Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:3811

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
08-06-2016
Datum publicatie
11-07-2016
Zaaknummer
4982264 ME VERZ 16-85
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Tussenbeschikking
Inhoudsindicatie

Billijke vergoeding ex artikel 7:681 BW afgewezen. Vernietiging concurrentie- en relatiebeding uit arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Motivering van de bedingen schiet tekort. Verbod opgelegd aan werknemer om bij concurrent van werkgever in dienst te treden omdat aannemelijk is dat werknemer zijn geheimhoudingsplicht zal schenden als hij daar in dienst treedt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2016-0754
AR 2016/1999
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
kantonrechter

locatie Almere

Zaak- en rekestnummer: 4982264 / ME VERZ 16-85

Datum beslissing: 8 juni 2016

Beschikking in de zaak van

[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker, hierna ook te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde D.A.S. Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij,

en

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[verweerster] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verweerster, hierna ook te noemen: [verweerster] ,
gemachtigde mr. H.P. Wellenberg.

1 De procedure

1.1.

[verzoeker] heeft op 8 april 2016 een verzoekschrift ingediend op grond van artikel 7:681 van het Burgerlijk Wetboek (BW) met nevenverzoeken, tevens houdende een incidenteel verzoek (zaaknummer 4983253 ME VERZ 16-87) op de voet van artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

1.2.

[verweerster] heeft op 28 april 2016 een verweerschrift en een voorwaardelijk

tegenverzoek ingediend.

1.3.

Op 2 mei 2016 hebben beide partijen aanvullende producties in het geding

gebracht.

1.4.

De hoofdzaak is ter zitting van 3 mei 2016 behandeld, gelijktijdig met het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening. [verzoeker] is verschenen met mr. Bast en [verweerster] (vertegenwoordigd door de heer [A] en de heer [B] ) met mr. Wellenberg. Van het verhandelde tijdens de zitting is aantekening gehouden en door beide partijen is een pleitnotitie overgelegd.

1.5.

Ter zitting hebben partijen een vaststellingsovereenkomst met een, gelet op het bepaalde in artikel 7:670b lid 2 BW, ontbindende voorwaarde gesloten. Deze overeenkomst is vastgelegd in een proces-verbaal.

1.6.

Bij brief van 12 mei 2016 aan de griffie heeft [verzoeker] een beroep gedaan op de ontbindende voorwaarde. Hij heeft de kantonrechter verzocht een beschikking te geven.

1.7.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

[verweerster] is een groothandel voor professionele hygiëne- en reinigingssystemen, papier en zeep.

2.2.

Op 1 augustus 2014 is [verzoeker] bij [verweerster] in dienst getreden voor bepaalde tijd in de functie van accountmanager voor 40 uur per week. De arbeidsovereenkomst is drie keer verlengd. De laatste keer is de arbeidsovereenkomst verlengd tot 1 juni 2016. Het laatstverdiende salaris van [verzoeker] bedroeg € 2.500,00 exclusief emolumenten.

2.3.

In de arbeidsovereenkomst zijn onder meer de navolgende bedingen opgenomen:

Artikel 9 Geheimhoudingsbeding

De werknemer zal tegenover derden (…) tijdens en na de dienstbetrekking strikte geheimhouding betrachten omtrent alles wat bij de uitoefening van zijn functie te zijner kennis komt in verband met de zaken en belangen van de werkgever. Deze geheimhoudingsverplichting omvat eveneens alle gegevens, waarvan de werknemer uit hoofde van zijn functie van cliënten of andere relaties van de werkgever kennis neemt.

(…)

Artikel 11 Non-concurrentiebeding en relatiebeding

Gedurende de dienstbetrekking, als wel gedurende een periode van 12 maanden na het einde van de arbeidsovereenkomst, zal werknemer zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de werkgever in Nederland en België geen activiteiten ondernemen, op welke wijze en in welke vorm dan ook, hetzij in dienstbetrekking, hetzij onder eigen naam, hetzij door middel van samenwerking met natuurlijke of rechtspersonen, welke gelijk, gelijksoortig of aanverwant zijn aan de activiteiten van de werkgever of daarmee gelieerde ondernemingen.

Het is de werknemer, zonder voorafgaande toestemming van de werkgever, verboden om binnen een tijdvak van 12 maanden nadat de arbeidsovereenkomst om welke reden dan ook is geëindigd, op enigerlei wijze, hetzij direct, hetzij indirect, hetzij tegen vergoeding, hetzij zonder vergoeding, zakelijk contact te onderhouden dan wel te leggen met relaties van werkgever, ongeacht de vraag op wiens initiatief dit contact tot stand komt.

Onder “relaties” worden zowel klanten als leveranciers en/of aan klanten en leveranciers gelieerde ondernemingen verstaan. Onder het “onderhouden dan wel leggen van zakelijke contacten” wordt onder meer (doch niet uitsluitend) verstaan het aanvaarden van opdrachten, het verrichten van werkzaamheden alsmede het enkel benaderen van de relatie met het kennelijk doel om daarmee een zakelijke overeenkomst aan te gaan.

