat zich niet leent voor auteursrechtelijke bescherming, ligt de formulering van de onderzoeksvraag zo voor de hand, dat daarin geen persoonlijk stempel van de maker te herkennen is;

- de inleidende zin “Deze scriptie is geschreven in het kader van mijn afstudeeropdracht (…). Het omvat een onderzoek naar de werkelijke en denkbeeldige wereld in de reisfotografie.” Ook hiervoor geldt dat deze wijze van formulering van de inleiding voor de hand ligt.

4.5.

[eiseres] claimt ook een auteursrecht ten aanzien van de vermelding in haar scriptie van (moeilijk vindbare) foto’s en citaten van derden. Het auteursrecht op dergelijke foto’s en citaten berust echter niet bij [eiseres] . Zij zou alleen een auteursrecht kunnen hebben op de selectie van deze bronnen, maar daarin kan de kantonrechter geen persoonlijk stempel van [eiseres] herkennen. De omstandigheid dat sommige bronnen wellicht minder gebruikelijk zijn, maakt dat niet anders: niet het vinden van werken maar het creëren van werken wordt door de Auteurswet beschermd.

4.6.

Voor het overige is de scriptie wel (als het gaat om de zinnen of zinsnedes waarvoor [eiseres] bescherming inroept) op een creatieve wijze verwoord, zodat deze auteursrechtelijk beschermd is.

Het project van [eiseres]

4.7.

Ten aanzien van haar project “ [naam] ” stelt [eiseres] zich op het standpunt dat dit een auteursrechtelijk beschermde combinatie is van op zichzelf niet beschermde elementen, en wel de volgende:

  1. de schijnwerkelijkheid die [eiseres] in het leven wilde roepen, was een (niet daadwerkelijk door haar gemaakte) buitenlandse reis;

  2. meer in het bijzonder een buitenlandse reis naar Thailand;

  3. [eiseres] bracht familie en vrienden van tevoren op de hoogte van haar buitenlandse reis naar Thailand;

  4. nadat [eiseres] zogenaamd was vertrokken op haar reis naar Thailand, dook zij verschillende weken onder in haar eigen huis;

  5. [eiseres] maakte/bewerkte foto’s, die zogenaamd op haar reis in Thailand zouden zijn gemaakt. Meer in het bijzonder werden de volgende foto’s door [eiseres] gemaakt/bewerkt:

i. foto’s van [eiseres] in een Nederlandse dierentuin;

ii. foto’s van [eiseres] in Thais restaurant [naam] in Amsterdam;

iii. foto’s van [eiseres] met een snorkel in een Nederlands zwembad;

de hiervoor genoemde foto’s werden door [eiseres] vervolgens op social media geplaatst en op haar website, zodat door haar omgeving kennis kon worden genomen van de foto’s;

[eiseres] bezocht een zonnestudio, zodat het zou lijken alsof zij op haar reis in Thailand bruin was geworden. [eiseres] heeft zichzelf onder de zonnebank gefotografeerd;

[eiseres] stuurde zogenaamd uit Thailand, maar in werkelijkheid vanuit Nederland, ansichtkaarten naar familie en vrienden, Op deze ansichtkaarten plakte zij een gewone Nederlandse postzegel.

[eiseres] verzamelde bewijs (zoals reacties op haar foto’s op social media) waaruit bleek dat iedereen in haar omgeving daadwerkelijk in de veronderstelling verkeerde dat zij op reis was in Thailand;

[eiseres] onthulde vervolgens haar experiment en bracht haar omgeving op de hoogte van het feit dat zij niet naar Thailand was geweest en verzamelde bewijs van de reacties van haar omgeving op deze onthulling.

4.8.

Tussen partijen is (terecht) niet in geschil dat het idee/concept/experiment van het organiseren van een fictieve vakantiereis, waarvan achterblijvers via gefingeerde berichten op de hoogte worden gehouden, niet auteursrechtelijk beschermd is. [eiseres] stelt evenwel dat zij dit idee/concept op een creatieve manier heeft uitgewerkt, en dat die uitwerking wel auteursrechtelijk te beschermen is.

4.9.

