Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:3792

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
04-05-2016
Datum publicatie
11-07-2016
Zaaknummer
3927031 / MC EXPL 15-2283
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Interne bestuurdersaansprakelijkheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2016-0236
AR 2016/1991
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
kantonrechter

locatie Almere

Vonnis van 4 mei 2016

in de zaak met zaaknummer / rolnummer 3927031 / MC EXPL 15-2283 van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiseres] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie, hierna ook te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde Van Arkel gerechtsdeurwaarders & incasso B.V.,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie, hierna ook te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde mr. A.G.P. van der Baan.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 28 oktober 2015

  • -

    akte houdende overlegging producties van [gedaagde] van 11 november 2015.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

in reconventie

2.1.

Bij tussenvonnis van 28 oktober 2015 is bepaald dat [gedaagde] de kantonrechter dient te informeren over de vennootschapsstructuren van [eiseres] B.V., [gedaagde] B.V., [bedrijf 2] en [bedrijf 3] (en diens bestuurders voor zover dit eveneens vennootschappen zijn) door middel van de uittreksels van de Kamer van Koophandel van die vennootschappen, teneinde te kunnen beoordelen of [eiseres] onrechtmatig en/of onzorgvuldig jegens [gedaagde] heeft gehandeld. Verder dienden de statuten van [gedaagde] B.V. in de procedure te worden gebracht. Bij akte van 11 november 2015 heeft [gedaagde] voornoemde bescheiden overgelegd. [eiseres] heeft - hoewel zij daartoe in de gelegenheid is gesteld - geen antwoordakte genomen.

Vervolg feiten

2.2.

[gedaagde] is op 14 juni 2013 opgericht en vanaf die datum waren [bedrijf 1] B.V. en [eiseres] de (gezamenlijk bevoegde) bestuurders. [bedrijf 1] B.V. houdt vanaf de oprichting 51% van de aandelen van [gedaagde] en [eiseres] 49%.

2.3.

In artikel 9.4 lid 2 van de statuten van [gedaagde] is opgenomen: Bij de vervulling van hun taak richten de bestuurders zich naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming.

2.4.

[bedrijf 2] B.V. is op 19 mei 2014 opgericht en vanaf die datum is [eiseres] de enige bestuurder en aandeelhouder.

2.5.

[eiseres] heeft bij brief van 15 september 2014 aan [gedaagde] meegedeeld dat zij per direct aftreedt als bestuurder. Per diezelfde datum heeft [eiseres] zich als bestuurder van [gedaagde] laten uitschrijven bij de Kamer van Koophandel.

De verdere beoordeling

Wanprestatie

2.6.

In rechtsoverweging 4.12 van het tussenvonnis van 28 oktober 2015 is geoordeeld dat nu gesteld, noch gebleken is dat tussen [eiseres] en [gedaagde] enige overeenkomst is gesloten waarin de contractuele verplichtingen van [eiseres] jegens [gedaagde] zijn vastgelegd, de gevorderde verklaring voor recht dat ‘[eiseres] toerekenbaar tekortgeschoten is in de contractuele relatie met [gedaagde] en de behoorlijke nakoming van haar (contractuele) verplichtingen jegens [gedaagde]’ alleen al om die reden niet kan worden toegewezen. De kantonrechter voegt daaraan toe dat deze rechtsoverweging ziet op schriftelijke contractuele verplichtingen. Partijen hadden blijkbaar niet op schrift gestelde (stilzwijgende) afspraken ten aanzien van hun samenwerking. Nu echter geen der partijen heeft aangegeven wat deze afspraken inhielden, is toetsing daaraan thans in rechte niet mogelijk en wordt ook in zoverre de vordering van [gedaagde] afgewezen.

Onrechtmatig handelen

2.7.

De vraag die nu ter beantwoording voorligt, is of [eiseres] als bestuurder en/of aandeelhouder jegens [gedaagde] onrechtmatig en/of onzorgvuldig heeft gehandeld gelet op hetgeen [gedaagde] naar voren heeft gebracht (rechtsoverweging 4.13, tussenvonnis van 28 oktober 2015).

2.8.

