Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:3846

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
11-07-2016
Datum publicatie
11-07-2016
Zaaknummer
16/706083-14 (ontneming)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontnemingsvordering van € 26.505,84.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht
Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/706083-14 (ontneming)

Vonnis van de rechtbank d.d. 11 juli 2016

in de ontnemingszaak tegen

[veroordeelde] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1995] ,

wonende te [woonplaats] , [adres] ,

hierna aan te duiden als: veroordeelde.

1 Deprocedure

De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:

- de vordering, die binnen de in artikel 511b van het Wetboek van Strafvordering genoemde termijn aanhangig is gemaakt;

- het strafdossier onder parketnummer 16/706083-14, waaruit blijkt dat veroordeelde op 11 juli 2016 door de rechtbank Midden-Nederland is veroordeeld ter zake van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod en ter zake van diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, tot de in die uitspraak vermelde straf;

- het aan de strafzaak ten grondslag liggende proces-verbaal, nummer PL0900 2015040359 Z (pagina 1 tot en met 180);

- de bevindingen tijdens het onderzoek ter terechtzitting.

Tijdens het onderzoek ter terechtzitting zijn de officier van justitie en de raadsman van veroordeelde mr. K.H.T. van Gijssel gehoord. Veroordeelde is niet verschenen.

2 De beoordeling

2.1

De vordering van de officier van justitie

Blijkens het verhandelde ter terechtzitting ziet de aanhangig gemaakte ontnemingsvordering op twee feiten, te weten cocaïnehandel en winkeldiefstal.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting de ontnemingsvordering gewijzigd, en verminderd van € 140.390,80 naar € 126.293,-.

Voor die wijziging is ervan uitgegaan dat veroordeelde in cocaïne heeft gehandeld. De diefstal is bij de ter terechtzitting aangepaste vordering niet betrokken.

Bij de berekening van de vordering zoals gewijzigd is uitgegaan van 245 afnemers, een periode van 12,9 weken per afnemer, een gemiddelde van 3,33 transacties per afnemer per week en een opbrengst per transactie van € 24,- (waarbij geldt dat 0,5 gram € 20,- kost en per keer gemiddeld 0,6 gram is verkocht).

De officier van justitie baseert zich daarbij op het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 25 november 2015, met dien verstande dat het totaal aantal afnemers is afgeleid van het gebruik van telefoonnummer [telefoonnummer] als deallijn. Verder is voor zowel de periode als de frequentie uitgegaan van een middeling van de drugsaankopen zoals is verklaard door drie getuigen, te weten [A] , [B] en [C] .

2.2

Het standpunt van de verdediging

Nu er meerdere personen bij eventuele drugshandel betrokken waren, kan volgens de verdediging mede bij gebreke van telefoontaps niet worden uitgesloten dat er meer dan een persoon schuilgaat onder de naam ‘ [naam] ’, of dat een ander dan veroordeelde de opbrengsten heeft geïnd.

Ook acht de verdediging het niet reëel dat elk in- en uitgaand telefonisch gesprek op nummer [telefoonnummer] , vermeld op de lijst met historische verkeersgegevens, een deal oplevert.

2.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank gaat bij de beoordeling van de vordering uit van de in het vonnis bewezen verklaarde strafbare feiten, te weten -kort gezegd- de verkoop van cocaïne en een winkeldiefstal.

De omstandigheid dat de conclusie van de officier van justitie tot vrijspraak voor winkeldiefstal leidde tot vermindering van de ontnemingsvordering, laat onverlet de mogelijkheid dat ook ter zake van dit feit de ontnemingsmaatregel wordt opgelegd.

Hiertegen is geen verweer gevoerd.

Voor de schatting van de hoogte van het uit dat feit verkregen wederrechtelijk voordeel zal de rechtbank aansluiten bij het “Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict”, d.d. 25 november 2015 van politie Midden-Nederland, Divisie Recherche1 (hierna: rapport).

De rechtbank ziet geen aanleiding om van de hierin opgenomen wijze van berekening af te wijken en neemt deze dan ook over. Uitgaande van een totaalwaarde van de weggenomen parfumerieartikelen van € 5.281,23 en rekening houdend met een gebruikelijke helingwaarde van 20%, resulteert dit in een voordeel van € 1.056,24.