Naar het oordeel van de kantonrechter zijn elementen a, c, d, f, g (deels), h, i en j noodzakelijke onderdelen van het idee/concept zelf (en de verantwoording daarvan in het kader van een experiment), en in zoverre onderdeel van het - niet auteursrechtelijk te beschermen - concept:

  • -

    het betreft een fictieve reis, dus de organisator gaat niet daadwerkelijk op reis;

  • -

    de achterblijvers moeten in de veronderstelling worden gebracht dat de organisator wel op reis is; daarbij ligt het sturen van een ansichtkaarten en (in de huidige tijdgeest) het plaatsen van foto’s en berichten op sociale media voor de hand; bij een zonnig land lukt het experiment alleen als de organisator periodiek de zonnebank gebruikt;

  • -

    na afloop van de fictieve reis worden de achterblijvers op de hoogte gesteld van het feit dat het een fictieve reis betrof, bewijs daarvan getoond en worden hun reacties vastgelegd.

4.10.

In het kader van een dergelijk experiment zijn in zekere zin wel keuzes mogelijk zoals ten aanzien van:

- het land waar de fictieve reis zich afspeelt (element b),

- de foto’s die aan de achterblijvers worden verstrekt tijdens (element e) en na de reis (element g).

4.11.

De keuze voor Thailand is - zo begrijpt de kantonrechter - vooral ingegeven doordat het een voor Nederlanders bekend, goedkoop, relatief ver weg gelegen en veel bezocht vakantieland is. In zoverre is deze keuze derhalve ingegeven door functionele motieven, namelijk om het experiment geloofwaardig te laten zijn voor een student, die in zijn algemeenheid over weinig financiële middelen beschikt voor een vakantie, en toch ver weg genoeg om spontane bezoekjes van vrienden of familie te voorkomen. Gelet hierop is de kantonrechter van oordeel dat in de keuze voor Thailand onvoldoende een persoonlijk stempel van [eiseres] te herkennen is.

4.12.

Ten aanzien van de foto’s die aan de achterblijvers werden verstrekt, merkt de kantonrechter op dat [eiseres] in deze geen beroep doet op het auteursrecht met betrekking tot die foto’s (omdat [gedaagde] die foto’s niet heeft verveelvoudigd), maar zich beroepen op het auteursrecht ten aanzien van de (combinatie van) onderwerpen die zij heeft gefotografeerd:

- een foto genomen in een Nederlandse dierentuin;

- een foto genomen in een in Nederland gelegen Thais restaurant;

- een foto (van [eiseres] ) met een snorkel in een Nederlands zwembad.

Indien auteursrechtelijke bescherming ten aanzien van deze (selectie van) onderwerpen zou worden aangenomen, zou het maken van (een combinatie van) foto’s hiervan in wezen worden gemonopoliseerd. Daarom beschermt de Auteurswet alleen de concrete vormgeving van een idee of concept. In de selectie van onderwerpen is overigens ook geen persoonlijk stempel van [eiseres] te ontdekken: om de reisfoto’s van Thailand geloofwaardig te doen zijn, verwachten de achterblijvers foto’s van de Thaise natuur, het eten en het strandleven. En moet achteraf bewijs worden verschaft dat de reis fictief is en dus niet heeft plaatsgevonden.

Nu in de onderhavige zaak de auteursrechtelijke bescherming van de concrete foto’s van [eiseres] zelf niet wordt ingeroepen, komt [eiseres] terzake van elementen e en g (ook niet in combinatie met overige elementen) geen auteursrecht toe.

4.13.

Gelet op het voorgaande valt niet in te zien waarom de combinatie van de onder 4.7 vermelde elementen het project van [eiseres] het persoonlijk stempel van [eiseres] geeft en het project doet uitstijgen boven een (auteursrechtelijk onbeschermd) idee of concept.

Dit betekent dat het beroep van [eiseres] op het auteursrecht met betrekking tot haar project faalt. Hetzelfde geldt dientengevolge voor haar beroep op schending van de persoonlijkheidsrechten ex artikel 25 Auteurswet met betrekking tot het project.

Inbreuk op auteursrecht scriptie?

4.14.