Werknemer erkent dat werkgever een zwaarwegend bedrijfsbelang heeft bij het aangaan van een non concurrentiebeding en een relatiebeding. Werkgever is een relatief kleine organisatie en werknemer zal in de overeengekomen functie kennis nemen van bedrijfsgevoelige informatie. Werknemer zal gezien de omvang van de organisatie bovendien een intensieve (persoonlijke) band kunnen opbouwen met een groot deel van de relaties van werkgever. Indien werknemer die kennis en contacten na het einde van het dienstverband zou aanwenden ten behoeve van een derde of ten behoeve van zichzelf, dan zal dit ernstige afbreuk doen aan het bedrijf van werkgever. Partijen erkennen dat het belang van werkgever bij het opnemen van een non-concurrentieding en een relatiebeding in dit geval zwaarder weegt dan het eventuele nadeel dat werknemer na het einde van de arbeidsovereenkomst van het beding zou kunnen ondervinden.

2.4.

[verzoeker] kan twee soorten variabele beloningen verdienen. Een provisie die maandelijks wordt berekend en (indien behaald) maandelijks wordt uitgekeerd alsmede een 4% extra bonus. Voor die laatste bonus gold in 2015 voor [verzoeker] een jaartarget van € 443.691,67.

2.5.

Op enig moment is [verzoeker] in contact gekomen met [bedrijf] B.V. (hierna: [bedrijf] ). [bedrijf] is een concurrent van [verweerster] .

2.6.

In januari 2016 heeft [verzoeker] bij [verweerster] aangegeven dat hij graag in dienst wilde treden bij [bedrijf] . [verweerster] heeft hem toen laten weten dat zij hier niet mee kon instemmen.

2.7.

Op 28 januari 2016 heeft [verzoeker] onder werktijd een bezoek gebracht aan [bedrijf] . Hiervoor heeft hij diezelfde dag een officiële waarschuwing gekregen van [verweerster] .

2.8.

Partijen hebben nadien nogmaals overleg gevoerd over de wens van [verzoeker] om in dienst te treden bij [bedrijf] . Ook toen konden zij geen overeenstemming bereiken.

2.9.

Op 5 februari 2016 heeft [verzoeker] [bedrijf] weer bezocht. Toen had hij een vrije dag.

2.10.

Op 17 maart 2016 hebben partijen wederom met elkaar gesproken over de wens van [verzoeker] om in dienst te treden bij [bedrijf] . Diezelfde dag is er een concept vaststellingsovereenkomst door [verweerster] opgesteld, die indiensttreding van [verzoeker] bij [bedrijf] mogelijk maakte. Het was de bedoeling dat [bedrijf] die vaststellingsovereenkomst zou mee ondertekenen. In de concept overeenkomst was bepaald dat in de relatie tussen [verzoeker] en [verweerster] het relatie- en geheimhoudingsbeding onverkort van kracht zou blijven en dat [verweerster] gedurende een jaar niet dezelfde klanten mocht bedienen in het rayon waar [verzoeker] bij [verweerster] werkzaam was geweest (rayon 05).

2.11.

Op 18 maart 2016 is [verweerster] een privé e-mail van [verzoeker] van 18 maart 2016 aan [bedrijf] onder ogen gekomen. In deze e-mail staat, voor zover hier van belang, het navolgende:

Denk dat dit wel redelijk is wat vind jij ? jullie moeten het natuurlijk ook goed vinden.

Dit was de eerste opzet , er komen wat wijzigingen in.

namelijk alle klanten die al bestaan die gezamenlijk geleverd worden blijven gewoon van [bedrijf] , en mochten wij benaderd worden door klanten in onderstaande postcode ( wat geleverd word door [verweerster] ) moet ik effe melding maken zodat die discussie niet kan ontstaan en we vervolgens de klanten wel kunnen aannemen.

feitelijk gezien gaat het alleen om dus niet actief benaderen van bestaande klanten van [verweerster] .

het gaat om de rayon waar ik in werkte , de rest van nederland vrij, en dat komt goed uit , dus alle klanten buiten rayon 05 mee beginnen en afpakken ( lijsten heb ik.)

Ben benieuwd hoe jullie dit zien, mijn advocaat zegt dat het wel heel redelijk is kan misschien moeilijke termen zijn maar enige waar het omdraait is dat we niet zelf direct klanten van [verweerster] mogen benaderen met offerte

Overigens wel bezoeken en warm maken ……. haha

advocate vind dit een goed voorstel waarbij ik / wij zeker door kunnen gaan.

17 maart 2017 volledig geheel rayon 05 pakken.

ben benieuwd ik hoor je graag vriend.

2.12.

Diezelfde dag, op 18 maart 2016, heeft [verweerster] [verzoeker] op de hoogte gesteld van de ontvangst van de onder 2.11 genoemde e-mail en heeft [verweerster] [verzoeker] verzocht om uiterlijk 21 maart 2016 hier uitleg over te geven.

2.13.

Op 21 maart 2016 heeft [verweerster] [verzoeker] op staande voet ontslagen. In de brief van [verweerster] aan [verzoeker] staat, voor zover hier van belang, het navolgende:

(…) Verder hebben wij je aangesproken op het feit dat solliciteren - waar dan ook - niet onder werktijd behoort te gebeuren maar dat je daarvoor verlof dient aan te vragen. We hebben jou een waarschuwing gegeven en hoopten dat het hierbij zou blijven en dat wij tot 1 juni op een nette en professionele wijze met elkaar om zouden kunnen blijven gaan.

Dat bleek voor jou moeilijk. Zo bleek je korte tijd daarna opnieuw een bezoek te hebben gebracht aan [bedrijf] en toen hebben we je weer gewezen op het non-concurrentiebeding uit de

arbeidsovereenkomst.