De kantonrechter overweegt als volgt. Hetgeen [gedaagde] ten grondslag heeft gelegd aan haar standpunt dat [eiseres] onrechtmatig en/of onzorgvuldig jegens haar heeft gehandeld, ziet op handelingen van [eiseres] als bestuurder en niet als aandeelhouder. Beoordeeld dient aldus te worden of sprake is van interne bestuurdersaansprakelijkheid; te weten van de bestuurder, [eiseres] , jegens de vennootschap, [gedaagde] . Op grond van artikel 2:9 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is elke bestuurder tegenover de rechtspersoon gehouden tot een behoorlijke vervulling van zijn taak. Elke bestuurder is voor het geheel aansprakelijk terzake van onbehoorlijk bestuur, tenzij hem mede gelet op de aan anderen toebedeelde taken geen ernstig verwijt kan worden gemaakt en hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen van onbehoorlijk bestuur af te wenden, aldus artikel 2:9 lid 2 BW (Hoge Raad 10 januari 1997, NJ 1997/360). De norm ‘ernstig verwijt’ betreft een geobjectiveerde toets die verder wordt ingekleurd aan de hand van alle omstandigheden van het geval.

2.9.

Tot de in aanmerking te nemen omstandigheden behoren onder andere de aard en ernst van de normschending, de aard van de door de rechtspersoon uitgeoefende activiteiten, de in het algemeen daaruit voortvloeiende risico’s, de taakverdeling binnen het bestuur, de eventueel voor het bestuur geldende richtlijnen, de gegevens waarover de bestuurder beschikte of behoorde te beschikken ten tijde van de aan hem verweten beslissingen of gedragingen, alsmede het inzicht en de zorgvuldigheid die mogen worden verwacht van een bestuurder die voor zijn taak berekend is en deze nauwgezet vervult. Voorts geldt de omstandigheid dat een bestuurder heeft gehandeld in strijd met statutaire bepalingen die de rechtspersoon beogen te beschermen, als een zwaarwegende omstandigheid die in beginsel de aansprakelijkheid van de bestuurder vestigt (Hoge Raad 29 november 2002, NJ 2003/55). Disculpatie is mogelijk indien de aangesproken bestuurder feiten en omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan kan worden aangenomen dat het gewraakte handelen in strijd met de statutaire bepalingen niet een ernstig verwijt oplevert.

Standpunten van partijen

2.10.

Ten aanzien van door [gedaagde] aangevoerde grondslagen voor het door haar gestelde onrechtmatig en/of onzorgvuldig handelen van [eiseres] , hebben partijen het volgende naar voren gebracht.

a. [bedrijf 2]

2.11.

[gedaagde] verwijt [eiseres] dat zij op 19 mei 2014, toen [eiseres] nog bestuurder en aandeelhouder was van [gedaagde] , een sterk concurrerende vennootschap heeft opgericht en geëxploiteerd; [bedrijf 2] B.V. De kennis die [eiseres] heeft opgedaan bij [gedaagde] heeft zij gebruikt ten behoeve van [bedrijf 2] . Dat het gaat om een sterk concurrerende vennootschap blijkt volgens [gedaagde] uit het volgende.

[bedrijf 1] heeft op 13 mei 2014 via het octrooibureau van [gedaagde] , NLO, vernomen dat [A] . NLO had benaderd om te helpen bij de aanvraag van een patent voor een recycledouche. Vervolgens heeft [bedrijf 1] op 15 mei 2014 op internet de website www. [naam] gevonden. Deze website is nagenoeg een kopie van de website van [gedaagde] ; er zijn teksten, afbeeldingen en foto’s gebruikt die eigendom zijn van [gedaagde] (productie 5 bij conclusie van eis in reconventie). Op 8 april 2013 is de domeinnaam al aangekocht, op 27 januari 2014 zijn er al activiteiten van de website en op 22 april 2014 is de website geüpload (productie 6 bij conclusie van eis in reconventie). [gedaagde] concludeert dat al vóór haar oprichting voorbereidingen zijn getroffen voor te verrichten activiteiten vanuit [bedrijf 2] .