Vervolgens moet beoordeeld worden of [gedaagde] met haar afstudeerscriptie “ [naam] ” inbreuk heeft gemaakt op de scriptie van [eiseres] .

Toetsingskader

4.15.

Partijen verschillen daarbij van mening over het antwoord op de vraag of bij een scriptie als in de onderhavige zaak de inbreukvraag moet worden beantwoord aan de hand van de totaalindrukken die de werken maken, of per individueel onderdeel van die werken (zin of zinsnede).

4.16.

De Hoge Raad heeft in de zaak [naam] / [naam] (HR 12 april 2013 LJN BY1532) overwogen dat voor de beantwoording van de vraag of sprake is van inbreuk op een auteursrecht op een gebruiksvoorwerp beoordeeld dient te worden in welke mate de totaalindrukken van het beweerdelijk inbreuk makende werk en het beweerdelijk bewerkte of nagebootste werk overeenstemmen.

Een scriptie kan niet worden aangemerkt als een gebruiksvoorwerp, zodat die uitspraak niet op een dergelijk werk kan worden toegepast.

4.17.

Daarbij komt dat - als een inbreuk op een literair werk naar het totaalindrukkencriterium beoordeeld zou moeten worden - niet valt in te zien waarom in artikel 15a Auteurswet is bepaald dat een citaat uit een dergelijk werk (onder bepaalde voorwaarden) geen inbreuk op het auteursrecht op een werk vormt. Een citaat, dat naar zijn aard beperkt van omvang is en ook volgens de voorwaarden van artikel 15a Auteurswet beperkt van omvang moet zijn, zal immers - als alleen gekeken zou worden naar de totaalindrukken van beide werken - niet gauw een inbreuk op een auteursrecht opleveren.

4.18.

Het totaalindrukkencriterium leent zich ook niet voor toepassing op een complex werk als een scriptie, dat is opgebouwd uit onderdelen (zinnen en zinsnedes) die ook los van het samengestelde werk zelf voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking kunnen komen. Deze conclusie is, anders dan [gedaagde] stelt, in lijn met de uitspraak van het Hof ‘s-Hertogenbosch van 2 juni 2015 (IEF 14988), omdat daarin alleen werd geoordeeld dat een overeenstemmende totaalindruk bij literatuur een voldoende voorwaarde “kan zijn” voor het aannemen van een inbreuk, en dus kan worden gezien als minimumvereiste: als er een overeenstemmende totaalindruk is, is in ieder geval sprake van een inbreuk.

4.19.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat bij een werk van letterkunde als de onderhavige scriptie het totaalindrukkencriterium toepassing mist, en per auteursrechtelijk beschermd onderdeel beoordeeld moet worden of dit is overgenomen in het beweerdelijk inbreukmakende werk.

Inbreuk?

4.20.

[eiseres] heeft gesteld dat [gedaagde] in haar scriptie de volgende zinnen of zinsnedes uit haar scriptie heeft overgenomen, al dan niet in wat gewijzigde vorm:

a. De eerste twee zinnen van het voorwoord van de scriptie van [eiseres] luiden:

“Deze scriptie is geschreven in het kader van mijn afstudeeropdracht als onderdeel van de opleiding digitale fotografie aan de [Academie] te Rotterdam. Het omvat een onderzoek naar de werkelijke en denkbeeldige wereld in de reisfotografie.”

Deze zinnen zijn (vrijwel) identiek aan de eerste twee zinnen van het voorwoord

van [gedaagde] :

“Deze scriptie is geschreven in het kader van mijn afstudeerproject als onderdeel van de opleiding grafisch ontwerp aan de [Hogeschool] in Utrecht. Het omvat een onderzoek naar de werkelijkheid en hoe deze gemanipuleerd wordt tot een nieuw soort wereld.”

De vraagstelling van de scriptie van [eiseres] luidt: “Laten reisfoto’s een schijnwerkelijkheid zien?”

De vraagstelling is identiek aan de vraagstelling in de afstudeerscriptie van [gedaagde] : “Laten reisfoto’s een schijnwerkelijkheid zien?”

