Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:3804

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
08-07-2016
Datum publicatie
11-07-2016
Zaaknummer
417124 / HA RK 16-122
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

wraking

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beslissing

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

WRAKINGSKAMER

Locatie: Lelystad

Zaaknummer/rekestnummer: 417124 / HA RK 16-122

Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van 8 juli 2016

op het verzoek in de zin van artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering (verder: Sv) van:

[verzoeker],

wonende te Polen,

(verder te noemen: verzoeker),

advocaat: mr. M.A. Krikke, advocaat te Bussum.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het wrakingsverzoek van 9 juni 2016;

  • -

    het door de wrakingskamer nadien ontvangen proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 10 mei 2016 in de zaak met parketnummer 16.65962-15;

  • -

    de schriftelijke reactie van 20 juni 2016 van mrs. J.F. Haeck, R.C.J. Hamming en K.P. Oosterling-van der Maarel.

1.2.

De e-mail van mr. N.M. Collenburg, officier van justitie.

1.3.

Het wrakingsverzoek is op 24 juni 2016 in het openbaar behandeld door de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken (verder: de wrakingskamer).

1.4.

Bij de mondelinge behandeling zijn mr. Krikke en mr. Haeck verschenen. Beiden hebben pleitnotities overgelegd.

1.5.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 Het wrakingsverzoek

2.1.

Het verzoek tot wraking is gericht tegen mrs. J.F. Haeck, R.C.J. Hamming en K.P. Oosterling-van der Maarel als behandelend rechters (hierna te noemen: de rechters), in de zaak met het parketnummer 16.65962-15.

2.2.

Verzoeker heeft aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag gelegd dat het in het proces-verbaal van de terechtzitting van 10 mei 2016 vermelde oordeel van de rechters over het door de officier van justitie gemaakte gebruik van de bevoegdheid krachtens artikel 126nd Sv om de vastgelegde gesprekken uit de PI op te vragen, een gerechtvaardigde vrees van vooringenomenheid en partijdigheid jegens verzoeker oplevert, nu ‘een nog te voeren verweer op voorhand om zeep’ lijkt te zijn geholpen. Het gebruik van vorenbedoelde bevoegdheid is door de rechters namelijk reeds als rechtmatig gebruik beoordeeld en aangegeven is dat van een (individuele) schending van processuele waarborgen geen sprake is (pagina 5, vierde alinea van het proces-verbaal).

2.3.

Verzoeker stelt dat hij tijdig het wrakingsverzoek heeft ingediend, nu de in het proces-verbaal vastgelegde motivering niet zo stellig en expliciet ter terechtzitting is uitgesproken als in het proces-verbaal is weergegeven. Het op vrijdag 3 juni 2016 ontvangen proces-verbaal kon ook pas op 8 juni 2016 worden gelezen, waarna het de volgende dag met verzoeker is besproken. Nog dezelfde dag is het wrakingsverzoek ingediend.

2.4.

De rechters hebben niet berust in de wraking. In de schriftelijke reactie van 20 juni 2016 alsook tijdens de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek is aangegeven dat het verzoek tot wraking niet-tijdig is gedaan en dat ook overigens er geen grond voor toewijzing van het verzoek is, nu de ter zitting genomen regiebeslissingen geen objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid hebben gewekt. Dit geldt - aldus de rechters te meer, nu men geen beslissing heeft genomen, noch heeft willen nemen, op één van de vragen van artikel 348 Sv en artikel 350 Sv.

2.5.

De officier van justitie heeft bij e-mail van 21 juni 2016 bericht dat zij zich geheel kan vinden in het (in de schriftelijke reactie neergelegde) standpunt van de rechters en daar niets aan toe te voegen heeft.

3 De beoordeling

3.1.

Artikel 512 Sv bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van de verdachte of het openbaar ministerie kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

3.2.

Ingevolge het bepaalde van art. 513 lid 1 Sv dient een wrakingsverzoek te worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan verzoeker bekend zijn geworden.

3.3.

Het wrakingsverzoek van 9 juni 2016 betreft de ter terechtzitting van 10 mei 2016 gegeven beslissing van de rechters over het door de officier van justitie gemaakte gebruik van haar bevoegdheid krachtens art. 126nd Sv om de vastgelegde gesprekken uit de PI op te vragen.

3.4.

Tijdens de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft mr. Haeck gemeld dat de in het proces-verbaal neergelegde motivering van voormelde beslissing een weergave is van de beslissing zoals ter zitting is uitgesproken en dat deze beslissing niet wezenlijk afwijkt van hetgeen op de regiezitting is uitgesproken en dat er geen andere voorbehouden gemaakt zijn of andere motiveringen gegeven zijn dan in het proces-verbaal is opgenomen.

3.5.

Ingevolge de rechtskracht die aan een ondertekend proces-verbaal van de terechtzitting moet worden toegekend gaat de wrakingskamer bij de verdere beoordeling van het wrakingsverzoek er van uit dat de beslissing van de rechters over voormeld gebruik van de officier van justitie van haar bevoegdheid om de vastgelegde gesprekken uit de PI op te vragen, is geschied zoals in het proces-verbaal (zakelijk) is weergegeven. Dit betekent dat verzoeker al sinds de terechtzitting van 10 mei 2016 bekend is met de in zijn verzoek genoemde wrakingsgrond. Het pas op 9 juni 2016 indienen van een wrakingsverzoek is reeds om die reden niet tijdig gedaan.

3.6.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal de wrakingskamer het verzoek tot wraking niet-ontvankelijk verklaren.

4 De beslissing

De wrakingskamer:

4.1.

verklaart het verzoek tot wraking niet-ontvankelijk;

4.2.

draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoeker, de gewraakte rechters, andere betrokken partijen, alsmede aan de voorzitter van de afdeling straf- familie- en jeugdrecht en de president van deze rechtbank;

4.3.

bepaalt dat de procedure van verzoeker met parketnummer 16.659624-15 dient te worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.


Deze beslissing is gegeven door mr. R.M. Berendsen, voorzitter, en mr. A.M. Koene en mr. G.J.J.M. Essink als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. T. Stokvis, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2016.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.