Op 26 juni 2014 heeft [bedrijf 1] zijn nieuwe doucheontwerp aangetroffen op de website van [bedrijf 2] (productie 3 en 4 bij conclusie van eis in reconventie) en later ook op de facebook pagina van [bedrijf 2] . Dit ontwerp had [bedrijf 1] op 20 maart 2014 gemaild naar [A] . Het intellectuele eigendom rust bij [bedrijf 1] (productie 8 bij conclusie van eis in reconventie) en [bedrijf 2] , dan wel [eiseres] , heeft geen toestemming voor gebruik van het ontwerp. Zowel de douche van [bedrijf 2] , als die van haar opvolger [bedrijf 3] , maken volgens de octrooigemachtigde van [gedaagde] een inbreuk op het intellectueel eigendomsrecht van [gedaagde] .

2.12.

[eiseres] heeft zich op het standpunt gesteld dat niet zij maar [bedrijf 1] B.V., de andere bestuurder van [gedaagde] , onrechtmatig heeft gehandeld jegens [gedaagde] door geld te verduisteren. [gedaagde] dient haar pijlen dan ook te richten op [bedrijf 1] B.V. in plaats van op [eiseres] . [bedrijf 1] B.V. (in de persoon van de heer [B] ) heeft [eiseres] geen inzage gegeven in de financiën van [gedaagde] ondanks herhaald verzoek daartoe (ongenummerde producties bij conclusie van antwoord in reconventie). Uiteindelijk heeft [eiseres] bevestigd gekregen dat inkomsten van [gedaagde] ten goede zijn gekomen aan [bedrijf 4] B.V. en dat kosten van [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 4] B.V. ten laste van [gedaagde] zijn gebracht. Op enig moment heeft [bedrijf 1] [bedrijf 5] B.V. opgericht. Deze concurrerende vennootschap heeft tot doel het verkopen van water- en energiebesparende douchesystemen (ongenummerde producties bij conclusie van antwoord in reconventie). In 2015 heeft [bedrijf 1] B.V. het patent van [gedaagde] heimelijk onttrokken aan de vennootschap (ongenummerde producties bij conclusie van antwoord in reconventie). [eiseres] is nog steeds aandeelhouder van [gedaagde] en had hiervan dus op de hoogte gesteld moeten worden. Teneinde haar investeringen in tijd en geld te redden heeft [eiseres] [bedrijf 2] opgericht. Het doel van [bedrijf 2] is het verkopen van water- en energiebesparende douchesystemen. De recycledouche van [bedrijf 2] is ontwikkeld voor de massamarkt en maakt gebruik van een eigen techniek en heeft een eigen design en een eigen hygiëne- en onderhoudsconcept. [bedrijf 2] heeft daartoe op 7 april 2014 (en niet zoals [gedaagde] stelt op 8 april 2013) de domeinnaam www. [naam] aangekocht (ongenummerde producties bij conclusie van antwoord in reconventie en productie 11 bij conclusie van dupliek in reconventie).

2.13.

De kantonrechter stelt vast dat [eiseres] de stellingen van [gedaagde] dat [bedrijf 2] een sterk concurrerende vennootschap van [gedaagde] is en dat [eiseres] de kennis die zij heeft opgedaan bij [gedaagde] heeft gebruikt ten behoeve van [bedrijf 2] , niet heeft weersproken.

b. Climate-Kic

2.14.

[gedaagde] stelt dat zij door toedoen van [eiseres] is uitgesloten van het Climate-Kic programma en daardoor € 63.000,00 aan subsidies is misgelopen. [bedrijf 2] (en vanaf medio juni 2015 [bedrijf 3] ) heeft de plaats van [gedaagde] binnen het Climate-Kic programma ingenomen (productie 9 bij de conclusie van eis in reconventie) en hoogstwaarschijnlijk de subsidies ontvangen. [A] . stelt nu openlijk de uitvinder te zijn van de waterbesparende upcycle douche. Hieraan is het volgende vooraf gegaan.

[A] . zou namens [gedaagde] de contacten onderhouden met Climate-Kic. In plaats daarvan heeft [A] . verteld dat [B] fraudeerde en dat [A] . alleen verder zou gaan. Dit heeft [B] nadien via Climate-Kic vernomen. Op 18 juni 2014 - na het verstrijken van een deadline waar [A] . wel en [B] niet van op de hoogte was - heeft Climate-Kic [A] . schriftelijk laten weten dat [gedaagde] niet meer mocht deelnemen aan het programma. Op de website Climate-Kic was daarna te lezen dat [A] . en [A] jr. met [bedrijf 2] (en later met [bedrijf 3] ) deelnamen aan het Climate-Kic programma. Deze zelfde informatie was eerst terug te vinden op de website van [bedrijf 2] en later op de website van [bedrijf 3] .