De tekst op bladzijde 19 van de scriptie van [eiseres] luidt:

“Ik ben er van overtuigd geraakt dat we binnen de reisfotografie steeds vaker schijnwerkelijkheden zullen tegenkomen. De maker zelf kan zijn ervaring

immers vormgeven zoals hij of zij dit zelf wil. De presentatie die vervolgens aan

de buitenwereld wordt getoond zal naar mijn idee steeds vaker afwijken van de

realiteit. (...)

Echtheid krijgt een andere dimensie, die stel je als het ware zelf samen.”

Deze tekst is identiek aan de tekst op bladzijde 34 van de scriptie van [gedaagde]

:

“Echtheid krijgt een andere dimensie, die stel je vanaf nu zelf samen.

Ik ben er dan ook van overtuigd dat we binnen de reisfotografie steeds vaker

schijnwerkelijkheden zullen tegenkomen. De maker kan zijn ervaring immers

zelf vormgeven zoals hij wil. De presentatie die vervolgens aan de buitenwereld

wordt getoond via bijvoorbeeld social media zal, denk ik, dus steeds vaker

afwijken van de realiteit.”

De tekst op bladzijde 19 van de scriptie van [eiseres] luidt:

“Niet achteraf maar tijdens de reis worden de foto’s al gedeeld.”

Deze tekst stemt sterk overeen met de tekst op bladzijde 1 1 van de scriptie van

[gedaagde] :

“Vakantiefoto’s worden dan ook niet meer achteraf, maar al tijdens de reis met

het thuisfront gedeeld via facebook.”

De tekst op bladzijde 4 van de scriptie van [eiseres] luidt:

“Op mijn rondreis door California in februari 2011 heb ik in twee maanden tijd in

totaal 2.487 foto’s gemaakt. Veel daarvan zijn van de welbekende ‘Vista Points’

genomen die je continu langs de weg tegenkomt. Deze uitzichtpunten hadden

zo’n aantrekkingskracht dat ik ondanks de menigte die er al stond, toch ook

moest fotograferen.”

Deze tekst stemt overeen met de tekst op bladzijde 28 van de scriptie van [gedaagde]

:

“Tijdens mijn verblijf maakte ik in 6 weken tijd in totaal 1.394 foto’s. Veel

daarvan zijn genomen bij de bekende uitzichtspunten en bezienswaardigheden.

Ondanks de menigte van andere toeristen, voelde ik toch de drang deze

plekken vast te leggen.”

De tekst op bladzijde 19 van de scriptie van [eiseres] luidt:

“(...) de vakantieganger die opzoek is naar het ultieme vakantiegevoel dat deze

foto’s uitstralen.”

Deze tekst stemt sterk overeen met en is deels identiek aan de tekst op

bladzijde 29 van de scriptie van [gedaagde] :

“Als vakantieganger ben je namelijk opzoek naar het ultieme vakantiegevoel

dat de gemarketeerde foto’s uitstralen.”

Door [eiseres] is “opzoek” abusievelijk aan elkaar geschreven. Deze spelfout is letterlijk door [gedaagde] overgenomen.

4.21.

Ten aanzien van de onder a en b bedoelde zinnen heeft de kantonrechter reeds geoordeeld dat [eiseres] terzake geen auteursrecht toekomt. Hetzelfde geldt voor citaten uit werken van derden (in de dagvaarding onder punt 12 opgenomen als onderdelen g, h en i).

[gedaagde] heeft erkend de zinnen onder c en f overgenomen te hebben uit de scriptie van [eiseres] . In zoverre staat de inbreuk op het auteursrecht van [eiseres] dan ook in beginsel vast.

4.22.

[gedaagde] heeft (deels) betwist dat zij de onder d en e bedoelde zinnen van [eiseres] heeft overgenomen. De kantonrechter is van oordeel dat de strekking van de zinnen weliswaar dezelfde is, maar dat de opbouw van de zinnen van [gedaagde] en woordkeuze zodanig afwijkt van die van [eiseres] , dat daarin geen inbreuk op de auteursrechten van [eiseres] is gelegen.

4.23.

