Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:3954

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
15-07-2016
Datum publicatie
15-07-2016
Zaaknummer
5029872 UV EXPL 16-134 SM/1152
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Toewijzing wedertewerkstelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/2090
AR-Updates.nl 2016-0766
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 5029872 UV EXPL 16-134 SM/1152

Kort geding vonnis van 15 juli 2016

inzake

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [eiseres] ,

eisende partij,

gemachtigde: mr. A.P. Vink-Mulder,

tegen:

de vereniging

[gedaagde] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verder ook te noemen de Vereniging,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. B.J. Boiten.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties,

  • -

    het verweerschrift met producties,

  • -

    de brief van [eiseres] van 23 juni 2016 met aanvullende producties,

  • -

    de brief van De Vereniging van 1 juli 2016 met een aanvullende productie,

  • -

    de mondelinge behandeling.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De Vereniging bestaat uit veertien scholen voor basisonderwijs, gelegen in de regio

Utrecht en Amsterdam. [eiseres] is in september 2007 in dienst getreden bij (de rechtsvoorganger van) de Vereniging. Sinds maart 2012 is zij op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd werkzaam als directeur op een van deze scholen genaamd “ [naam] ” te [vestigingsplaats] . [naam] heeft twee locaties: locatie [locatie] en locatie [locatie] .

2.2.

Op de arbeidsovereenkomst is de CAO voor het Primair Onderwijs (hierna: de CAO)

van toepassing. In artikel 3.13 tot en met 3.15 van de CAO zijn de gronden en de voorwaarden voor het opleggen van de maatregel van schorsing bepaald.

2.3.

In juni 2014 heeft de Vereniging in het kader van een nieuw organisatiemodel een nieuw “functiegebouw” vastgesteld. Bij brief van 11 mei 2015 heeft de Verenigingsdirecteur mevrouw [A] (hierna: de verenigingsdirecteur) [eiseres] als volgt geïnformeerd over het nieuwe organisatiemodel:

“(…)

In de bestuursvergadering van 6 januari 2015 heeft het bestuur besloten dat het meerschoolse directeuren concept vanaf augustus 2016 verenigingsbreed zal zijn ingevoerd. Dit betekent dat verwacht wordt dat de functie van directeur in het functiegebouw van de Vereniging [gedaagde] zal komen te vervallen bij vertrek van een van de directeuren.

De huidige directeuren zullen vanaf augustus 2016 met behoud van taken, inhoudelijke functiebeschrijving en salaris deel zijn van het cluster. De directeur valt daarmee formeel onder de meerschoolse directeur, de eerstelijns manager. Indien interesse bestaat om wellicht door te groeien naar de functie van meerschoolse directeur zal de kandidaat daarvoor middels een sollicitatieprocedure beoordeeld worden op het moment dat er een meerschoolsvacature ontstaat.

Op het GDO op 21 april 2015 is er unaniem besloten volgend schooljaar 2015-2016 te werken in 3 clusters van scholen. De clustering is gebaseerd op de al bestaande clusters waarbij aan ieder cluster een school met een directeur is toegevoegd.

(…)

Vanaf augustus 2015 is jouw school deel van cluster I. Binnen dit cluster blijf jij integraal verantwoordelijk zoals omschreven in het functieboek en formeel blijft de verenigingsdirecteur jouw eerstelijnsmanager. In de domeinen formatie, personeelsbeleid, bedrijfsvoering en beleidsimplementatie zal een intensieve samenwerking worden geïnitieerd met de meerschoolse directeur, t.w. Mevr. [B] . Hierdoor kan de organisatie al van het meerschoolse directeuren-effect profiteren en kun jij ervaren hoe het werken in een cluster van scholen jouw eigen functioneren versterkt.

(…).”

Met ingang van 1 augustus 2015 is een aanvang gemaakt met het werken met een meerschoolsdirectiemodel. [naam] viel vanaf 1 augustus 2015 onder de meerschoolsdirecteur [B] . De heer [C] is met ingang van die datum aangesteld als locatiemanager van de locatie [locatie] van [naam] .