Via Vitens is [B] ermee bekend geworden dat Climate-Kic volgens [A] . onafhankelijk de patenten van [gedaagde] en [bedrijf 2] zou laten vergelijken vóór de publicatiedatum van het patent van [gedaagde] (27 december 2014); alleen dat al is onrechtmatig, aldus [gedaagde] .

2.15.

[eiseres] stelt zich op het standpunt dat deelname aan het Climate-Kic programma onmogelijk was geworden door het conflict binnen [gedaagde] . Dit conflict was onvermijdelijk vanwege de troebele boekhouding die [bedrijf 1] B.V. voerde en vanwege het wegsluizen van omzet van [gedaagde] naar [bedrijf 4] B.V. door [bedrijf 1] B.V., aldus [eiseres] .

2.16.

Vastgesteld wordt dat [eiseres] geen verweer heeft gevoerd tegen de stellingen van [gedaagde] dat [A] . zich tegenover de Climate-Kic coach negatief heeft uitgelaten over [B] en dat [bedrijf 2] (en vanaf medio juni 2015 [bedrijf 3] ) de plaats van [gedaagde] binnen het Climate-Kic programma heeft ingenomen en subsidie heeft ontvangen. Bij de verdere beoordeling wordt hier dan ook van uitgegaan. De stelling dat Climate-Kic op aangeven van [A] . onafhankelijk de patenten van [gedaagde] en [bedrijf 2] zou laten vergelijken vóór de publicatiedatum van het patent van [gedaagde] , is onvoldoende onderbouwd zodat de kantonrechter daaraan voorbij gaat.

c. Externe contacten van [gedaagde]

2.17.

stelt dat [eiseres] heeft geprobeerd om ten gunste van [bedrijf 2] klantcontacten van [gedaagde] over te nemen op het moment dat [eiseres] nog bestuurder en aandeelhouder was van [gedaagde] . Zo heeft [A] . op 2 juni 2014 Vitens benaderd met de [bedrijf 2] douche en op 19 juni 2014 Woningbouwvereniging [woningbouwvereniging] (productie 7 bij conclusie van eis in reconventie). [A] . heeft voorts [gedaagde] in een kwaad daglicht gesteld ten opzichte van externe contacten, onder meer door [B] valselijk te beschuldigen van fraude. Verder heeft [A] . in maart 2014 zonder overleg met [B] een investeerder laten weten dat [gedaagde] niet geïnteresseerd was. Op 9 mei 2014 heeft [A] . weer een andere investeerder, PM Group, gevraagd om in [bedrijf 2] te investeren.

2.18.

[eiseres] heeft bij conclusie van antwoord in reconventie aangegeven dat zij zich vrij voelde om met Vitens en Woningbouwvereniging [woningbouwvereniging] gesprekken voort te zetten na ‘de vele bewezen malversaties van bestuurder [bedrijf 1] ’. De gesprekken met Vitens zijn door [bedrijf 1] onmogelijk gemaakt, aldus [eiseres] . Zij verwijst daartoe naar het vonnis van de rechtbank Lelystad en de overgelegde producties.

2.19.

Aldus kan worden vastgesteld dat [eiseres] erkent dat zij (middels haar indirecte bestuurder [A] .) Vitens en Woningbouwvereniging [woningbouwvereniging] heeft benaderd vanuit [bedrijf 2] . [eiseres] heeft geen verweer gevoerd tegen de stelling van [gedaagde] dat [eiseres] op dat moment nog bestuurder (en aandeelhouder) was van [gedaagde] . Ook heeft [eiseres] geen verweer gevoerd tegen de stelling dat [A] . [B] (en daarmee [gedaagde] ) in een kwaad daglicht heeft gesteld ten opzichte van externe contacten en investeerder PM Group heeft gevraagd om in [bedrijf 2] te investeren. De kantonrechter zal daar bij de beoordeling dan ook vanuit gaan.

2.20.

