Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:3959

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
06-07-2016
Datum publicatie
15-07-2016
Zaaknummer
16/659864-15 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Man uit Lelystad heeft zich schuldig gemaakt aan het bezit van een pistoolmitrailleur, een geluidsdemper en bijbehorende patronen. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het bezit van een hoeveelheid drugs in de vorm van MDMA, cocaïne en amfetamine. De rechtbank veroordeelt de man tot een gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Lelystad

Parketnummer: 16/659864-15 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 6 juli 2016

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1978] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [adres] .

1 HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Het onderzoek heeft laatstelijk plaatsgevonden ter openbare terechtzitting op 22 juni 2016, waarbij de verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. R.P.A. Kint, advocaat te Almere.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. I.M.F. Graumans en van de standpunten door de raadsman van verdachte naar voren gebracht.

2 DE TENLASTELEGGING

De verdachte is, na een wijziging tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 9 december 2015 te Lelystad een wapen van categorie II, onder 2, te weten een pistoolmitrailleur, merk CZ model 61, Skorpion kaliber 7.65 mm, en/of munitie van categorie III, te weten een aantal (124) scherpe patronen, kaliber 7,65 mm, en/of (een) wapen(s) van categorie I, onder 3, te weten een geluiddemper voor een vuurwapen en/of twee boksbeugels en/of (een) twee wapens van categorie 1 onder 6, te weten 2 katapulten, en/of twee wapens van categorie II, onder 6, te weten 2 gasbusjes (pepperspray),voorhanden heeft gehad;

2.

hij op of omstreeks 9 december 2015 te Lelystad, althans in het arrondissement Midden-Nederland, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,

- 507,7 gram en/of 2 tabletten (a 0,24 gram),bevattende amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of

- 5 wikkels (van in totaal 2,16 gram), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of

- 25 tabletten (van in totaal 10,2 gram), bevattende MDMA, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA,

zijnde amfetamine en/of cocaïne en/of MDMA (telkens) (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

3 DE VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen ter zake het onder 1 en 2 ten laste gelegde.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek en dat het verkregen materiaal niet voor het bewijs mag worden gebruikt, zodat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, dan wel dat dit zou moeten leiden tot strafvermindering. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat er sprake is geweest van onrechtmatig binnentreden in de woning van verdachte. Er is binnengetreden zonder toestemming van verdachte en op basis van een machtiging die niet voldeed aan het criterium van artikel 20 van de Wet op de Economische Delicten, dan wel aan de strafvorderlijke binnentredingsbevoegdheden.

Voor het geval voornoemd verweer niet mocht slagen, heeft de raadsman ten aanzien van feit 1 aangevoerd dat verdachte het wapen, de munitie en de geluidsdemper bewaarde voor iemand anders, dat verdachte de busjes pepperspray legaal in Duitsland had gekocht, de katapulten alleen werden gebruikt voor het vissen op karpers en de aangetroffen beugels geen boksbeugel zijn maar werden gebruikt voor het aanleggen van glasvezelkabels.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman verzocht verdachte vrij te spreken van het aanwezig hebben van de amfetamine die is aangetroffen in het vriesgedeelte van zijn koelkast omdat hij zich niet bewust was van de aanwezigheid van deze amfetamine. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat de onder 2 ten laste gelegde gewichten en aantallen niet kloppen.

Het oordeel van de rechtbank1

De rechtbank heeft kennisgenomen van de inhoud van de stukken van het onderliggende strafdossier en van hetgeen bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gebracht.

De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of sprake is geweest van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek en zo ja, of dat vormverzuim er toe moet leiden dat de resultaten van dat onderzoek, die door het verzuim zijn verkregen, ingevolge het bepaalde in artikel 359a lid 1, aanhef en onder b Wetboek van Strafvordering, niet mogen bijdragen aan het bewijs van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.

