Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:3702

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
01-07-2016
Datum publicatie
08-07-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 6004
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WAO en verdiensten: wijziging Schattingsbesluit per 1 juli 2015. Bij loon uit dienstbetrekking overgang van uurloonvergelijking naar periodeloonvergelijking. Uitbetaling WAO-uitkering met ingang van 1 juli 2015 op voorschotbasis. Overgangsrecht i.c. niet van toepassing.

De Nota van Toelichting vermeldt dat de overstap van uurloonvergelijking naar periodevergelijking kan leiden tot een lager fictief arbeidsongeschiktheidspercentage.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 15/6004

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juli 2016 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde] ),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: S.N. Westmaas - Kanhai).

Procesverloop

Bij besluit van 7 augustus 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder het voorschot op de uitkering van eiseres op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering

(WAO) met ingang van 1 juli 2015 vastgesteld op € 575,29 bruto per maand en met ingang van 1 november 2015 vastgesteld op € 460,23 bruto per maand.

Bij brief van 8 oktober 2015 heeft verweerder het primaire besluit naar aanleiding van het daartegen gemaakte bezwaar toegelicht.

Bij besluit van 30 oktober 2015 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. De rechtbank merkt de brief van 8 oktober 2015 en het besluit van 30 oktober 2015 tezamen aan als het bestreden besluit.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 maart 2016. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar echtgenoot, tevens gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten. Eiseres ontvangt per 11 juni 1998 een WAO-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheidsklasse van 45-55%.

Nadat eiseres een periode volledig arbeidsongeschikt is geacht, is zij per 2 april 2005 opnieuw ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 45-55%. Eiseres is per 9 mei 2007 gaan werken als doktersassistente, met ingang van 1 januari 2009 voor 16 uur per week.

2. Het bestreden besluit gaat over het verstrekken van de WAO-uitkering bij wijze van voorschot, in verband met de wijziging van de uitkeringssystematiek in het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (het Schattingsbesluit). Eiseres ontvangt tot en met 31 oktober 2015 een voorschot WAO-uitkering van € 575,29 bruto per maand. Met ingang van 1 november 2015 ontvangt zij een voorschot op haar WAO-uitkering van € 460,23 bruto per maand.

3. Eiseres voert in beroep aan dat zij onder het overgangsrecht van het gewijzigde Schattingsbesluit valt. Zij behoort immers tot de groep uitkeringsgerechtigden die door het gewijzigde Schattingsbesluit per 1 juli 2015 in een lagere arbeidsongeschiktheidsklasse terecht komt. Haar arbeidsongeschiktheidsklasse was vastgesteld op 45-55% en zij komt nu in de klasse 35-45%.

4. Ingevolge artikel 44, eerste lid van de WAO wordt, indien degene, die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, inkomen geniet doordat hij arbeid is gaan verrichten, die arbeid gedurende een aaneengesloten tijdvak van vijf jaar niet aangemerkt als arbeid als bedoeld in artikel 18, vijfde lid, en wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet ingetrokken of herzien, doch wordt de uitkering:

( a) niet uitbetaald indien het inkomen zodanig is, dat als die arbeid wel de in artikel 18, vijfde lid, bedoelde arbeid zou zijn, niet langer sprake zou zijn van een arbeidsongeschiktheid van ten minste 15%; of

( b) indien het bepaalde onder a niet van toepassing is, uitbetaald tot een bedrag ter grootte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, zoals deze zou zijn vastgesteld, indien die arbeid wel de in artikel 18, vijfde lid, bedoelde arbeid zou zijn.

Na afloop van het in de aanhef genoemde tijdvak wordt de arbeid aangemerkt als arbeid als bedoeld in artikel 18, vijfde lid.

Ingevolge artikel 44, tweede lid van de WAO wordt, indien degene die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering in dienstbetrekking arbeid als bedoeld in het eerste lid verricht of heeft verricht, het loon geacht te zijn genoten in het aangiftetijdvak waarover de werkgever of de inhoudingsplichtige van dat loon opgave heeft gedaan.

Ingevolge artikel 10a, eerste lid, van het Schattingsbesluit, zoals dat geldt met ingang van 1 juli 2015, voor zover hier van belang, is dit artikel van toepassing bij de uitvoering van artikelen 44, eerste lid, van de WAO, indien er sprake is van loon als bedoeld in het tweede lid van artikel 44.