[gedaagde] heeft zich vervolgens beroepen op artikel 18a Auteurswet waarin is bepaald dat de incidentele verwerking van een werk als onderdeel van ondergeschikte betekenis in een ander werk niet als inbreuk op dat werk wordt beschouwd. Volgens [gedaagde] is de overname uit de scriptie van [eiseres] in kwantitatieve zin gering: 5 zinnen in een scriptie van 60 pagina’s. Ook in kwalitatieve zin zijn de zinnen van ondergeschikte betekenis; daarbij spelen volgens haar de volgende omstandigheden een rol:

  • -

    de scriptie was een ondergeschikt deel van het afstudeerproject van [gedaagde] : de nadruk ligt bij de opleiding op de creatieve uitvoering van het project; tijdens de opleiding wordt geen aandacht besteed aan bronvermelding;

  • -

    de scriptie van [gedaagde] is in beginsel alleen toegankelijk voor studenten en personen werkzaam bij de [Hogeschool] , en is nimmer door [gedaagde] openbaar gemaakt;

  • -

    met het project en het overnemen van delen van de scriptie van [eiseres] werd geen commercieel doel nagestreefd;

  • -

    van kwade wil of opzet om tekstfragmenten over te nemen was geen sprake;

  • -

    de overgenomen zinnen vergrootten niet de waarde van de scriptie van [gedaagde] ;

  • -

    uit het plagiaat-programma Ephorus kwam geen match tussen beide scripties; volgens de opleiding is ook geen sprake van plagiaat.

4.24.

Uit de parlementaire geschiedenis bij artikel 18a Auteurswet (Aw) volgt dat voor de beoordeling of bij gebruik van een werk in een ander werk sprake is van ‘incidenteel gebruik’ in de zin van artikel 18a Aw bepalend is of dat gebruik ‘van ondergeschikte betekenis’ is. Deze ondergeschiktheid moet worden beoordeeld naar de omvang (in kwantitatieve zin) en het gebruik (in kwalitatieve zin) van zowel het gebruikte werk als het werk waarin het gebruikt wordt, afgezet tegen alle omstandigheden van het desbetreffende gebruik.

4.25.

De kantonrechter constateert dat de overgenomen 5 zinnen op zich een beperkt deel vormen van het overgenomen werk en het werk waaruit overgenomen is. In kwalitatief opzicht kan deze overname echter niet als ondergeschikt worden aangemerkt. In de overgenomen zinnen verwoordt [eiseres] op fraaie wijze haar visie over het onderwerp van haar scriptie. Door het overnemen daarvan vergroot [gedaagde] de waarde van haar scriptie. Het moge zo zijn dat de scriptie van [gedaagde] niet commercieel wordt geëxploiteerd, en dat de [Hogeschool] het project belangrijker vindt dan de scriptie, maar [gedaagde] heeft er wel voordeel van genoten dat zij die zinnen heeft overgenomen, omdat zij mede op basis van haar scriptie is afgestudeerd. Bovendien heeft, zoals [eiseres] onweersproken heeft gesteld, een journalist van het AD de betreffende scriptie geraadpleegd en gebruikt voor een artikel; de scriptie is dan ook voor derden toegankelijk geweest en heeft bijgedragen dan wel bij kunnen dragen aan de positieve publiciteit die zij in de pers heeft gekregen. Dat het overnemen onbewust heeft plaatsgevonden, vindt de kantonrechter, gelet op de verschillende plaatsen in de scriptie van [eiseres] waar passages zijn overgenomen, niet aannemelijk.

4.26.

De kantonrechter is derhalve van oordeel dat er geen sprake is van een incidentele verwerking als bedoeld in artikel 18a Aw, zodat de eindconclusie is dat [gedaagde] inbreuk heeft gemaakt op het auteursrecht van [eiseres] met betrekking tot haar scriptie.

Onrechtmatige daad?

4.27.

Daarnaast heeft [eiseres] (de kantonrechter begrijpt: subsidiair) aangevoerd dat [gedaagde] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld, aangezien zij het aan het project van [eiseres] ten grondslag liggende idee of concept heeft overgenomen alsmede de concrete uitwerking daarvan. In zoverre is volgens [eiseres] sprake van het navolgen van een ‘éénlijnsprestatie’.

