Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:3802

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
08-07-2016
Datum publicatie
11-07-2016
Zaaknummer
416587 / HA RK 16-115
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

wraking

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beslissing

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

WRAKINGSKAMER

Locatie: Lelystad

Zaaknummer/rekestnummer: 416587 / HA RK 16-115

Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van 8 juli 2016


op het verzoek in de zin van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv) van:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats] ,

(verder te noemen: verzoeker),

advocaat: mr. J. Bredius, advocaat te Zeist.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het op 26 mei 2016 ontvangen wrakingsverzoek van verzoeker van 24 mei 2016;

  • -

    het nadien ontvangen proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 20 mei 2016 in de zaak met zaaksnummer 4663428 UT VERZ 15-21283;

  • -

    de schriftelijke reactie van mr. C.J. Hofman van 7 juni 2016;

  • -

    de op 9 juni ontvangen brief van 7 juni 2016 van mr. Bredius met als bijlage de brief van 7 juni 2016 van P. van Kempen, huidig bewindvoerder van verzoeker.

1.2.

Het wrakingsverzoek is op 24 juni 2016 in het openbaar behandeld door de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken (verder: de wrakingskamer).

1.3.

Bij de mondelinge behandeling is mr. Bredius verschenen.

1.4.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 Het wrakingsverzoek

2.1.

Het verzoek tot wraking is gericht tegen mr. C.J. Hofman als behandelend rechter, in de zaak met het zaaknummer 4663428 UT VERZ 15-21283.

2.2.

Verzoeker heeft in het wrakingsverzoek van 24 mei 2016 onder meer het volgende gemeld:

“Mijn advocaat en ik zijn zeer ontevreden over het verloop van de zitting met name door de manier van werken van de rechter. Zij liet ons niet uitpraten. Zodat wij onze kant van het verhaal niet goed konden overdragen. Deze rechter lijkt de zaak niet serieus te nemen of is te overbelast met andere zaken. Daarom lijkt het ons beter dat in de komende zitting deze rechter vervangen wordt door een rechter die wel aandacht heeft voor de zaak.

Hierbij vraag ik dus een andere rechter aan per direct.”

2.3.

In toelichting op het voorgaande heeft mr. Bredius ter zitting van 24 juni 2016 gemeld dat tijdens de mondelinge behandeling van de onder 2.1 bedoelde zaak sprake is van de schijn van vooringenomenheid van mr. Hofman. Dit kwam tot uiting doordat de rechter de voormalige bewindvoerder van verzoeker steunt althans lijkt te steunen. Kern van de door verzoeker tegen de voormalige bewindvoerder ingestelde klacht is immers – aldus mr. Bredius - dat de door verzoeker gewenste stukken door deze bewindvoerder ter beschikking moeten worden gesteld en niet door de rechtbank.

2.4.

Mr. Hofman heeft niet berust in de wraking. In haar schriftelijke reactie stelt zij zich op het standpunt dat het wrakingsverzoek niet gericht is op een mogelijke vooringenomenheid van de rechter, maar ziet op een klacht van bejegening. Mr. Hofman stelt dat zij ook in de bejegening ‘niets verkeerd gedaan’ heeft.

3 De beoordeling

3.1.

Artikel 36 Rv bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.

3.2.

Voor de beoordeling van het wrakingsverzoek wordt de toepasselijke norm voorts gegeven door artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden in samenhang met de door de Hoge Raad en het Europese hof voor de rechten van de mens ontwikkelde criteria.
Van een gebrek aan onpartijdigheid kan sprake zijn indien de rechter vanwege een persoonlijke overtuiging vooringenomen is. Ook kan daarvan sprake zijn indien zich feiten en omstandigheden voordoen die objectief bezien de (subjectieve) vrees bij de rechtzoekende rechtvaardigen dat het de rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt.

3.3.

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de hiervoor bedoelde zin, dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procespartij bestaande vrees dienaangaande objectief gerechtvaardigd is.

3.4.

In de door mr. Hofman op 20 mei 2016 behandelde zaak van verzoeker waren aan de orde de behandeling van de voor verzoeker ingediende klacht tegen zijn voormalige bewindvoerder en de klacht van de huidige bewindvoerder tegen deze voormalige bewindvoerder.

3.5.

Uit het onder 2.2 vermelde wrakingsverzoek van 24 mei 2016 volgt dat het verzoeker feitelijk gaat om de wijze waarop de rechter hem op de zitting van 20 mei 2016 bejegend heeft.

3.6.

Onder omstandigheden kan de wijze van bejegening grond opleveren voor het oordeel dat sprake is van schijn van partijdigheid van de rechter, namelijk voor zover uit die bejegening een objectief te rechtvaardigen grond is af te leiden voor de vrees dat het de rechter aan onpartijdigheid heeft ontbroken.

3.7.

Uit het wrakingsverzoek van 24 mei 2016 zijn geen feiten en omstandigheden genoemd die zouden kunnen leiden tot toewijzing van het verzoek. In de reactie van mr. Hofman heeft zij bovendien aangegeven dat door de in de reactie genoemde omstandigheden een inhoudelijke beoordeling van de klachten (nog) niet plaats kon vinden, er diverse werkafspraken gemaakt zijn en dat de behandeling de volle zittingstijd geduurd heeft. Mr. Bredius heeft dit tijdens de behandeling van het wrakingsverzoek ook niet weersproken.

3.8.

De door mr. Bredius tijdens de mondelinge behandeling genoemde grond voor de schijn van vooringenomenheid (zie 2.3) maakt geen onderdeel uit van het wrakingsverzoek, nu dit pas tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gebracht. Ingevolge het bepaalde in art. 37 lid 3 Rv moeten immers alle feiten en omstandigheden waardoor volgens de verzoeker de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden geconcentreerd worden voorgedragen.

3.9.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal de wrakingskamer het verzoek tot wraking ongegrond verklaren.

4 De beslissing

De wrakingskamer:

4.1.

verklaart het verzoek tot wraking ongegrond;

4.2.

draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoeker, de gewraakte rechter en andere betrokken partijen, alsmede aan de voorzitter van de afdeling Toezicht en de president van deze rechtbank;

4.3.

bepaalt dat de procedure van verzoeker met zaaknummer 4663428 UT VERZ 15-21283 dient te worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.


Deze beslissing is gegeven door mr. R.M. Berendsen, voorzitter, en mr. G.J.J.M. Essink en mr. N.E.M. Kranenbroek als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. T. Stokvis, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2016.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.