Ten aanzien van de overtreding van de Opiumwet overweegt de rechtbank als volgt.

Bij eerder genoemd vonnis is cocaïnehandel bewezenverklaard in de periode van april tot en met juni 2014. De rechtbank acht uit het dossier aannemelijk geworden dat veroordeelde ook in de periode daaraan voorafgaand in harddrugs heeft gehandeld. De rechtbank zal daarom ook op basis van andere strafbare feiten, zoals bedoeld in artikel 36e derde lid van het Wetboek van Strafrecht, het wederrechtelijk verkregen voordeel schatten.

Dat er ten aanzien van de handel in verdovende middelen sprake zou zijn van een samenwerking tussen meerdere personen die het karakter draagt van medeplegen is in het geheel niet aannemelijk geworden, en overigens ook niet vastgesteld in de strafzaak. De stelling van de verdediging dat er meer dan één persoon schuilgaat achter ‘ [naam] ’ is niet onderbouwd, niet verifieerbaar en daarmee niet aannemelijk geworden. De rechtbank gaat daarom aan deze stelling voorbij.

Wel acht de rechtbank aannemelijk dat alleen inkomende gesprekken op de zogeheten deallijn duiden op een deal. In zoverre slaagt het verweer.

Ten aanzien van die inkomende contacten is de rechtbank het volgende gebleken.

In het strafdossier bevindt zich een overzicht van de tegennummers waarvan gebruik is gemaakt in het telefoonverkeer met nummer [telefoonnummer] , dat met veroordeelde in verband kan worden gebracht, in de periode tussen 31 december 2013 en 12 augustus 2014.2 Uit de historische verkeersgegevens blijkt hoeveel contacten er zijn geweest per tegennummer en hoeveel van deze contacten inkomend en uitgaand waren.

Het komt de rechtbank redelijk voor om voor het aantal drugscontacten van veroordeelde uit te gaan van het aantal inkomende gesprekken vermeld achter elk tegennummer (dat begint met de cijfers 31) in dat overzicht, voor zover het gaat om twee of meer gesprekken. Daarvan mag naar het oordeel van de rechtbank worden aangenomen dat dit telkens een transactie opleverde. Daarbij is ook in aanmerking genomen dat het rapport voldoende aanwijzingen bevat dat veroordeelde zich langer met het dealen van cocaïne heeft bezig gehouden dan de in het vonnis van 11 juli 2016 bewezen verklaarde periode. Het totaal van deze inkomende contacten’ is te stellen op 1928.3

Voor de verkochte hoeveelheid cocaïne per transactie zal de rechtbank aansluiten bij het gemiddelde verbruik van de drie hiervoor genoemde getuigen [A] , [B] en [C] , te stellen op 0,66 gram.4

De inkoopprijs van cocaïne bedraagt 50 procent van de verkoopprijs. Veroordeelde verkocht de cocaïne voor € 40,- per gram. Hieruit kan worden afgeleid dat de nettowinst per gram cocaïne € 20,- is.5

In de periode van april 2014 tot 12 augustus 2014 is dus voor een bedrag van

(0,66 x € 40,-) x 1928 = € 50.899,20 : 2 = € 25.449,60 winst gemaakt met de handel in cocaïne.

Totaal wederrechtelijk verkregen voordeel

Op basis van de hiervoor weergegeven berekening schat de rechtbank het door veroordeelde verkregen wederrechtelijk verkregen voordeel op € 25.449,60 + € 1.056,24 = € 26.505,84.

De verplichting tot betaling aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van voormeld bedrag van € 26.505,84 kan aan de veroordeelde worden opgelegd.

3 De beslissing

De rechtbank:

- stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 26.505,84;

- legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter grootte van € 26.505,84 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;

- wijst de vordering van de officier van justitie voor het overige af.

Deze beslissing is gegeven door mr. M. Ferschtman, voorzitter, mr. drs. S.M. van Lieshout en mr. V. van Dam, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier J.D. Koteris en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 11 juli 2016.

1 Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict, rapportnr. 2015040359 Z

2 Proces-verbaal van bevindingen, nr. PL0900-2014153353-29

3 Bijlage bij het proces-verbaal van bevindingen, PL0900-2014153353-29

4 Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict, rapportnr. 2015040359 Z

5 Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict, rapportnr. 2015040359 Z