Op 9 februari gaf je aan dat je geen heil meer zag in voortzetting van de arbeidsovereenkomst en stelde je voor om per direct met wederzijds goedvinden uit elkaar te gaan. Op jouw verzoek hebben wij toen nog dezelfde dag een concept-beëindigingsovereenkomst opgesteld en aan jou gemaild. Amper een uur later gaf je plotseling aan dat je toch tot 1 juni in dienst wilde blijven. (…)

Ook daarna hoopten wij toch nog dat wij tot 1 juni 2016 op een nette manier met elkaar om zouden kunnen gaan en dat jij je ook professioneel zou opstellen. (…)

Ongeveer een week later nam een adviseur van de DAS contact met ons op. Zij gaf ons aan dat er in jouw optiek toch een onhoudbare situatie was ontstaan. Opnieuw werd voorgesteld de arbeidsovereenkomst voortijdig te laten beëindigen zodat jij bij [bedrijf] in dienst zou kunnen treden. Je zou je positie daar kunnen verbeteren en bovendien had jij een goede klik met de familie [familienaam] van [bedrijf] die jij — viavia — zou hebben leren kennen. Het was absoluut niet de bedoeling dat jij en [bedrijf] achter onze klanten aan zouden gaan, benadrukte je. Op dat moment hadden wij er inmiddels weinig vertrouwen meer in dat jij tot 1 juni nog je best zou doen en daarom gingen wij het gesprek - opnieuw - aan. Wij waren bereid om het non-concurrentiebeding te laten vervallen zodat je bij [bedrijf] in dienst zou kunnen treden. Het relatiebeding zou onverkort blijven gelden en wij stelden als harde voorwaarde dat ook [bedrijf] daarvoor zou mee tekenen. Wij hebben toen ook uitgelegd waarom dat zo belangrijk voor ons was. Er waren in korte tijd namelijk opeens een aantal klanten van ons — uit jouw rayon — overgestapt naar [bedrijf] . We hadden daar geen goed gevoel bij. Verder hoorden wij van een klant dat je in december 2015 al te kennen had gegeven dat je bij ons zou vertrekken. We kwamen hier toen niet uit. [bedrijf] gaf aan dat zij wel bereid waren om het relatiebeding te respecteren, maar ze wilden niets op papier vastleggen. Die opstelling gaf ons helemaal geen goed gevoel.

Toen we er niet uit kwamen heb jij je op 19 februari ziekgemeld en aan de bedrijfsarts gaf je te kennen dat jouw uitval het gevolg was van het arbeidsconflict. De bedrijfsarts gunde je vervolgens een timeout tot 14 maart en adviseerde partijen om het gesprek met elkaar aan te gaan. Dat gebeurde uiteindelijk op 17 maart.

(…)

Nog voordat wij de notulen van het gesprek konden uitwerken en onze gevolgen konden trekken, nam jouw adviseur contact op met onze advocaat met de mededeling dat [bedrijf] toch bereid was om mee te tekenen voor het relatiebeding zodat de arbeidsovereenkomst alsnog per direct beëindigd zou kunnen worden middels een vaststellingsovereenkomst Dit verbaasde ons enigszins, maar wij vonden het toch positief. Direct dezelfde dag heeft onze advocaat een concept beëindigingsvoorstel opgesteld, een overeenkomst die door [bedrijf] zou worden meegetekend. Voor jou zou het relatiebeding uit de arbeidsovereenkomst blijven gelden en ook het geheimhoudingsbeding. Voor [bedrijf] zou een beperkter relatiebeding gelden; namelijk niet voor ál onze klanten maar alleen de klanten in jouw rayon en waarvoor jij de accountmanager was.

Op vrijdag 18 maart werd er een email aan ons doorgestuurd. Het was een email van jou aan [C] van [bedrijf] . (…)

Wij beschouwen dit als een zeer ernstige zaak. Wij hebben ons steeds als een goed werkgever richting jou willen gedragen. Ondanks het non-concurrentiebeding in de arbeidsovereenkomst waren we uiteindelijk toch bereid om jou bij [bedrijf] in dienst te laten treden. Dit onder voorwaarden zodat onze belangen afdoende zouden zijn beschermd. Je hebt ons steeds benadrukt dat het geenszins de bedoeling was om achter onze klanten aan te gaan. Dat blijkt wel degelijk de bedoeling te zijn geweest. En dat ook nog op basis van vertrouwelijke informatie. Voor ons is dit onacceptabel. Het beetje vertrouwen dat wij nog hadden is ineens en helemaal weg.

Bovenstaande feiten en omstandigheden leveren, zowel op zichzelf beschouwd als in onderlinge samenhang bezien, een dringende reden op om jouw arbeidsovereenkomst per direct op te zeggen.

Van ons als werkgever kan in redelijkheid niet worden gevergd dat de arbeidsovereenkomst blijft voortduren tot 1 juni. De arbeidsovereenkomst eindigt met onmiddellijke ingang. Voor de

volledigheid berichten wij je dat het non-concurrentiebeding en het relatiebeding onverminderd van

kracht blijven. We zijn overigens niet meer bereid om daar nog met jou en [bedrijf] over te

onderhandelen.

2.14.

[verweerster] heeft op het salaris van [verzoeker] van februari 2016 onder meer € 1.428,98 bruto ingehouden onder vermelding van 'Provisie'. Ook heeft [verweerster] op enig moment

€ 135,00 netto ingehouden wegens ruitschade. In de eindafrekening heeft [verweerster] op het aan [verzoeker] nog toekomende salaris de navolgende bedragen ingehouden:

- € 116,98 netto wegens een Vodafone overschrijding;

- € 183,64 netto wegens behouden goederen;

- € 200,00 netto aan borg voor eventuele bekeuringen.