Tijdens een onderzoek naar de handel in illegaal vuurwerk bleek dat een persoon genaamd [A] adverteerde met de verkoop van illegaal vuurwerk via een internetforum. In de advertentie stond dat geïnteresseerden telefonisch contact met hem konden opnemen. Uit onderzoek naar historische telefoongegevens bleek dat verdachte meerdere malen contact met [A] had gehad. Nu verdachte antecedenten had op het gebied van bezit c.q. handel in illegaal vuurwerk, werd op grond van artikel 96 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) juncto artikel 18 en 20 van de Wet op de Economische Delicten (hierna: WED) een machtiging tot binnentreding in de woning van verdachte afgegeven.2

De WED geeft in artikel 20 opsporingsambtenaren, in het belang van de opsporing, de bevoegdheid om iedere plaats te betreden, voor zover dit voor de vervulling van hun taak redelijkerwijs nodig is. In tegenstelling tot hetgeen de raadsman heeft aangevoerd, mag deze bevoegdheid reeds worden toegepast voordat er sprake is van een concrete verdenking, in het stadium waarin enkel nog (concrete) aanwijzingen bestaan dat een wettelijk voorschrift als bedoeld in artikel 1 of 1a van de WED is overtreden. In dit geval bestonden de aanwijzingen uit het contact dat verdachte had gehad met een persoon die adverteerde met de verkoop van illegaal vuurwerk en het gegeven dat hij antecedenten had op het gebied van bezit c.q. handel in illegaal vuurwerk. Verbalisanten hadden derhalve op grond van voornoemde bepaling het recht om in het belang van het onderzoek de woning van verdachte te betreden. De vraag of er voor de binnentreding toestemming was gegeven door verdachte, kan reeds om die reden buiten beschouwing blijven.

Naast het betreden was het de verbalisanten bovendien toegestaan om in de woning zoekend rond te kijken. Tot dit zoekend rondkijken behoort eveneens het kijken in een open doos met daarop de tekst ‘Display Shells’ waarin zich mortieren bevonden. Van een doorzoeking in de zin van het Wetboek van Strafvordering was derhalve (nog) geen sprake. Pas nadat een verbalisant twee busjes pepperspray op de afzuigkap in de keuken zag staan3, werd de situatie bevroren en werd later onder leiding van een rechter-commissaris een doorzoeking verricht die aan alle wettelijke eisen voldeed.4

Gelet op bovenomschreven gang van zaken, verwerpt de rechtbank het verweer van de raadsman dat er sprake was van vormverzuimen. De resultaten van het onderzoek mogen derhalve bijdragen aan het bewijs.

Nadere overwegingen feit 1

In de woning van verdachte werd op 9 december 2015 in een kluis in een inloopkast5 een pistoolmitrailleur van het merk CZ, model 61, type Scorpion, kaliber 7,65 mm, zijnde een vuurwapen van in de zin van categorie II onder 2 van de Wet wapens en munitie aangetroffen, 124 scherpe patronen, kaliber 7,65 mm, zijnde munitie in de zin van categorie III van de Wet wapens en munitie en een geluidsdemper voor een vuurwapen, zijnde een wapen in de zin van categorie I onder 3 van de Wet wapens en munitie.6

Aan de verklaring van verdachte, dat hij de wapens en de munitie bewaarde voor een ander die hem daartoe een dringend verzoek had gedaan, gaat de rechtbank voorbij. Zelfs als de rechtbank aanneemt dat de verklaring van verdachte op waarheid berust – er zijn immers geen bewijsmiddelen die zijn verklaring ondersteunen – en verdachte inderdaad niet voor criminele doeleinden en eigen geldelijk gewin deze wapens en munitie voorhanden heeft gehad, dan nog is zij van oordeel dat verdachte de wapens en munitie voorhanden heeft gehad nu deze zijn aangetroffen in zijn woning, hij zich van de aanwezigheid daarvan bewust is geweest en hij enige handelingsbevoegdheid had ten aanzien van deze wapens en munitie.