2.4.

In de periode juni 2015 tot en met september 2015 hebben gesprekken plaatsgevonden tussen de verenigingsdirecteur en [eiseres] en heeft e-mailcorrespondentie plaatsgevonden, waaronder:

- een e-mail van 21 augustus 2015 waarin de verenigingsdirecteur - samengevat - aan [eiseres] de volgende uiteenzetting geeft: [eiseres] is als directeur verantwoordelijk voor het gehele [naam] waar zij directeur is. De dagelijks aansturing op locatie [locatie] wordt uitgevoerd door [C] en op de locatie [locatie] door [eiseres] . Ieder voert voor de eigen locatie de locatie specifieke taken uit. De taken financiën personeelsadministratie, onderwijskundige vergaderingen, aansturing IB en bijwonen vergaderingen ketenpartners, worden verdeeld door [eiseres] en [C] en wordt door een van hen beiden uitgevoerd. In de overgangsfase tot 1 augustus 2016 legt [eiseres] verantwoording af aan de verenigingsdirecteur en wordt zij door haar beoordeeld. De locatieleider [C] gaat werken vanuit de nieuwe structuur, hetgeen betekent dat hij verantwoording aflegt aan de meerschoolse directeur.

- in een e-mail van 25 augustus 2015 aan de verenigingsdirecteur heeft [eiseres] naar voren gebracht dat zij in de gesprekken heeft aangegeven dat zij zich niet kan vinden in de situatie, en dat zij volgens haar het door de verenigingsdirecteur geboden alternatief om tot versnelde invoering van het meerschoolse model voor [naam] over te gaan geen goede oplossing biedt. Haar bezwaar komt er op neer dat zij niet langer integraal verantwoordelijk is voor [naam] , inclusief de aansturing van de locatieleider. Volgens [eiseres] is [naam] niet toe aan deze verandering en is het in strijd met eerder gemaakte afspraken over de betreffende functies en de uitvoering daarvan.

2.5.

Op 14 september 2015 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [eiseres] en het bestuur van de Vereniging over de invoering van het meerschoolse organisatiemodel en de gevolgen daarvan voor [naam] en de positie van [eiseres] daarin.

2.6.

Op 16 september 2015 heeft [eiseres] zich ziek gemeld. Bij brief van 1 oktober 2015 heeft de verenigingsdirecteur aan [eiseres] de dienstopdracht verstrekt om geen contact meer te hebben met ouders en leerlingen van [naam] , geen contact meer op te nemen met teamleden van [naam] en bepaald dat de enige vorm van contact mag lopen via de verenigingsdirecteur.

2.7.

Na re-integratie op een andere locatie van de Vereniging is [eiseres] met ingang van 8 februari 2016 volledig hersteld verklaard. Op 8 februari 2016 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [eiseres] en de verenigingsdirecteur. In een brief van gelijke datum heeft de verenigingsdirecteur het volgende aan haar meegedeeld:

“(…)

Vandaag - 8 februari 2016 - heb ik u laten weten dat terugkeer in elk geval vooralsnog niet aan de orde is, omdat ik sterke aanwijzingen heb dat dit niet in het belang is van de leerlingen, het team, de ouders en daarmee van de school als geheel. Ik heb voor dit moment dan ook niet het vertrouwen dat uw terugkomst de situatie op de school goed zal doen. Dit houdt nadrukkelijk verband met de situatie van vóór uw ziekmelding van 15 september 2015, die kort gezegd is ontstaan doordat u zich niet wilt committeren aan de nieuwe inrichting van de organisatie. Ook nadien zijn zaken voorgevallen die uw terugkeer lijkt te bemoeilijken. Ook de onderlinge verhouding tussen u en mij staat op dit moment aan een terugkeer in de weg. Vanwege uw positie heb ik u in overweging gegeven juridische bijstand in te schakelen.

