Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:3960

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
20-05-2016
Datum publicatie
15-07-2016
Zaaknummer
16/994005-13 (ontneming)
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontneming in Mega-onderzoek Mount Nepal, waarbij door medewerkers van SNSPF onderling betalingsafspraken werden gemaakt en een deel van de uurvergoeding van SNSPF werd doorbetaald aan andere SNSPF-medewerkers.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/994005-13 (ontneming)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 20 mei 2016

in de ontnemingszaak tegen

[veroordeelde],

geboren te [geboorteplaats] op [1960] ,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres

[adres] , [postcode] te [woonplaats] ,

(hierna te noemen: [veroordeelde] ).

1 De procedure

De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:

  • -

    de schriftelijke vordering van de officieren van justitie, die binnen de in artikel 511b van het Wetboek van Strafvordering genoemde termijn aanhangig is gemaakt;

  • -

    het strafdossier onder parketnummer 16/994005-13, waaruit blijkt dat [veroordeelde] bij vonnis van 20 mei 2016 van deze rechtbank is veroordeeld ter zake van onder meer niet-ambtelijke omkoping, valsheid in geschrift en gewoontewitwassen;

  • -

    het Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel nr. 51750/1, pagina 1 tot en met 32, opgenomen in ordner 28 van het onderliggende strafdossier;

  • -

    de overige stukken,

en de bevindingen tijdens het onderzoek ter terechtzitting.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 1 december 2015 (regie), 21, 22, 24 (inhoudelijke behandeling) en 29 maart 2016 (requisitoir), 4 (pleidooi) en 7 april 2016 (repliek, dupliek en laatste woord verdachte) en 9 mei 2016 (sluiting onderzoek). De ontnemingsvordering is gelijktijdig ter terechtzitting behandeld met de strafzaak tegen [veroordeelde] , bekend onder hetzelfde parketnummer.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie en van wat [veroordeelde] en zijn advocaat, mr. J.W. Soeteman, naar voren hebben gebracht.

2 De beoordeling

2.1

De vordering van de officieren van justitie

De schriftelijke vordering van de officieren van justitie strekt tot het aan [veroordeelde] opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel van € 1.130.902,- (inclusief btw).

Ter terechtzitting hebben de officieren van justitie de vordering gehandhaafd. Betoogd is dat dit voordeel op basis van de vereenzelvigingsjurisprudentie moet worden toegerekend aan de natuurlijke persoon en niet aan zijn vennootschap(pen). De vordering betreft een bedrag inclusief btw omdat fiscale perikelen bij de bepaling van de hoogte van het te ontnemen bedrag buiten beschouwing moeten blijven. Indien nodig kan daarmee in de executiefase rekening worden gehouden.

2.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair gepleit voor niet-ontvankelijkverklaring van de officieren van justitie in de ontnemingsvordering, gelet op de bepleite integrale vrijspraak in de onderliggende strafzaak. Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat indien wordt gekomen tot een bewezenverklaring van de niet-ambtelijke omkoping, hierdoor geen voordeel is verkregen. Daarnaast is door de verdediging het standpunt ingenomen dat als er al voordeel is verkregen, dit is verkregen door de vennootschap die het betreffende bedrag heeft ontvangen. Als de vordering tot dat bedrag wordt toegewezen dient dit te gebeuren exclusief btw.

2.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij vonnissen van deze rechtbank van 20 mei 2016 zijn [veroordeelde] en zijn vennootschappen [bedrijf 1] BV, [bedrijf 2] BV en [bedrijf 3] BV (hierna respectievelijk: [bedrijf 1] , [bedrijf 2] en [bedrijf 3] ) veroordeeld ter zake van onder meer niet‑ambtelijke omkoping, valsheid in geschrift en gewoontewitwassen. De rechtbank stelt vast dat [veroordeelde] en/of zijn vennootschappen door middel van en/of uit de baten van deze feiten wederrechtelijk voordeel hebben verkregen, zijnde de gefactureerde, ontvangen en witgewassen betalingen. De berekening van de hoogte hiervan en de gebezigde bewijsmiddelen worden hieronder nader uitgewerkt.

Daadwerkelijke ontvanger
De betalingen zijn gefactureerd en ontvangen door de vennootschappen van [veroordeelde] . Gelet op het reparatoire karakter van de ontnemingsmaatregel is het uitgangspunt dat bij de bepaling van het voordeel aangesloten wordt bij wat de veroordeelden in de concrete omstandigheden daadwerkelijk hebben genoten. De rechtbank ziet geen aanleiding om hiervan af te wijken en het voordeel (enkel) bij de betrokken natuurlijke persoon te ontnemen, op basis van de door het Openbaar Ministerie aangehaalde vereenzelvigingsjurisprudentie. Allereerst omdat wordt vastgesteld dat de ontvangsten in eerste instantie bij de vennootschappen terecht zijn gekomen. Ten tweede omdat niet kan worden vastgesteld waar het geld zich -geheel of ten dele- bevindt en of dit direct of indirect ten goede kon komen of is gekomen aan [veroordeelde] . Ten slotte omdat ontneming van voordeel bij een ander dan de initiële ontvanger in dit geval kan leiden tot fiscale complicaties (nog los van de hierna nader te noemen omzetbelasting).