Opgemerkt zij dat [eiseres] ‘het vonnis van de rechtbank Lelystad en de overgelegde producties’ waar zij naar verwijst niet in de onderhavige procedure heeft overgelegd, zodat deze geen deel uitmaken van het procesdossier en daarmee bij de beoordeling geen rekening kan worden gehouden.

d. Financieel wanbeleid

2.21.

[gedaagde] voert aan dat [eiseres] financieel wanbeleid heeft gevoerd door [gedaagde] op onnodige kosten te jagen. Dit betreft: kosten voor een accountantsonderzoek naar wet- en regelgeving omtrent belastingteruggave en subsidies voor werkgevers, kosten voor folders, kosten voor de ontwikkeling van een display, kosten voor aanpassing van de showroom van [bedrijf 4] B.V. en kosten voor afbeeldingen, foto’s en filmpjes welke - zonder toestemming van [gedaagde] - zijn gebruikt ten behoeve van [bedrijf 2] . Verder heeft [eiseres] namens [gedaagde] een overeenkomst gesloten met subsidiebedrijf Travers waardoor [gedaagde] € 2.250,00 moest betalen terwijl [eiseres] vervolgens subsidie ontving. [eiseres] heeft daarnaast - ondanks herhaald verzoek en zonder gegronde reden - de jaarrekening van 2013 nog steeds niet goedgekeurd; ook dit heeft geleid tot extra (accountants)kosten voor [gedaagde] . [gedaagde] heeft advocaat- en accountantskosten moeten maken vanwege de onterechte beschuldigingen van fraude door [eiseres] . Ten slotte brengt [eiseres] [gedaagde] nu verder in de financiële problemen door het voeren van onderhavige procedure.

2.22.

[eiseres] merkt ten aanzien van de door [gedaagde] genoemde kosten het volgende op. Omdat [bedrijf 1] B.V. [eiseres] geen inzage gaf in de financiële situatie van [gedaagde] was [eiseres] genoodzaakt zich te wenden tot de accountant van [gedaagde] , MTH. [eiseres] heeft inderdaad brochures en dergelijke ontwikkeld voor de VSK beurs. [bedrijf 1] B.V. heeft mondeling toegezegd dat de kosten daarvoor later zouden worden voldaan. De afbeeldingen die door [eiseres] voorgeschoten zijn en waarvoor een factuur naar [gedaagde] is gestuurd, zijn - ondanks talloze sommaties - nooit betaald. De afbeeldingen blijven daarom op grond van de algemene voorwaarden van [eiseres] haar eigendom. Omdat de jaarrekening niet voor [eiseres] te controleren was, kon zij als bestuurder en als aandeelhouder haar goedkeuring niet verlenen. [eiseres] voelde zich genoodzaakt [gedaagde] te dagvaarden teneinde haar vordering betaald te krijgen; [bedrijf 1] B.V. betaalde wel alle andere crediteuren namens [gedaagde] .

2.23.

Beoordeeld dient te worden of de handelingen waaruit de opgesomde kosten voortvloeien, in het belang van [gedaagde] waren en of [eiseres] door het verrichten van die handelingen haar taak als bestuurder (on)behoorlijk heeft vervuld. De kantonrechter is van oordeel dat het hier handelingen betreft die - op het moment van verrichten - gelet op alle feiten en omstandigheden redelijkerwijs kunnen worden geacht in het belang van [gedaagde] te zijn geweest, zodat deze grond niet kan bijdragen aan enig verwijt aan het adres van [eiseres] .

e. Technische informatie douche

2.24.

[gedaagde] stelt dat [eiseres] er alles aan heeft gedaan om de technische informatie met betrekking tot de douche te bemachtigen. [eiseres] heeft, bij monde van [A] ., [B] daarover benaderd op 12 april en 9 mei 2014. Verder heeft [A] . geprobeerd om de technische/elektronische detailtekeningen van de douche te verkrijgen via Frame (de elektronicaleverancier van [gedaagde] ) op 12 en 26 mei 2014 en de reeds ingediende pattentaanvraag via octrooibureau NLO op 22 mei 2014. [A] . heeft NLO ook benaderd om te helpen met een nieuw patent voor [bedrijf 2] ‘om’ het patent van [gedaagde] heen. Ten slotte zijn namens [eiseres] mystery guests naar [B] gestuurd om de techniek te achterhalen.

2.25.