Voorts heeft [gedaagde] volgens haar onrechtmatig gehandeld door in de media goede sier te maken met het werk dat zij aan [eiseres] heeft ontleend, en publiekelijk halsstarrig te blijven ontkennen dat zij onderdelen van het werk van [eiseres] heeft overgenomen.

4.28.

Vooropgesteld moet worden dat - indien geen sprake is van een inbreuk op een recht van intellectuele eigendom - het profiteren van een prestatie van een ander, ook indien die op één lijn te stellen is met een prestatie die toekenning van een recht van intellectuele eigendom rechtvaardigt, en ook indien de ander daardoor schade lijdt, niet onrechtmatig is. Dat is alleen anders onder bijkomende omstandigheden.

4.29.

Nog afgezien van het antwoord op de vraag of het concept van het project van [eiseres] als éénlijnsprestatie moet worden gezien, kan hetgeen [eiseres] in dit kader heeft aangevoerd niet als bijzondere omstandigheden worden aangemerkt die het profiteren van haar project onrechtmatig maken. De overname van delen van de scriptie is daartoe onvoldoende, omdat het hier gaat om de onrechtmatigheid van het overnemen van delen van het project van [eiseres] . De eerstbedoelde overname is overigens ook uiterst beperkt in omvang geweest (enkele zinnen). [gedaagde] heeft voorts aan haar project ook diverse elementen toegevoegd die geen onderdeel zijn geweest van het project van [eiseres] , zoals meerdere filmpjes waarbij gebruik wordt gemaakt van de layar-techniek, een fake Facebookaccount, nep souvenirs, nep tripadvisor-reviews, een dagboek en een fotoalbum.

4.30.

Ook de publiekelijk gedane uitlatingen van [gedaagde] over haar project maken het (mogelijk) profiteren van het project van [eiseres] niet onrechtmatig. In auteursrechtelijke zin is immers van ontlening door [gedaagde] aan het project van [eiseres] geen sprake, omdat hooguit het concept van het project van [eiseres] is overgenomen, en niet de (auteursrechtelijk beschermde) uitwerking daarvan. Gelet hierop valt niet in te zien waarom zou moeten worden aangenomen dat [gedaagde] de plicht had om in het kader van de media-aandacht die zij heeft gekregen voor haar project melding te maken van het bestaan van het project van [eiseres] .

4.31.

Het voorgaande betekent dat de vorderingen ten aanzien van het project van [eiseres] ook op de subsidiaire grond niet toewijsbaar zijn.

4.32.

Wel heeft [gedaagde] naar het oordeel van de kantonrechter onrechtmatig gehandeld door in het onder 2.4 bedoelde artikel op de website van het AD te ontkennen dat een deel van de scriptie van [gedaagde] aan die van [eiseres] is ontleend. Dat is een onjuiste en ook schadelijke uitlating, omdat [eiseres] daarmee wordt weggezet als iemand die ten onrechte haar beklag doet. Dat een eerder geplaatst Facebook-bericht van de moeder van [eiseres] , inhoudende dat Van den Bron plagiaat heeft gepleegd jegens haar dochter, aanleiding is geweest voor negatieve online berichten van anderen over [eiseres] , brengt hierin geen verandering, omdat de ontkenning van [gedaagde] in het artikel op de website van het AD dit beeld tenminste heeft bevestigd. In zoverre heeft [gedaagde] dan ook onrechtmatig jegens [eiseres] gehandeld.

Vorderingen

4.33.

Het voorgaande betekent dat voor zover de vorderingen zijn gebaseerd op (de veronderstelling dat op) het project van [eiseres] een auteursrecht rust, deze moeten worden afgewezen.

4.34.

De vordering tot staking van de inbreuk op de auteursrechten van [eiseres] met betrekking tot de scriptie, de vordering tot verwijdering van de scriptie uit de bibliotheek en online databank van de [Hogeschool] , en het plaatsen van een rectificerende mededeling in de bibliotheek van de [Hogeschool] zijn in beginsel wel toewijsbaar.

4.35.