3 De verzoeken van [verzoeker]

3.1.

In het incident verzoekt [verzoeker] (samengevat) dat de kantonrechter, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het concurrentie- en relatiebeding in zijn geheel, althans gedeeltelijk schorst, met dien verstande dat het [verzoeker] wordt toegestaan in dienst te treden bij [bedrijf] .

3.2.

In de hoofdzaak verzoekt [verzoeker] (samengevat) dat de kantonrechter, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. [verweerster] veroordeelt tot betaling van een billijke vergoeding conform artikel 7:681 BW ter hoogte van € 20.000,00 bruto, dan wel een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen vergoeding;

  2. [verweerster] veroordeelt tot betaling van een bedrag gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren conform artikel 7:672 lid 9 BW, zijnde € 3.690,00 bruto;

  3. voor recht verklaart dat het concurrentiebeding op grond van artikel 7:653 lid 4 3W is komen te vervallen, nu het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van [verweerster] , dan wel (subsidiair) aan [verzoeker] een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen vergoeding toe te kennen;

  4. voor recht verklaart dat het relatiebeding op grond van artikel 7:653 lid 4 BW is komen te vervallen omdat het eindigen het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van [verweerster] , dan wel (subsidiair) aan [verzoeker] een door de kantonrechter goede justitie te bepalen vergoeding toekent;

  5. het concurrentiebeding vernietigt omdat de motivering van het zwaarwegende bedrijfsbelang in het contract voor bepaalde tijd ontbreekt, dan wel (subsidiair) aan [verzoeker] door de kantonrechter in goede justitie te bepalen vergoeding toekent;

  6. het relatiebeding vernietigt nu de motivering van het zwaarwegende bedrijfsbelang in het contract voor bepaalde tijd ontbreekt, dan wel (subsidiair) aan [verzoeker] een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen vergoeding toekent;

  7. [verweerster] veroordeelt tot betaling van een deugdelijke eindafrekening van € 635,62 netto;

  8. [verweerster] veroordeelt tot terugbetaling van de onterecht ingehouden bonus van

€ 1.428,98 bruto;

  1. [verweerster] veroordeelt tot het verstrekken van de salarisspecificaties, waarin de betalingen van sub a, b, g en h zijn verwerkt, op straffe van een dwangsom;

  2. [verweerster] veroordeelt tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van

€ 1.025,00 conform de staffel BIK;

[verweerster] veroordeelt tot betaling van de wettelijke rente over de hierboven genoemde punten onder a, b, g, h en j genoemde bedragen vanaf het opeisbaar worden van die bedragen tot de dag der algehele voldoening.

3.3.

In het incident en de hoofdzaak verzoekt [verzoeker] voorts [verweerster] te veroordelen in de kosten van de procedure, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na dagtekening van de beschikking.

3.4.

[verzoeker] legt aan zijn verzoeken om een billijke vergoeding ex artikel 7:681 BW en schadevergoeding ex artikel 7:672 BW ten grondslag dat een dringende reden voor het gegeven ontslag op staande voet van 21 maart 2016 ontbreekt.

Ten aanzien van het concurrentie- en relatiebeding stelt [verzoeker] zich op het standpunt dat [verweerster] hem hier niet aan kan houden omdat de beëindiging van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen door [verweerster] . Subsidiair stelt [verzoeker] dat [verweerster] het concurrentie- en relatiebeding onvoldoende heeft gemotiveerd. Voorts meent hij dat het zwaarwegende bedrijfsbelang niet is aangetoond. Tot slot stelt [verzoeker] dat hij bij handhaving van de bedingen onbillijk wordt benadeeld.

[verzoeker] stelt dat [verweerster] niet gerechtigd was om € 1.428,98 bruto en € 500,62 netto in te houden op zijn salaris in februari 2016 en maart 2016 en dat [verweerster] die bedragen alsnog aan hem dient te voldoen. Ook dient [verweerster] volgens [verzoeker] nog € 135,00 aan hem te betalen omdat zij dat bedrag ten onrechte heeft ingehouden voor een ruitschade.

3.5.

[verweerster] concludeert tot afwijzing van de verzoeken van [verzoeker] .

[verweerster] meent dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven. Het handelen van [verzoeker] levert volgens [verweerster] een dringende reden op.

Voorts betoogt zij dat het concurrentie- en relatiebeding aan de eisen voldoen. Indien de kantonrechter anders oordeelt, komt [verzoeker] in de gegeven omstandigheden geen beroep toe op vernietiging van het beding, aldus [verweerster] . Tot slot betwist zij dat [verzoeker] bij handhaving van de bedingen onbillijk wordt benadeeld.

[verweerster] voert verder aan dat zij op het salaris van februari 2016 het bedrag van € 1.428,98 bruto heeft mogen inhouden. In augustus 2015 heeft [verweerster] , op verzoek van [verzoeker] , een voorschot betaald van € 1.428,98 bruto omdat het er toen naar uitzag dat [verzoeker] de jaartarget voor 2015 zou halen. [verzoeker] heeft zijn jaartarget echter niet gehaald. Daarom is er geen recht ontstaan op de 4% extra bonus en diende hij het verstrekte voorschot terug te betalen, aldus [verweerster] .