[eiseres] stelt dat zij geen technische tekeningen heeft opgevraagd en geen pompleverancier of typenummer heeft gevraagd, maar wel voor € 20.000,00 aan elektronica heeft laten ontwerpen ten behoeve van [gedaagde] en alle rechten heeft achtergelaten. [eiseres] heeft niet één mail geproduceerd, waarin een compleet technisch dossier is gevraagd, aldus [eiseres] .

2.26.

De kantonrechter stelt vast dat [eiseres] geen verweer heeft gevoerd tegen de stellingen van [gedaagde] dat [eiseres] direct en indirect heeft geprobeerd de pattentaanvraag van [gedaagde] te achterhalen en dat zij mystery guests naar [B] heeft gestuurd om de techniek van de douche te bemachtigen. In de onderhavige procedure is gesteld noch gebleken dat [eiseres] hierin is geslaagd, zodat [gedaagde] in dat opzicht (nog) geen schade heeft geleden. Het betreffen echter wel omstandigheden waar de kantonrechter bij de verdere beoordeling rekening mee zal houden.

f. Bedrijfsvoering onmogelijk maken

2.27.

Ten slotte voert [gedaagde] aan dat [eiseres] het haar feitelijk onmogelijk heeft gemaakt om haar werkzaamheden uit te voeren. Zo zijn de heer en mevrouw [naam] op 2 en 9 mei 2014 gesommeerd om niet langer te handelen onder de naam [gedaagde] en om de aandelen in te leveren. Op 15 mei 2014 zijn de website en het email-verkeer van [gedaagde] buitenwerking gesteld. Op 18 mei 2014 zijn posts van de facebookpagina van [gedaagde] verwijderd en zijn de accountinstellingen gewijzigd waardoor [B] geen toegang meer had tot de facebookpagina. Ondanks herhaald verzoek om de website en het e-mailverkeer te deblokkeren, is dat tot op heden niet gebeurd. [gedaagde] betwist dat zij een factuur terzake website- en e-mail hosting heeft ontvangen. Op 16 juni 2014 heeft [A] . [B] per e-mail dringend verzocht om een aantal betaalopdrachten niet uit te laten voeren. [B] geeft hier geen gehoor aan gegeven omdat dit tot het faillissement van [gedaagde] had kunnen leiden.

2.28.

[eiseres] geeft aan dat zij zich vanwege de in overweging 2.12 omschreven handelswijze van [bedrijf 1] B.V., genoodzaakt zag een advocaat in te schakelen en verdere stappen te ondernemen. De advocaat heeft diverse brieven aan [bedrijf 1] B.V. gestuurd met het verzoek om [eiseres] te informeren ten aanzien van de financiën van [gedaagde] . [bedrijf 1] B.V. bleef echter weigeren en gaf geen enkel inzicht in de bedrijfsvoering en administratie van [gedaagde] en [bedrijf 4] B.V. Omdat [gedaagde] de factuur voor de website en e-mail hosting heeft betwist, zijn deze diensten gestaakt conform de algemene voorwaarden van [eiseres] .

2.29.

Vastgesteld wordt dat op 15 mei 2014 de website en het email-verkeer van [gedaagde] buitenwerking zijn gesteld. [eiseres] heeft aangevoerd dat dit was omdat [gedaagde] de factuur voor de website en e-mail hosting heeft betwist (de kantonrechter begrijpt dat [eiseres] bedoelt: niet betaald), maar heeft nagelaten dit - na betwisting door [gedaagde] - te onderbouwen met nadere gegevens als factuurnummer, datum en openstaand bedrag, dan wel door het overleggen van een kopie van de betreffende factuur. Voor het overige is gesteld noch gebleken dat [gedaagde] gehoor heeft gegeven aan de verzoeken van [eiseres] om niet langer te handelen namens [gedaagde] . [gedaagde] heeft in dat opzicht dus (nog) geen schade geleden. De kantonrechter zal bij de verdere beoordeling echter ook met deze omstandigheid rekening houden.

Conclusie

2.30.