Anders dan [gedaagde] heeft gesteld, blijkt uit het (onweersproken) feit dat [eiseres] zelf en een journalist van het AD toegang hebben gekregen tot de scriptie van [gedaagde] , dat deze niet alleen voor (studenten van) de [Hogeschool] toegankelijk was. De stelling van [gedaagde] dat zij inmiddels aan de [Hogeschool] heeft verzocht om de scriptie niet langer openbaar te maken, en dat de [Hogeschool] aan dat verzoek zou hebben voldaan, betekent evenmin dat [eiseres] geen belang meer heeft bij deze vorderingen. Ten eerste heeft Van den Bron geen bevestiging overgelegd dat de [Hogeschool] aan haar verzoek gehoor heeft gegeven. Ten tweede is niet gesteld of gebleken dat zij een onthoudingsverklaring heeft getekend, zodat het risico blijft bestaan dat zij op enig moment in de toekomst alsnog besluit haar scriptie te verspreiden.

4.36.

De publieke uitlatingen van [gedaagde] waarvan [eiseres] rectificatie vordert, zijn niet aan te merken als inbreuken op het auteursrecht van [eiseres] , omdat deze als zodanig geen openbaarmaking of verveelvoudiging van de scriptie van [eiseres] vormen. Wel zijn de uitlatingen - zoals hiervoor onder 4.32 reeds is overwogen - onrechtmatig, voor zover deze, in strijd met de waarheid, ertoe strekten om te ontkennen dat [gedaagde] passages uit de scriptie van [eiseres] had overgenomen. Ten aanzien van de door [eiseres] overgelegde publicaties is van een dergelijke uitlating alleen sprake in het artikel op de website van het Algemeen Dagblad van 22 mei 2014 (productie 11 van [eiseres] ). In zoverre is de vordering tot rectificatie derhalve toewijsbaar als het gaat om de publicatie in dit dagblad.

4.37.

Het tijdsverloop sinds de publicatie is naar het oordeel van de kantonrechter niet zodanig, dat [eiseres] bij deze rectificatie geen belang meer heeft.

Niet gesteld of gebleken is dat het artikel ook in de papieren versie van de krant is verschenen, zodat de kantonrechter het passend acht dat de rectificatie door [gedaagde] alleen wordt geplaatst op de website van het dagblad. Nu [gedaagde] haar scriptie niet op haar website heeft geplaatst, is voor een rectificatie op die website geen plaats.

4.38.

De dwangsom zal worden beperkt op de wijze als in het dictum is vermeld.

Proceskosten en nakosten

4.39.

[gedaagde] zal als in overwegende mate in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van [eiseres] veroordeeld worden. [eiseres] heeft (gedeeltelijke) proceskostenveroordeling gevorderd op de voet van artikel 1019h Rv. Volgens haar heeft zij in totaal voor € 25.463,31 aan kosten gemaakt, en dient 90% daarvan toegerekend te worden aan de IE-grondslag van haar vorderingen.

4.40.

Volgens [gedaagde] zijn de opgevoerde kosten (mede gelet op wat aan kosten in de vergelijkbare Eetclub-zaak is gevorderd en toegewezen) excessief en onredelijk hoog, en zou uitgegaan moeten worden van het maximumtarief van € 10.000,-- volgens de Indicatietarieven IE-zaken, zodat in het onderhavige geval maximaal 90% daarvan toewijsbaar is. Zij stelt dat vanwege het gebrek van enig commercieel of ander gewin en haar inkomenssituatie een billijkheidscorrectie in neerwaartse zin voor de hand ligt.

4.41.

De vergelijking met de Eetclub-zaak (ECLI:NL:RBMNE:2014:7198) gaat in die zin niet op dat in de onderhavige zaak meer conclusies zijn gewisseld, alsmede - zo begrijpt de kantonrechter - meer grondslagen en verweren aan de orde waren. Qua aard en omvang is het daardoor meer dan een eenvoudige IE-zaak, maar geen complexe IE-zaak (waarvoor een maximum indicatietarief geldt van € 25.000,--). Gelet hierop vindt de kantonrechter een bedrag van ruim € 25.000,-- aan proceskosten onevenredig hoog. Een bedrag van € 15.000,-- aan salaris gemachtigde komt de kantonrechter redelijker voor.

4.42.