Tevens werden in de woning van verdachte twee boksbeugels, twee gasbusjes met pepperspray en twee katapulten aangetroffen.7 Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze voorwerpen aan te merken als wapens in de zin van respectievelijk categorie I onder 68, categorie II onder 69 en van categorie I onder 6 van de Wet wapens en munitie10. Dat verdachte deze voorwerpen beweerdelijk niet als wapens gebruikte maar voor andere doeleinden voorhanden had en hij de busjes met pepperspray legaal in Duitsland had gekocht, maakt dit niet anders. Het voorhanden hebben van deze wapens is in Nederland verboden.

Het onder 1 ten laste gelegde kan derhalve wettig en overtuigend worden bewezen.

Nadere overwegingen feit 2

Voorts werden in de woning11 van verdachte op 9 december 2015 diverse zakjes met wit poeder en pillen in beslaggenomen. Het betrof 468 gram roze gekleurd nat poeder (SIN-nummer AAJC0941NL gekoppeld aan SIN-nummer AAJC0943NL)12, 27,77 gram wit nat poeder (SIN-nummer AAJC0945NL gekoppeld aan SIN-nummer AAJC0944NL)13, 12 gram witte brokken (SIN-nummer AAJC0946 NL gekoppeld aan SIN-nummer AAJC0947NL)14, derhalve in totaal 507,7 gram, en twee tabletten (SIN-nummer AAJC0937NL)15. Dit materiaal is door het NFI onderzocht en bleek amfetamine te bevatten.16

Vier inbeslaggenomen wikkels van 1,36 gram (SIN-nummer AAJC0948NL)17 en één wikkel van 0,82 gram (SIN-nummer AAJC0942NL)18 bevatten volgens het NFI cocaïne19. In totaal betreft dit 2,18 gram cocaïne en geen 2,16 gram zoals ten laste is gelegd. De rechtbank zal verdachte dan ook partieel vrijspreken van het aanwezig hebben van 2,18 gram cocaïne.

Ten slotte is er een aantal pillen, voorzien van SIN-nummer AAJC0940NL gekoppeld aan SIN-nummer AAJC0939NL20 en SIN-nummer AAJC0938NL21 en SIN-nummer AAJC0936NL22 onderzocht door het NFI. Deze pillen bevatten alle MDMA23. Echter is niet duidelijk hoeveel pillen er onder verdachte in beslag zijn genomen nu in het proces-verbaal bij het SIN-nummer AAJC0940NL gekoppeld aan SIN-nummer AAJC0939NL verschillende hoeveelheden worden genoemd. Dit maakt dat de rechtbank verdachte partieel zal vrijspreken van het voorhanden hebben van 25 tabletten.

Verdachte heeft verklaard dat hij niets af weet van de 465 gram amfetamine die is aangetroffen in het vriesvak van de koelkast in de keuken van zijn woning en dat hij vermoedt dat deze is achtergelaten door de persoon voor wie hij het vuurwapen in bewaring heeft genomen. Verdachte heeft verklaard dat hij uit angst dit vermoeden niet nader wenst te concretiseren. De rechtbank zal derhalve geen rekening (kunnen) houden met de verklaring van verdachte en vanwege het feit dat de amfetamine in de koelkast in zijn woning is aangetroffen, ook ten aanzien van deze hoeveelheid tot een bewezenverklaring komen.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte op 9 december 2015 507,7 gram en 2 tabletten, bevattende amfetamine, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA aanwezig heeft gehad.

Het onder 2 ten laste gelegde kan wettig en overtuigend worden bewezen.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:

1.

hij op 9 december 2015 te Lelystad een wapen van categorie II, onder 2, te weten een pistoolmitrailleur, merk CZ model 61, Skorpion kaliber 7.65 mm, en munitie van categorie III, te weten een aantal (124) scherpe patronen, kaliber 7,65 mm, en een wapen van categorie I, onder 3, te weten een geluiddemper voor een vuurwapen en twee boksbeugels en twee wapens van categorie 1 onder 6, te weten 2 katapulten, en twee wapens van categorie II, onder 6, te weten 2 gasbusjes (pepperspray), voorhanden heeft gehad;

2.

hij op 9 december 2015 te Lelystad, opzettelijk aanwezig heeft gehad,

- 507,7 gram en/of 2 tabletten (a 0,24 gram),bevattende amfetamine en

- een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en

- een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA,

zijnde amfetamine en cocaïne en MDMA middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Van het onder 1 en 2 meer of anders ten laste gelegde zal verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

6 KWALIFICATIE

Het bewezene levert op:

Feit 1

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl de schuldige het misdrijf heeft begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie II en een wapen van categorie I, meermalen gepleegd

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd.