Vaststaat dat [eiseres] van 19 mei 2014 tot 15 september 2014 zowel bestuurder als aandeelhouder was van [gedaagde] als van [bedrijf 2] B.V. [bedrijf 2] is een sterk concurrerende vennootschap van [gedaagde] en [eiseres] (middels [A] .) heeft de kennis die zij heeft opgedaan bij [gedaagde] gebruikt ten behoeve van [bedrijf 2] . Verder heeft [A] . zich tegenover externe contacten van [gedaagde] negatief uitgelaten over [B] . [bedrijf 2] (en later [bedrijf 3] ) heeft de plaats van [gedaagde] binnen het Climate-Kic programma ingenomen en de daarbij behorende subsidies ontvangen. In voornoemde periode heeft [eiseres] (middels [A] .) contacten van [gedaagde] (Vitens, Woningbouwvereniging [woningbouwvereniging] en investeerder PM Group) benaderd over [bedrijf 2] B.V. [eiseres] heeft geprobeerd de pattentaanvraag van [gedaagde] te achterhalen en heeft mystery guests naar [B] gestuurd om de techniek van de douche te bemachtigen. [eiseres] heeft de heer en mevrouw [C] gesommeerd om niet langer te handelen onder de naam [gedaagde] en om de aandelen in te leveren. Ten slotte heeft [eiseres] op 15 mei 2014 de website en het email-verkeer van [gedaagde] buitenwerking gesteld.

2.31.

Alle hiervoor genoemde omstandigheden, in onderlinge samenhang beschouwd, leiden tot het oordeel dat [eiseres] een ernstig verwijt kan worden gemaakt vanwege handelen in strijd met wettelijke en statutaire bepalingen die [gedaagde] beogen te beschermen, het laten prevaleren van eigen (zakelijke) belangen boven die van [gedaagde] , het nemen van beslissingen met verregaande consequenties zonder samenspraak met [bedrijf 1] B.V. (terwijl [bedrijf 1] B.V. en [eiseres] de gezamenlijk bevoegde bestuurders waren), het inpikken van zakelijke kansen en het op andere wijze concurreren met [gedaagde] en het desbewust handelen in strijd met het belang van [gedaagde] .

2.32.

Met haar verweer (overweging 2.12) miskent [eiseres] niet alleen dat [bedrijf 1] B.V., [bedrijf 4] B.V. en [B] zelf geen partij zijn bij de onderhavige procedure, maar ook dat een - in de onderhavige procedure bestreden - onrechtmatig handelen van de ene bestuurder ( [bedrijf 1] B.V.) niet het onrechtmatig handelen van de andere bestuurder ( [eiseres] ) rechtvaardigt. Het had op de weg van [eiseres] gelegen om daartoe [bedrijf 1] B.V. in rechte aan te spreken, in plaats van zich ‘vrij te voelen’ te handelen op de wijze als zij heeft gedaan. [eiseres] heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan kan worden aangenomen dat het gewraakte handelen in strijd met de statutaire bepalingen niet een ernstig verwijt oplevert.

2.33.

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat [eiseres] een ernstig verwijt kan worden gemaakt, zodat zij voor het geheel aansprakelijk is terzake van onbehoorlijk bestuur. De gevorderde verklaring voor recht dat [eiseres] als bestuurder onrechtmatig jegens [gedaagde] heeft gehandeld wordt toegewezen.

Schade

2.34.

[gedaagde] heeft haar voorlopige schade beraamd op € 150.000,00 en verzocht om verwijzing naar de schadestaatprocedure.

2.35.

[eiseres] betwist de (voorlopig) gestelde schade van € 150.000,00 nu deze niet is onderbouwd. Bovendien, zo stelt [eiseres] , hoort deze schade niet in de onderhavige procedure thuis maar in ‘het andere reeds aanhangig zijnde geschil, waarin feitelijk de samenwerking binnen [gedaagde] het onderwerp van discussie vormt’.

2.36.

De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij schade heeft geleden door het onrechtmatig handelen van [eiseres] om verwijzing naar de schadestaatprocedure te rechtvaardigen. Nu [eiseres] niet heeft aangegeven op welk ander reeds aanhangig geschil zij doelt, kan alleen al om die reden dit argument niet bij de beoordeling betrokken worden.

2.37.