[verweerster] voert voorts aan dat de eindafrekening correct is en dat [verzoeker] geen recht heeft op het door hem gevorderde bedrag van € 635,62. [verweerster] heeft € 116,98 netto ingehouden vanwege een overschrijding van zijn mobiele telefoonkosten in januari 2016. Ook heeft zij een bedrag van € 183,64 netto ingehouden voor samples, monsters en showmodellen die [verzoeker] niet heeft geretourneerd en € 200,00 aan borg in verband met eventuele boetes die nog binnen kunnen komen. [verweerster] zegt toe dat het bedrag van € 135,00 in mei 2016 zal worden uitbetaald aan [verzoeker] .

3.6.

Op hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd, zal hierna worden ingegaan, voor zover dat voor de beoordeling van het geschil van belang is.

4 Het voorwaardelijk tegenverzoek van [verweerster]

4.1.

verzoekt (samengevat) voor het geval de kantonrechter het concurrentie- en/of het relatiebeding schorst of vernietigt, dat de kantonrechter, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [verzoeker] verbiedt om tot 1 maart 2017 op enige wijze werkzaamheden te verrichten voor dan wel ten behoeve van [bedrijf] , dan wel op enige wijze betrokken te zijn bij [bedrijf] , op straffe van een direct, en zonder nadere ingebrekestelling, opeisbare dwangsom van € 2.500,00 per dag voor iedere dag dat [verzoeker] daarmee in gebreke blijft.

4.2.

[verweerster] legt aan haar (voorwaardelijk) tegenverzoek ten grondslag dat er een zeer reële dreiging bestaat dat [verzoeker] vertrouwelijke informatie zal doorspelen aan [bedrijf] . Dit volgt volgens haar uit de e-mail van [verzoeker] van 18 maart 2016 aan [bedrijf] en (volgens [verweerster] ten minste vier) langdurige bezoeken die [verzoeker] aan [bedrijf] heeft gebracht.

4.3.

[verzoeker] concludeert tot afwijzing van het verzoek van [verweerster] . [verzoeker] betwist dat er sprake is van een reële dreiging dat er door hem vertrouwelijke informatie wordt doorgespeeld aan [bedrijf] . Er zijn geen meerdere lange bezoeken geweest volgens [verzoeker] en hij zegt niet te beschikken over klantenlijsten van [verweerster] .

5 De beoordeling van de verzoeken van [verzoeker] in de hoofdzaak

5.1.

De kantonrechter stelt vast dat [verzoeker] zijn verzoekschrift, gelet op de in artikel 7:686a lid 4 BW genoemde vervaltermijnen, tijdig heeft ingediend.

Het ontslag op staande voet

5.2.

Uit artikel 7:681 lid 1 sub a BW volgt dat de kantonrechter op verzoek van de werknemer aan hem ten laste van de werkgever een billijke vergoeding kan toekennen indien de werkgever heeft opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW. Het eerste lid van het laatstgenoemde artikel bepaalt dat de werkgever de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig kan opzeggen zonder schriftelijke instemming van de werknemer, tenzij sprake is van een van de in dat artikellid onder a) tot en met h) genoemde uitzonderingen. Tussen partijen staat vast dat de bedoelde schriftelijke instemming ontbreekt. [verweerster] beroept zich op de in het genoemde artikellid onder c) genoemde grond, namelijk dat zij de arbeidsovereenkomst onverwijld heeft opgezegd om een dringende reden, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij, als genoemd in artikel 7:677 lid 1 BW (het zogeheten ontslag op staande voet). Partijen zijn verdeeld over (het antwoord op) de vraag of in het onderhavige geval sprake was van een dringende reden voor het ontslag.

5.3.

Ingevolge artikel 7:678 lid 1 BW worden voor de werkgever als dringende redenen beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan gevergd worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling van de vraag of van zodanige dringende reden sprake is, moeten de omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Daarbij behoren in de eerste plaats in de beschouwing te worden betrokken de aard en ernst van hetgeen de werkgever als dringende reden aanmerkt. En verder onder meer de aard van de dienstbetrekking, de duur daarvan en de wijze waarop de werknemer die dienstbetrekking heeft vervuld, alsmede de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor hem zou hebben. Daarbij geldt dat, ook indien de gevolgen ingrijpend zijn, een afweging van deze persoonlijke omstandigheden tegen de aard en ernst van de dringende reden tot de slotsom kan leiden dat een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst toch gerechtvaardigd is. De stelplicht en de bewijslast ten aanzien van het bestaan van een dringende reden liggen in dit geval bij de werkgever.

5.4.

De e-mail van 18 maart 2016 van [verzoeker] aan [bedrijf] is voor [verweerster] reden geweest om [verzoeker] op staande voet te ontslaan. [verweerster] stelt dat uit de e-mail van

18 maart 2016 blijkt dat [verzoeker] lijsten met informatie over klanten van [verweerster] had veiliggesteld en van plan was om die aan [bedrijf] ter beschikking te stellen, zodat [bedrijf] direct achter klanten van [verweerster] aan zou kunnen gaan. [verzoeker] betwist die conclusie en voert voorts aan dat [verweerster] die e-mail onrechtmatig verkregen heeft.

5.5.

Geoordeeld wordt vooreerst dat [verzoeker] in het licht van het daartegen door [verweerster] gevoerde verweer onvoldoende heeft onderbouwd dat [verweerster] de e-mail op onrechtmatige wijze heeft verkregen. [verweerster] heeft genoegzaam onderbouwd dat haar die e-mail onder ogen is gekomen na doorsturing aan haar daarvan door ene, voor haar onbekende [D] . Aan het betreffende standpunt van [verzoeker] (die overigens ook niet heeft aangegeven tot welk processueel gevolg dat zou moeten leiden) gaat de kantonrechter dan ook voorbij.

5.6.