Feit 2

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

7 STRAFBAARHEID

De feiten en verdachte zijn strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

8 STRAFOPLEGGING

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 25 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van een op te leggen straf verzocht rekening te houden met het gegeven dat verdachte een hardwerkende zelfstandige ondernemer is, zijn partner chronisch ziek is en hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het bezit van een pistoolmitrailleur, een geluidsdemper en bijbehorende patronen. Het ongecontroleerde bezit hiervan brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich mee en kan gevoelens van onveiligheid in de maatschappij veroorzaken.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het bezit van een hoeveelheid drugs in de vorm van MDMA, cocaïne en amfetamine. Deze harddrugs brengen een onaanvaardbaar risico met zich mee. Het risico ligt met name op het gebied van de gezondheid, het verslavende effect en de openbare orde. Met betrekking tot dit laatste is het een feit van algemene bekendheid dat verslaafden in de regel vermogensdelicten plegen om in hun gebruik te kunnen voorzien.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met een uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 22 april 2016, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor wapen gerelateerde feiten maar wel voor een drugsdelict op 24 september 1998 door de militaire politierechter in Arnhem.

De rechtbank is, in het licht van het voorgaande en gelet op hetgeen voor soortgelijke feiten onder soortgelijke omstandigheden wordt opgelegd, van oordeel dat in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf dient te worden opgelegd, echter van een kortere duur dan door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank ziet in het gegeven dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor wapen gerelateerde feiten en in de aard van de bewezen verklaarde feiten bovendien aanleiding om een deel van deze straf voorwaardelijk op te leggen, om verdachte er van te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank zal de tijd die door verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht bij de tenuitvoerlegging van de straf in mindering brengen.

De rechtbank ziet geen aanleiding tot strafvermindering, zoals door de raadsman was verzocht, nu er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is van vormverzuimen, zoals hiervoor onder 4. overwogen.

9 TOEPASSELIJKHEID WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 27, 57, 91 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 13, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5. is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van hetgeen meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart de bewezen verklaarde feiten strafbaar;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte, groot 5 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond van het feit dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 jaar schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Bos, voorzitter, mr. N.E.M. Kranenbroek en

mr. P. Bender, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.J. de Vries, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 juli 2016.

Mr. P. Bender is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer 2015372516, doorgenummerd 1 tot en met 115.

2 Het door [verbalisant] , hoofdagent van politie Eenheid Midden-Nederland, op 14 maart 2016 in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1700-2015390422-30.

3 Pagina 49

4 Pagina 40

5 Pagina 41

6 Pagina 78 en 79

7 Pagina 41

8 Pagina 67

9 Pagina 96

10 Pagina 67

11 Pagina 41

12 Pagina 58 en 60

13 Pagina 58 en 60

14 Pagina 59 en 61

15 Pagina 59

16 Een geschrift, te weten een Rapport Identificatie van drugs en precursoren van het NFI d.d. 21 december 2015 opgemaakt door Ing. [B] .

17 Pagina 61

18 Pagina 62

19 Een geschrift, te weten een Rapport Identificatie van drugs en precursoren van het NFI d.d. 21 december 2015 opgemaakt door Ing. [B] .

20 Pagina 59 en 61

21 Pagina 62

22 Pagina 62

23 Een geschrift, te weten een Rapport Identificatie van drugs en precursoren van het NFI d.d. 21 december 2015 opgemaakt door Ing. [B] .