Een periode van intern beraad en nader overleg met u is dan ook noodzakelijk om te bezien in hoeverre werkhervatting als directeur van [naam] een reële optie kan worden genoemd. Het is niet in het belang van de school dat u tijdens dit beraad uw werkzaamheden hervat. Ik heb u dan ook voorgesteld buitengewoon verlof - met behoud van bezoldiging - op te nemen. U hebt hiermee mondeling ingestemd. Daarna heb ik u dit verlof mondeling verleend.

(…)”

2.8.

[eiseres] en de Vereniging zijn een mediationtraject gestart, maar dit heeft niet tot resultaten geleid.

2.9.

Hangende het mediationtraject heeft de Vereniging aan onderzoeksbureau Scolix (hierna: Scolix) de opdracht gegeven een onderzoek te doen naar de situatie bij [naam] . Scolix heeft in mei 2016 een rapport uitgebracht. [eiseres] heeft bij brief van 20 mei 2016 op het rapport van Scolix gereageerd.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert dat de kantonrechter bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis, bij wege van voorlopige voorziening:

primair

De Vereniging op straffe van een dwangsom veroordeelt om [eiseres] op de kortst mogelijke termijn in de gelegenheid te stellen haar functie op de gebruikelijke wijze uit te voeren, met in achtneming van al haar taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden,

subsidiair

de Vereniging op straffe van een dwangsom veroordeelt om [eiseres] op de kortst mogelijke termijn in de gelegenheid te stellen een andere passende functie binnen de organisatie van de Vereniging uit te voeren,

met veroordeling van de Vereniging in de kosten van dit geding

3.2.

[eiseres] betoogt dat voor het besluit om haar niet toe te laten tot haar werkzaamheden een grondslag ontbreekt. Zij stelt daartoe dat haar niet de maatregel van schorsing is opgelegd, dat bovendien inhoudelijk niet is voldaan aan de vereisten voor oplegging van deze maatregel en dat evenmin de voor een schorsing vereiste formaliteiten in acht zijn genomen. Zij heeft slechts - onder protest - ingestemd met een korte periode van buitengewoon verlof in de hoop dat partijen er in onderling overleg uit konden komen. [eiseres] betwist dat terugkeer op haar werkplek tot onverantwoorde onrust zou leiden. [eiseres] benadrukt dat het nimmer zo is geweest dat zij niet wilde mee werken aan een nieuwe organisatiestructuur. Zij heeft enkel haar zorgen geuit over bepaalde zaken, maar zij is vanzelfsprekend loyaal aan beslissingen van het bestuur en de verenigingsdirecteur.

3.3.

De Vereniging voert als verweer dat aan haar besluit om [eiseres] niet meer toe te laten op de werkvloer ten grondslag ligt dat het functioneren van [eiseres] in haar functie van directeur al vanaf 2014 tot ongenoegen leidt bij de Vereniging. Volgens de Vereniging heeft [eiseres] zich niet kunnen neerleggen bij het bestuursbesluit om naar een clusterstructuur over te gaan. Ten onrechte kwalificeert [eiseres] de geringe aanpassing van haar functie als een uitholling van haar functie. De Vereniging stelt dat [eiseres] de ouders en teamleden van [naam] niet heeft geïnformeerd over de nieuwe organisatiestructuur en heeft getracht het bestuursbesluit terug te draaien. De Vereniging verwijst in dit verband naar het rapport van Scolix. De starre houding van [eiseres] maakt de samenwerking met de Vereniging in haar functie van directeur onmogelijk. Terugkeer van [eiseres] in haar functie van directeur bij [naam] zal onder deze omstandigheden leiden tot een toename van de onrust op deze school.

4 De beoordeling

4.1.

[eiseres] heeft gelet op de aard van de zaak een spoedeisend belang bij haar

vordering.

4.2.