Ten aanzien van de inhoud van de e-mail wordt verder het volgende overwogen. [verzoeker] wist dat [verweerster] aanvankelijk veel moeite had met de door hem gewenste indiensttreding bij haar concurrent [bedrijf] . [verweerster] heeft verder onweersproken gesteld dat [verzoeker] in de gesprekken met haar hierover herhaaldelijk heeft verklaard dat het [verzoeker] en [bedrijf] niet ging om de klanten van [verweerster] en dat [verzoeker] steeds aangaf dat het geheimhoudings- en relatiebeding onverkort zou blijven gelden. [verweerster] heeft tevens onweersproken gesteld dat zij uiteindelijk bereid was om [verzoeker] bij [bedrijf] in dienst te laten treden, omdat [verzoeker] maar bleef benadrukken dat het hem uitsluitend om positieverbetering te doen was en omdat het geheimhoudings- en relatiebeding gehandhaafd zouden blijven. Het moet voor [verzoeker] dan ook helder geweest zijn dat [verweerster] zeer veel waarde hechtte aan het behoud van haar klantenkring en dat zij absoluut niet wilde dat door de indiensttreding van [verzoeker] bij [bedrijf] aan de haal zou worden gegaan met haar klanten.

In zijn e-mail aan [bedrijf] schrijft [verzoeker] echter: "dus alle klanten buiten rayon 05 mee beginnen en afpakken (lijsten heb ik.)" en verderop: "17 maart 2017 volledig geheel rayon 05 pakken.". Dit kan naar het oordeel van de kantonrechter niet anders uitgelegd worden dan dat [verzoeker] aan [bedrijf] voorstelt meteen klanten van [verweerster] van buiten zijn rayon afhandig te maken. Verder kan uit de e-mail gevoeglijk worden opgemaakt dat [verzoeker] , en anders dan hij steeds had voorgewend jegens [verweerster] , dat hij [bedrijf] daarbij zou ondersteunen door lijsten met klantgegevens van [verweerster] aan [bedrijf] ter beschikking te stellen. De verklaring van [verzoeker] dat hij in zijn e-mail niet doelt op lijsten met klanten van [verweerster] , maar op door hemzelf opgestelde lijsten van nieuwbouwprojecten met betrekking tot sportclubs en scholen in zijn rayon 05, is ongeloofwaardig. In de zin voorafgaand aan de verwijzing spreekt [verzoeker] immers over het afpakken van klanten. Bovendien gaat het in die zin over het afpakken van klanten van buiten het rayon 05, terwijl [verzoeker] bij gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft verklaard dat de betreffende beweerde nieuwbouwprojecten grotendeels binnen zijn rayon 5 zijn gelegen.

5.7.

Op grond van het vorenstaande, is begrijpelijk dat [verweerster] [verzoeker] op staande voet heeft ontslagen. Zijn handelwijze kan worden aangemerkt als een zodanig ernstige schending van de op hem rustende verplichting zich jegens [verweerster] als goed werknemer te gedragen, en daarmee als een dermate ernstige inbreuk op het vertrouwen dat [verweerster] in hem moest kunnen stellen, dat van haar redelijkerwijs niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De aard en ernst van hetgeen waarvan [verweerster] [verzoeker] beticht zijn zodanig dat de persoonlijke omstandigheden van [verzoeker] daartegen niet opwegen.

5.8.

Geoordeeld wordt derhalve dat [verweerster] de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] op 21 maart 2016 onverwijld om een dringende reden heeft mogen opzeggen. Het verzoek van [verzoeker] ter zake van de billijke vergoeding is daarom niet toewijsbaar. Ook de gevorderde schadevergoeding ex artikel 7:672 BW is niet toewijsbaar nu van een onregelmatig ontslag geen sprake is.

Het concurrentie- en relatiebeding

5.9.

Vooropgesteld wordt dat op het concurrentie-en relatiebeding artikel 7:653 BW van toepassing is en dat de verzoeken van [verzoeker] met betrekking tot deze twee bedingen dienen te worden getoetst aan de maatstaven van het genoemde artikel.

5.10.

Zoals hiervoor is overwogen, is het ontslag geen gevolg van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerster] . Het beroep van [verzoeker] op artikel 7:653 lid 4 BW, dat bepaalt dat de bedingen geen werking hebben bij een ontslag dat het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, strandt dan ook. De op voormeld artikel gebaseerde verzoeken worden daarom afgewezen.

5.11.

[verzoeker] verzoekt voorts dat de bedingen worden vernietigd, omdat de motivering van het zwaarwegende belang in de arbeidsovereenkomst ontbreekt. Overwogen wordt dat in het onderhavige geval sprake is van een tijdelijke arbeidsovereenkomst. Na de invoering van de Wet Werk en Zekerheid geldt het uitgangspunt dat een concurrentie (lees: ook relatiebeding) in een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd in beginsel niet rechtsgeldig is. Dit lijdt slechts uitzondering als uit de bij het beding opgenomen schriftelijke motivering van de werkgever blijkt dat het beding noodzakelijk is vanwege zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat sprake dient te zijn van "specifieke werkzaamheden" of "een specifieke functie" die per geval een afweging en motivering vergt. (Kamerstukken II 2013/2014, 33818, MvT, p. 17). De bedingen zijn nietig als de motivering geheel ontbreekt. De bedingen zijn vernietigbaar indien de motivering tekortschiet of geen sprake is van bedrijfs- of dienstbelangen die het beding noodzakelijk maken. Vastgesteld wordt dat in het onderhavige geval een motivering aanwezig is. De kantonrechter begrijpt het verzoek van [verweerster] aldus dat hij vernietiging verzoekt omdat de motivering volgens hem tekortschiet.