Wat betreft de omvang van de schade geldt het volgende. De schade dient te worden begroot door een vergelijking te maken tussen de huidige vermogenspositie van [gedaagde] en haar hypothetische vermogenspositie, het onrechtmatig handelen weggedacht. In de situatie zonder onrechtmatig handelen zou [gedaagde] niet in de situatie verkeren waarin zij nu verkeert. Gelet op de complexiteit van (het bepalen van) de hoogte van de schade lijkt het voor de hand liggen om daarover een deskundigenbericht te laten opstellen door een zogenoemde register valuator.

2.38.

De kantonrechter zal [eiseres] , als de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij, veroordelen in de kosten van de procedure in reconventie. Deze kosten worden aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 1.000,00 aan salaris gemachtigde.

in conventie

2.39.

In rechtsoverweging 4.6 van het tussenvonnis van 28 oktober 2015 is opgenomen dat de kantonrechter begrijpt dat door (dit moet zijn) [gedaagde] impliciet een beroep op verrekening wordt gedaan van de vordering uit hoofde van de geldleningsovereenkomst met de schade nader op te maken bij staat uit hoofde van de (…) onrechtmatige daad van [eiseres] .

2.40.

Op grond van artikel 6:127 lid 2 BW heeft een schuldenaar ( [gedaagde] ) de bevoegdheid tot verrekening, wanneer hij een prestatie te vorderen heeft die beantwoordt aan zijn schuld jegens dezelfde wederpartij ( [eiseres] ) en hij bevoegd is zowel tot betaling van de schuld als tot het afdwingen van de betaling van de vordering. Nu de schade die [gedaagde] heeft geleden door het onrechtmatig handelen van [eiseres] nader dient te worden opgemaakt bij staat, is [gedaagde] strikt genomen (nog) niet bevoegd tot het afdwingen van de betaling van deze vordering. De bijzondere omstandigheden van het geval - te weten de financiële toestand waarin [gedaagde] door [eiseres] is gebracht, de verhouding tussen partijen ( [eiseres] is nog steeds aandeelhouder en was tot 15 september 2014 ook nog bestuurder van [gedaagde] ), de aard van de vordering in reconventie en de redelijkerwijs te verwachten hoogte van de schade - brengen echter mee dat toepassing van het bepaalde in artikel 6:127 lid 2 BW naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn als bedoeld in artikel 6:2 lid 2 BW. Dit leidt tot het oordeel dat het beroep van [gedaagde] op verrekening slaagt. Nu [gedaagde] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de hoogte van de schade die zij heeft geleden gelet op de vordering in reconventie, de hoogte van de vordering in conventie (€ 12.500,00) zal overtreffen, kan de vordering in conventie niet worden toegewezen op de wijze als gevorderd. De vordering in conventie als zodanig zal dan ook worden afgewezen en de vordering van [eiseres] op [gedaagde] tot betaling van € 12.500,00 uit hoofde van geldlening zal worden betrokken bij de vordering in reconventie op de wijze als hieronder bepaald.

2.41.

De bijzondere omstandigheden als opgenomen in rechtsoverweging 2.40 maken ook dat toewijzing van de door [eiseres] gevorderde rente en buitengerechtelijke incassokosten naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn als bedoeld in artikel 6:2 lid 2 BW. De vordering is in zoverre dan ook niet toewijsbaar.

2.42.

Gelet op de nog steeds voortdurende vennootschapsrechtelijke verhoudingen tussen partijen, ziet de kantonrechter aanleiding te bepalen dat partijen elk de eigen kosten van de procedure in conventie dragen.

3 De beslissing

De kantonrechter

in conventie

3.1.

wijst de vorderingen van [eiseres] af;

3.2.

compenseert de kosten van de procedure in conventie in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt;

3.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

3.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

in reconventie

3.5.

verklaart voor recht dat [eiseres] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [gedaagde] ;

3.6.

veroordeelt [eiseres] aan [gedaagde] te betalen de schade die [gedaagde] heeft geleden als gevolg van het hiervoor in rechtsoverweging 2.30 bedoelde onrechtmatig handelen, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, zulks met inachtneming van hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 2.37 is overwogen en met inachtneming van de vordering van [eiseres] op [gedaagde] ten bedrage van € 12.500,00 uit hoofde van geldlening;

3.7.

veroordeelt [eiseres] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 1.000,00, zijnde salaris gemachtigde, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van veertien dagen na betekening dit vonnis;

3.8.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

3.9.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.C. van Haren en in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2016.