Voor een neerwaartse aanpassing van het gevorderde bedrag in verband met de billijkheid, ziet de kantonrechter geen aanleiding. De mate van verwijtbaarheid van de inbreuk, alsmede de financiële situatie van de inbreukmaker zijn daarvoor niet relevant (vgl. Indicatietarieven IE-zaken punt 10).

4.43.

Wel zijn alleen de kosten toewijsbaar die zijn gemaakt met betrekking tot de IE-grondslag op basis waarvan de vordering wordt toegewezen. De kantonrechter begroot die kosten op de helft van de 90% van de hiervoor vermelde € 15.000, --, zodat op de voet van artikel 1019h Rv toewijsbaar is een bedrag van € 6.750,-- aan salaris gemachtigde.

4.44.

De op algemene onrechtmatige daad gebaseerde vorderingen zijn ook slechts deels toegewezen, zodat de kantonrechter terzake de helft van 10% van het toepasselijke liquidatietarief zal toewijzen (dus 5% van (2,5 punten x € 200)= € 25 euro).

4.45.

Het voorgaande betekent dat aan proceskosten zal worden toegewezen:

- explootkosten € 96,16

- griffierecht 78,--

- salaris gemachtigde 6.775,--

Totaal: € 6.949,16

4.46.

De nakosten, waarvan [eiseres] betaling vordert, zullen op de in het dictum weergegeven wijze worden begroot.

4.47.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en nakosten zal als volgt worden toegewezen.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

beveelt [gedaagde] om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis iedere inbreuk op de auteursrechten van [eiseres] op haar scriptie, waaronder in ieder geval de verveelvoudiging en openbaarmaking van de scriptie in de bibliotheek van de [Hogeschool] , zowel online als offline, te (doen) staken en gestaakt te (doen) houden,

5.2.

verbiedt [gedaagde] om na betekening van dit vonnis in publieke uitlatingen, zowel online als offline, te ontkennen dat zij onderdelen van haar scriptie heeft ontleend aan de scriptie van [eiseres] ,

5.3.

beveelt [gedaagde] om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis de volgende rectificatie te plaatsen op de website van het Algemeen Dagblad (ter grootte van minimaal ¼ deel van het beeldscherm en zwart op wit), en aldaar één week geplaatst te houden, alsmede binnen 48 uur na plaatsing bewijs daarvan toe te zenden aan de gemachtigde van [eiseres] :

“rectificerende mededeling over afstudeerscriptie [gedaagde]

In mei 2013 ben ik afgestudeerd aan de [Hogeschool] in Utrecht in de richting Graphic Design. In mijn afstudeerscriptie heb ik zonder toestemming en zonder bronvermelding tekst overgenomen uit de scriptie van [eiseres] ( [website] ). In het Algemeen Dagblad van 22 mei 2014 heb ik dat dus ten onrechte ontkend. De kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland heeft in het vonnis van 20 juli 2016 geoordeeld dat ik daarmee het auteursrecht van [eiseres] heb geschonden en onrechtmatig heb gehandeld, en mij veroordeeld deze rectificatie te plaatsen.

[gedaagde] ”

5.4.

beveelt [gedaagde] om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis de [Hogeschool] schriftelijk te verzoeken:

- de onder 5.3 bedoelde rectificerende tekst zichtbaar en leesbaar op A4 formaat gedurende één maand op te hangen in de bibliotheek en

- het exemplaar van de scriptie van [gedaagde] te verwijderen uit de bibliotheek en de online database,

onder gelijktijdige toezending van een kopie van dit verzoek aan de gemachtigde van [eiseres] ,

5.5.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] een dwangsom te betalen van € 100,-- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan het onder 5.1, 5.3 en 5.4 bepaalde voldoet en een dwangsom van € 500,-- voor iedere overtreding van het onder 5.2 opgenomen verbod, tot een maximum (voor alle dwangsommen gezamenlijk) van € 5.000,-- is bereikt,

5.6.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiseres] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 6.949,16, te voldoen binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.7.

veroordeelt [gedaagde] , onder de voorwaarde dat zij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door [eiseres] volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- € 100,-- aan salaris gemachtigde, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na aanschrijving,

- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening,

5.8.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.9.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Steenbergen, kantonrechter, bijgestaan door mr. W.A. Visser als griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 20 juli 2016.