5.12.

Aan de motivering worden hoge eisen gesteld. Gemotiveerd dient te worden welke bedrijfs- of dienstbelangen het betreft en waarom die een concurrentiebeding (lees: ook relatiebeding) vereisen (Kamerstukken II 2013/2014, 33818, MvT, p. 17). Geoordeeld wordt dat de onderhavige motivering niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet. In de motivering is opgenomen dat bedrijfsgevoelige informatie moet worden beschermd, maar niet is concreet gemaakt om welke kennis het gaat. In deze procedure voert [verweerster] aan dat het gaat om de klantenbestanden, contractsduur, prijzen, hoeveelheden en verkoop-strategieën. Dit had zij in het beding zelf dienen op te nemen. Ook is onvoldoende onderbouwd waarom het belang om bedrijfsgevoelige informatie een concurrentie- en relatiebeding vereist. Partijen zijn immers (in artikel 9) een apart geheimhoudingsbeding overeengekomen dat ook ziet op de periode na de dienstbetrekking. Voorts is opgenomen dat opgedane persoonlijke banden met klanten moeten worden beschermd, maar dit is geenszins toegesneden op de persoon of functie van [verzoeker] . Het concurrentie- en relatiebeding is naar het oordeel van de kantonrechter in te algemene bewoordingen geformuleerd.

5.13.

Dat [verzoeker] niet eerder het standpunt heeft ingenomen dat de bedingen onvoldoende zijn gemotiveerd, maakt niet (zoals [verweerster] betoogt) dat hij heeft erkend dat dat de bedingen rechtsgeldig zouden zijn overeengekomen. Ook het feit dat hij zich niet als goed werknemer heeft gedragen, leidt er niet toe dat hij geen beroep op de vernietigbaarheid kan doen.

5.14.

Gelet op het voorgaande zijn de verzoeken tot vernietiging van het concurrentie- en relatiebeding toewijsbaar. Hetgeen partijen verder omtrent de bedingen naar voren hebben gebracht, behoeft geen bespreking meer.

Het bedrag van € 635,62 netto

5.15.

[verweerster] heeft € 116,98 netto ingehouden vanwege een overschrijding van het Vodafone-abonnement van [verzoeker] . Naar aanleiding van het verweer van [verzoeker] dat niet is gebleken dat de overschrijding betrekking had op zijn telefoonnummer, heeft [verweerster] een specificatie met het bijbehorende telefoonnummer in het geding gebracht. Daarmee heeft [verweerster] onderbouwd dat de overschrijding ziet op het telefoonnummer van [verzoeker] . [verzoeker] heeft niet meer weersproken dat het telefoonnummer op die specificatie zijn telefoonnummer betreft. [verweerster] heeft voorts het door [verzoeker] gevoerde verweer dat hij niet 42 keer een sms naar een 0900-nummer kan hebben verstuurd, weersproken door te verwijzen naar overschrijdingen in het verleden ten gevolge van het feit dat de kinderen van [verzoeker] zijn mobiele telefoon gebruikten. [verzoeker] heeft daar vervolgens niet meer op gereageerd, zodat de kantonrechter ervan uitgaat dat misschien wederom zijn kinderen gebruik hebben gemaakt van zijn mobiele telefoon. Overwogen wordt dat [verzoeker] aansprakelijk is voor het gebruik van de betreffende telefoon en dat, nu hij niet heeft weersproken dat de telefoon destijds in zijn bezit was, hij ook gehouden is tot betaling van de met het gebruik samenhangende kosten. Het bedrag zal worden afgewezen.

5.16.

[verweerster] heeft € 183,64 netto ingehouden voor samples, monsters en showmodellen, omdat [verzoeker] die niet zou hebben ingeleverd bij het einde van het dienstverband. [verzoeker] voert aan dat de spullen in zijn auto lagen, welke op 17 maart 2016 door [verweerster] in beslag is genomen, hetgeen door [verweerster] wordt betwist. Wat daar ook van zij, [verzoeker] heeft voorts aangevoerd dat de zaken al bijna volledig waren afgeschreven door het veelvuldige gebruik bij klanten. [verweerster] heeft zulks niet weersproken. Daarvan uitgaande, wordt overwogen dat het niet redelijk is dat, als er zaken inderdaad niet zijn ingeleverd, [verzoeker] daarvoor een vergoeding betaalt aan [verweerster] . [verweerster] dient het bedrag van € 183,64 netto dan ook aan [verzoeker] terug te betalen.

5.17.

[verweerster] erkent dat [verzoeker] recht heeft op het bedrag van € 135,00 netto bedrag wat zij eerder heeft ingehouden voor een ruitschade. [verweerster] zal daarom dienovereenkomstig worden veroordeeld.

5.18.

[verweerster] heeft € 200,00 netto ingehouden aan borg voor eventuele bekeuringen. Zij heeft niet onderbouwd op basis waarvan zij gerechtigd is deze borg in te houden. [verweerster] wordt dan ook veroordeeld tot terugbetaling van deze borg.

Inhouding bonus

5.19.

[verzoeker] heeft niet gemotiveerd weersproken dat hij in augustus 2015 een voorschot van € 1.428,98 bruto op de 4% extra bonus uitgekeerd heeft gekregen. Voorts heeft hij niet weersproken dat hij in 2015 een omzet heeft gerealiseerd van € 443.725,00. Uitgaande van de target van € 443.691,67 betekent dit dat [verzoeker] over 2015 geen recht heeft op de 4% extra bonus. Dat betekent dat hij het ontvangen voorschot diende terug te betalen aan [verweerster] en voor toewijzing van het bedrag aan [verzoeker] thans geen plaats is.