Vooropgesteld wordt dat voor toewijzing van een voorziening zoals door [eiseres]

wordt gevorderd, het in hoge mate waarschijnlijk moet zijn dat een gelijkluidende vordering

in een te voeren bodemprocedure zal worden toegewezen. Beoordeeld dient dus onder meer

te worden of al dan niet aannemelijk is dat de bodemrechter tot het oordeel zal komen dat de

op non-actiefstelling van [eiseres] dient te worden opgeheven en de gevorderde

wedertewerkstelling zou moeten worden toegewezen.

4.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat het verlenen van buitengewoon verlof slechts mogelijk is met wederzijds goedvinden. De kantonrechter volgt niet het betoog van de Vereniging dat aan dit vereiste is voldaan. Mogelijk was dit wel het geval voor een korte periode na 8 februari 2016, toen [eiseres] instemde met mediation. Gelet op de inhoud van de in 2.7 genoemde brief van 8 februari 2016 van de verenigingsdirecteur was toen al sprake van een dreigend arbeidsrechtelijk conflict. Na het mislukken van de mediation heeft [eiseres] in kort geding verzocht weer in haar functie te worden toegelaten. De zitting in kort geding was gepland op 31 mei 2016. [eiseres] heeft op verzoek van de Vereniging ingestemd met uitstel van dit kort geding in verband met een mogelijke minnelijke oplossing. Dat kon door aan de zijde van de Vereniging gelegen omstandigheden niet worden gerealiseerd. Concreet zicht op een oplossing is er ook nu nog niet. Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat [eiseres] heeft ingestemd met het voortduren van het buitengewoon verlof.

4.4.

Gelet op het voorgaande kan buitengewoon verlof geen grondslag zijn voor de weigering van de Vereniging om [eiseres] toe te laten haar functie uit te oefenen. De Vereniging heeft ook geen rechtspositionele maatregel genomen die deze weigering kan rechtvaardigen. Het betoog van de Vereniging dat er zeer recent meerdere bestuurswisselingen hebben plaatsgevonden binnen de vereniging en dat het huidige bestuur eerst op 23 juni 2016 is aangetreden, na een korte periode van een onvolledig interim bestuur is in elk geval niet zo’n rechtvaardiging. De bestuurswisseling in de Vereniging en de gevolgen daarvan voor de slagvaardigheid van het bestuur bij te nemen besluiten en maatregelen is een zaak die het Verenigingsbestuur aangaat, maar mag er niet toe leiden dat de rechtspositie van [eiseres] in het ongewisse blijft.

4.5.

De aankondiging van de Vereniging dat [eiseres] bij toewijzing van haar vordering een schorsingsbesluit tegemoet zal kunnen zien, getuigt in dit stadium van de procedure naar het oordeel van de kantonrechter niet van goed werkgeverschap. Dit daargelaten de vraag of een schorsingsbesluit op dit moment de rechterlijke toetsing zou kunnen doorstaan. De kantonrechter ziet geen aanleiding om op die beoordeling vooruit te lopen.

4.6.

Het voorgaande leidt de kantonrechter tot het oordeel dat een rechtsgeldige grondslag ontbreekt voor de weigering [eiseres] toe te laten tot haar werkzaamheden. Haar vordering zal daarom worden toegewezen.

4.7.

De kantonrechter ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of de primaire vordering dat zij wordt toegelaten tot haar werkzaamheden als directeur van [naam] kan worden toegewezen. Naar het oordeel van de kantonrechter is dit op grond van de hierna volgende overwegingen het geval.

4.8.