Anders dan de officieren van justitie is de rechtbank dan ook van oordeel dat dit voordeel dient te worden ontnomen daar waar het feitelijk is ontvangen. Immers, de ontnemingsmaatregel is gericht op herstel van de rechtmatige toestand in financiële zin.

Wederrechtelijk verkregen voordeel
De rechtbank gebruikt als grondslag voor de schatting van de hoogte van het wederrechtelijk voordeel het onder 1 genoemde Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel.1

Op de bankrekeningen van de vennootschappen van [veroordeelde] is in niveau 1 een totaalbedrag van € 627.097,- (exclusief btw) ontvangen. De geldbedragen zijn op de volgende bankrekeningen ontvangen, alle exclusief btw:

- [bedrijf 3] : € 590.909,-

- [bedrijf 1] : € 16.688,-

- [bedrijf 2] : € 19.500,-2

Op de bankrekening van [bedrijf 3] is in niveau 2 een totaalbedrag van € 374.577,- (exclusief btw) ontvangen.3

Uit onderzoek is niet gebleken dat [veroordeelde] of zijn vennootschappen kosten hebben gemaakt die in directe relatie staan tot de voltooiing van voornoemde delicten. Er worden dan ook geen kosten in mindering gebracht bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat wederrechtelijk voordeel is verkregen van in totaal € 1.001.674,- (exclusief btw).

Voordeel exclusief btw
Volgens de wetgever is het uitgangpunt dat de strafrechter bij het vaststellen van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel geen rekening houdt met belastingheffing. Het “fiscale mechanisme” maakt dit zo nodig weer ongedaan (ECLI:NL:1998:ZD0947). Echter, hierbij dient onderscheid te worden gemaakt tussen verschillende soorten belastingheffing. Bij belasting die wordt geheven ongeacht het resultaat is immers geen sprake van een fiscaal mechanisme dat eventuele -achteraf door de ontnemingsmaatregel onverschuldigde- belastingheffing weer ongedaan maakt (ECLI:NL:HR:2015:3264).

In dit geval heeft de ontvangende vennootschap haar omzetbelasting reeds voldaan. Op deze belastingheffing is het voornoemde fiscale mechanisme niet van toepassing. Eenmaal berekende en gefactureerde btw kan slechts in bijzondere gevallen worden gecorrigeerd, bijvoorbeeld als de belaste levering ongedaan is gemaakt. Daarvan is in dit geval geen sprake. Omdat de vennootschap de btw heeft ontvangen maar deze vervolgens meteen weer heeft afgedragen, heeft de btw niet daadwerkelijk tot voordeel van de vennootschap gestrekt. Gelet op het voornoemde reparatoire karakter van de maatregel stelt de rechtbank daarom, anders dan gevorderd door de officieren van justitie, het wederrechtelijk verkregen vast op het totaal van de ontvangen bedragen exclusief btw.

Conclusie
De rechtbank stelt vast dat door middel van en/of uit de baten van de bewezenverklaarde feiten wederrechtelijk voordeel is verkregen van in totaal € 1.001.674,- (exclusief btw). Dit voordeel wordt uitgesplitst naar de daadwerkelijke ontvanger en wordt ook daar ontnomen, namelijk:

- [veroordeelde] : € 0,-

- [bedrijf 3] : € 965.486,-

- [bedrijf 1] : € 16.688,-

- [bedrijf 2] : € 19.500,-

Gelet op al het voorgaande stelt de rechtbank vast dat [veroordeelde] zelf geen wederrechtelijk voordeel heeft verkregen en wijst zij de ontnemingsvordering af.

3 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

4 De beslissing

De rechtbank:

wijst de vordering van de officieren van justitie af.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A. van Maanen, voorzitter,

mr. drs. S.M. van Lieshout en mr. A.M.M.E. Doekes-Beijnes, rechters,

in tegenwoordigheid van mrs. M.C. van Reenen en K.M. Strijbos, griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 mei 2016.

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar het Rapport wederrechtelijk verkregen voordeel genoemd onder 1. die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende FIOD dossier, nummer 51693, bevindt in ordner 28, volgens de daar toegepaste nummering (onderzoek Mount Nepal, inhoudende 28 ordners). Daarbij gaat het om een proces-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Het rapport, pagina 18

3 Het rapport, pagina 31