Salarisspecificaties

5.20.

Het verzoek tot het verstrekken van salarisspecificaties waarin de betalingen van 5.16. tot en met 5.18. zijn verwerkt zal worden toegewezen nu daartegen geen verweer is gevoerd. Er wordt geen aanleiding gezien om aan de veroordeling een dwangsom te verbinden.

Incassokosten

5.21.

[verzoeker] maakt aanspraak op een vergoeding voor incassokosten. Hij heeft deze vordering echter, ook niet na betwisting voor [verweerster] , op geen enkele wijze onderbouwd. De gevorderde vergoeding zal daarom worden afgewezen.

Wettelijke rente

5.22.

De wettelijke rente over de onder 5.16 tot en met 5.18. bedoelde bedragen is toewijsbaar vanaf het moment dat [verweerster] met de betaling van de bedragen in verzuim is.

6. De beoordeling van het voorwaardelijk tegenverzoek van [verweerster] in de hoofdzaak

6.1.

Nu het concurrentie- en relatiebeding worden vernietigd, betekent dat aan de voorwaarde voldaan is waaronder [verweerster] haar verzoek heeft ingesteld. Beoordeeld dient te worden of er grond bestaat om [verzoeker] te verbieden om tot 1 maart 2017 op enige wijze werkzaamheden te verrichten voor dan wel ten behoeve van [bedrijf] , dan wel op enige wijze betrokken te zijn bij [bedrijf] .

6.2.

[verweerster] heeft er belang bij dat geen vertrouwelijke bedrijfsinformatie bij haar concurrent [bedrijf] terecht komt. Er wordt voorts vanuit gegaan dat de lijsten waarover [verzoeker] in zijn bewuste e-mail aan [bedrijf] bericht te beschikken, lijsten met informatie over klanten van [verweerster] zijn en dat dit vertrouwelijke bedrijfsinformatie betreft. Gelet op het bezit van [verzoeker] van die lijsten en nu in de voormelde e-mail gesuggereerd wordt dat die lijsten door [verzoeker] aan [bedrijf] ter beschikking zullen worden gesteld, is voldoende aannemelijk geworden dat [verzoeker] zijn geheimhoudingsplicht gaat schenden als hij bij [bedrijf] in dienst treedt. Derhalve moet de door [verzoeker] gewenste indiensttreding bij [bedrijf] als onrechtmatig jegens [verweerster] worden aangemerkt en is een preventieve maatregel op zijn plaats. Het door [verweerster] gevorderde verbod is dan ook gerechtvaardigd. [verzoeker] wordt het derhalve verboden om tot 1 maart 2017 op enigerlei wijze werkzaamheden te verrichten voor dan wel ten behoeve van [bedrijf] dan wel op enigerlei wijze betrokken te zijn bij [bedrijf] .

6.3.

Bij wege van prikkel tot nakoming van het voormelde verbod, zal daaraan een dwangsom worden verbonden op de wijze als in het dictum vermeld.

7 De beoordeling in het incident

7.1.

Nu in deze beschikking reeds wordt beslist op zijn verzoeken in de hoofdzaak heeft [verzoeker] geen belang meer bij een beslissing op zijn provisionele vordering, strekkende tot het geven van een voorlopige voorziening voor de duur van het geding. Deze verzoeken worden dan ook afgewezen.

8 De proceskosten

8.1.

Er wordt aanleiding gezien om de proceskosten in de hoofdzaak geheel te compenseren. [verzoeker] wordt veroordeeld in de kosten van het incident, aan de zijde van [verweerster] tot deze beschikking begroot op nihil.

9 De beslissing

De kantonrechter:

op de verzoeken van [verzoeker]

9.1.

vernietigt het concurrentiebeding in de arbeidsovereenkomst tussen partijen;

9.2.

vernietigt het relatiebeding in de arbeidsovereenkomst tussen partijen;

9.3.

veroordeelt [verweerster] om aan [verzoeker] te betalen € 518,64 netto, vermeerderd met de wettelijke rente over de verschillende bedragen vanaf de data van verzuim tot de dag der algehele voldoening;

9.4.

veroordeelt [verweerster] tot het verstrekken van een salarisspecificatie waarin de betaling van het bedrag van € 518,64 is verwerkt;

9.5.

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt;

9.6.

verklaart de onderdelen 9.3. en 9.4. uitvoerbaar bij voorraad;

9.7.

wijst het meer of anders verzochte af;

op het verzoek van [verweerster]

9.8.

verbiedt [verzoeker] om tot 1 maart 2017 op enige wijze werkzaamheden te verrichten voor dan wel ten behoeve van [bedrijf] , dan wel op enige wijze betrokken te zijn bij [bedrijf] , op straffe van een direct, en zonder nadere ingebrekestelling, opeisbare dwangsom van € 500,00 per dag voor iedere dag dat [verzoeker] daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 50.000,00 ;

9.9.

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt;

9.10.

verklaart onderdeel 9.8. uitvoerbaar bij voorraad;

in het incident

9.11.

wijst de vordering van [verzoeker] af;

9.12.

veroordeelt [verzoeker] in de kosten van het incident, aan de zijde van [verweerster] tot deze beschikking begroot op nihil.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.J.C.M. Manders en in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2016.