De Vereniging legt aan haar weigering [eiseres] toe te laten tot haar werkzaamheden ten grondslag dat terugkeer van haar in haar functie van directeur bij [naam] zal leiden tot (toename van de) “onrust”. De kantonrechter constateert dat het hier gaat om een conflict en een (dreigende) vertrouwensbreuk tussen [eiseres] enerzijds en de verenigingsdirecteur en het bestuur van de Vereniging anderzijds. De onrust speelt dan ook in de eerste plaats tussen [eiseres] en de Vereniging. Voor zover het conflict tussen deze partijen ook tot onrust heeft gezorgd op [naam] , is niet aannemelijk geworden dat deze onrust uitsluitend of hoofdzakelijk aan [eiseres] is te wijten. Er zijn evenzeer aanwijzingen dat de onrust is ontstaan door de afwezigheid van [eiseres] en de onduidelijkheid over haar terugkeer. Dat [eiseres] ongeschikt zou zijn voor wat betreft de inhoud van haar functie is in dit stadium niet, althans niet voldoende gebleken. Dat [eiseres] kritische kanttekeningen heeft gemaakt bij de uitvoering van het nieuwe organisatiemodel heeft niet zonder meer tot gevolg dat zij ongeschikt zou zijn voor haar functie als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 sub d BW of dat anderszins een geldige reden voor opzegging van de arbeidsovereenkomst door de Vereniging aanwezig is. Het door de Vereniging overgelegde conceptrapport van de Inspectie van het Onderwijs biedt daarvoor ook geen concrete aanknopingspunten. Voorts overweegt de kantonrechter - zonder enig oordeel te geven over het nut en de noodzaak van de wijziging in de organisatiestructuur - dat aan [eiseres] moet worden toegegeven dat met ingang van 1 augustus 2015 wel degelijk sprake lijkt van een wijziging in haar bevoegdheden, aangezien zij eerder - onbetwist - integraal verantwoordelijk was voor beide locaties van [naam] , terwijl uit de brief van 11 mei 2015, waarin haar nieuwe positie formeel aan haar wordt toegelicht, niet blijkt dat zij met ingang van 1 augustus 2015 haar taken dient te delen met een locatiemanager die hiërarchisch geen verantwoording aan haar verschuldigd is. Aan het rapport van Scolix waar de Vereniging zich op beroept kent de kantonrechter om de hierna volgende overwegingen geen doorslaggevende betekenis toe, nog daargelaten dat [eiseres] zowel de zorgvuldige totstandkoming als de inhoud van dit rapport heeft betwist.

4.9.

Ter zitting heeft de Vereniging toegelicht dat (het bestuur van de) Vereniging zich ook beraadt op een mogelijke opzegging van de arbeidsovereenkomst met [eiseres] vanwege verstoorde verhoudingen en/of het ontbreken van vertrouwen. De Vereniging stelt daartoe dat [eiseres] heeft geweigerd om loyaal mee te werken aan de uitvoering van het nieuwe organisatiemodel. De Vereniging wijst erop dat in het rapport van Scolix forse kritiek wordt geleverd op [eiseres] , die zou hebben nagelaten ouders en teamleden tijdig te informeren over het proces om te komen tot een andere structuur en de komst van [C] en dat de opsteller van het rapport het bijna onmogelijk acht dat de wenselijk geachte cultuur binnen [naam] wordt bereikt als [eiseres] terugkeert als directeur. Deze kort geding procedure die door [eiseres] is ingesteld met het doel terug te keren in haar functie leent zich echter niet voor een beoordeling of een eventueel ontbindingsverzoek kans van slagen zou hebben. Indien de Vereniging deze weg wenst in te slaan zal zij daartoe zelf de benodigde stappen dienen te nemen, zodat de door haar naar voren gebrachte verwijten in het daarvoor geëigende toetsingskader kunnen worden beoordeeld. Indien de kantonrechter thans op basis van de uitkomsten van het rapport van Scolix zou beslissen dat [eiseres] niet kan terugkeren bij [naam] omdat zij ongeschikt is het door de Vereniging gewenste veranderingstraject uit te voeren - daargelaten of dit rapport daarvoor voldoende houvast biedt - wordt daarmee een voorschot genomen op een mogelijke uitkomst van de eventuele ontbindingsprocedure. Dit geldt op dezelfde wijze voor de verwijten die de Vereniging [eiseres] heeft gemaakt over haar functioneren in het verleden, waaronder het wegsturen van een leerling en het niet in achtnemen van het contactverbod door een teamborrel te bezoeken.

4.10.

De Vereniging betoogt voorts dat [eiseres] niet kan terugkeren op [naam] , omdat de mogelijkheid bestaat dat een in te zetten ontbindingsprocedure slaagt, zodat zij alsnog zal moeten vertrekken. Deze mogelijk tijdelijke terugkeer zal volgens de Vereniging onnodig voor onrust zorgen. De kantonrechter ziet hierin geen reden om de primaire vordering tot plaatsing op [naam] af te wijzen. Het uitgangspunt is dat de vordering tot wedertewerkstelling wordt toegewezen. Dit probleem zal zich dus op iedere locatie waar [eiseres] wordt geplaatst kunnen voordoen, totdat duidelijkheid bestaat over de toekomst van [eiseres] bij de Vereniging.

4.11.

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen is de kantonrechter van oordeel dat het aannemelijk is dat de bodemrechter tot het oordeel zal komen dat [eiseres] haar werkzaamheden als directeur van [naam] weer mag hervatten. De gevorderde wedertewerkstelling zal daarom worden toegewezen. [eiseres] heeft geen concrete termijn gevorderd waarbinnen zij weer werkzaam wenst te zijn. Gelet op de zomervakantie en de belangen over en weer zal de kantonrechter de vordering toewijzen met ingang van 1 augustus 2016, zodat partijen voor de aanvang van het nieuwe schooljaar met elkaar in gesprek kunnen gaan over de consequenties van dit vonnis.

4.12.

De door [eiseres] gevorderde dwangsom zal worden toegewezen. [eiseres] heeft geen bedrag genoemd. De kantonrechter bepaalt de hoogte van de dwangsom op € 750,00 per (gedeelte van een) dag met een maximum van € 30.000,00 aan te verbeuren dwangsommen in totaal.

4.13.

De kantonrechter overweegt ten overvloede nog het volgende. Ter zitting is aan de orde gekomen dat een beslissing op de vordering in wezen geen oplossing biedt voor het tussen [eiseres] en de Vereniging bestaande conflict. De Vereniging wordt weliswaar veroordeeld tot wedertewerkstelling van [eiseres] in haar functie, maar ter zitting is duidelijk geworden dat de Vereniging in feite het voornemen heeft de arbeidsrelatie met [eiseres] te beëindigen. Met dit vonnis heeft de kantonrechter zich uitdrukkelijk niet uitgelaten over de mogelijke uitkomst van een dergelijke procedure. De kantonrechter geeft partijen in overweging om op korte termijn alsnog met elkaar in overleg te gaan om te bezien of zij voor het nieuwe schooljaar tot afspraken kunnen komen om een voor beide partijen werkzame en duurzame situatie te creëren. Hetgeen hierover ter zitting - helaas zonder resultaat - is uitgewisseld sluit niet uit dat daarvoor nog een basis is te vinden, mits beide partijen bereid zijn tot het doen van enige concessie op de voor ieder van hen meest wenselijke uitkomst.

4.14.

De Vereniging zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

dagvaarding € 94,08

griffierecht € 79,00

- salaris gemachtigde € 600,00 (2 punten x tarief € 300,00)

Totaal € 773,08

5 De beslissing

De kantonrechter:

geeft de volgende onmiddellijke voorziening:

5.1.

veroordeelt de Vereniging om [eiseres] met ingang van 1 augustus 2016 in staat te stellen haar werkzaamheden als directeur van [naam] op de gebruikelijke wijze te hervatten met alle faciliteiten en bevoegdheden die zij uit hoofde van de arbeidsovereenkomst mocht genieten op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 750,00 per (gedeelte van een) dag met een maximum van € 30.000,00 aan te verbeuren dwangsommen in totaal;

5.2.

veroordeelt de Vereniging tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiseres] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 773,08, waarin begrepen € 600,00 aan salaris gemachtigde;

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Willems, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2016.