Op grond van het vierde lid van artikel 10a, van het Schattingsbesluit, voor zover hier relevant, wordt het arbeidsongeschiktheidspercentage als volgt berekend:

(M–L) / M * 100%

Hierbij staat

L voor het loon, bedoeld in artikel 44, eerste lid, van de WAO, per aangiftetijdvak; en

M voor het maatmaninkomen zoals berekend op grond van het derde lid van artikel 10 a van het Schattingsbesluit.

Ingevolge artikel 12c, eerste lid, van het Schattingsbesluit (Overgangsbepaling) is op de uitkeringsgerechtigde die in het eerste aangiftetijdvak na inwerkingtreding van artikel 10a ten minste één arbeidsongeschiktheidsklasse zou dalen vanwege de invoering van de periodeloonvergelijking, artikel 10a gedurende twaalf maanden vanaf de dag van inwerkingtreding van dat artikel niet van toepassing. Op grond van het tweede lid van deze bepaling vervalt dit artikel twaalf maanden na de dag van inwerkingtreding van artikel 10a.

5.1

De rechtbank overweegt dat in de Nota van Toelichting bij het Besluit van 17 juni 2015 tot wijziging van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Staatsblad 2015, 253) is vermeld dat met de aanpassing van het Schattingsbesluit het mogelijk is gemaakt dat het UWV bij loon uit dienstbetrekking niet langer een uurloonvergelijking toepast maar een periodeloonvergelijking. Het (fictieve) arbeidsongeschiktheidspercentage wordt daarbij bepaald door het maatmaninkomen per tijdvak te vergelijken met de in het aangiftetijdvak genoten inkomsten. Hierbij maakt het niet langer uit in welk tijdvak de arbeid is verricht en op welk tijdvak deze inkomsten betrekking hebben. Volgens artikel 44, tweede lid, WAO en de overeenkomstige bepalingen in de WAZ en de Wajong wordt het inkomen geacht te zijn genoten in het aangiftetijdvak waarover de werkgever daarvan aangifte doet. De kortingsbepaling wordt derhalve toegepast over het tijdvak waarin van dat loon aangifte is gedaan ook in het geval dat dit loon bijvoorbeeld betrekking heeft op in meerdere tijdvakken verrichte arbeid, of er sprake is van een nabetaling. De genoten inkomsten zijn wel in de polisadministratie opgenomen. Het aantal gewerkte uren is bij een periodeloonvergelijking niet meer relevant en hoeft dus ook niet meer opgevraagd te worden bij de uitkeringsgerechtigden.

5.2

Doel van de wijziging is dat voor loon uit dienstbetrekking (dus voor de gevallen waarop artikel 44, tweede lid, WAO, 58, tweede lid, WAZ en 3:48, tweede lid, Wajong van toepassing is) overgegaan wordt van uurloonvergelijking naar periodeloonvergelijking. Verder is er geen andere wijziging beoogd. Voorts is in de Nota van Toelichting vermeld dat de overstap van uurloonvergelijking naar periodevergelijking kan leiden tot een lager fictief arbeidsongeschiktheidspercentage dan op grond van uurloonvergelijking werd vastgesteld. Als gevolg van de aanpassing van het Schattingsbesluit zal een groep WAO-gerechtigden een lagere WAO-uitkering ontvangen. Het gaat hier om WAO-gerechtigden die meer uren werken dan de urenomvang van hun maatman. Op basis van berekeningen van het UWV zou het om maximaal enkele honderden gevallen gaan. De wijziging van uurloonvergelijking naar periodevergelijking heeft geen effect op de hoogte van de uitkering indien de urenomvang van de feitelijk verrichte arbeid lager is dan de urenomvang van de maatman.

5.3

In het bestreden besluit heeft verweerder toegelicht dat een vergelijking van het maatmanloon met de (geschatte) inkomsten van eiseres tot een arbeidsongeschiktheidspercentage van 35-45% leidt en dat daarom haar WAO-uitkering met ingang van 1 juli 2015 op voorschotbasis wordt uitbetaald naar die arbeidsongeschiktheidsklasse in plaats van naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 45-55%, waarin zij is ingedeeld. Daarmee wordt voorkomen dat achteraf een bedrag moet worden teruggevorderd. De verdienstenkorting vindt op dezelfde wijze plaats, alleen de wijze van uitbetaling verandert.

5.4

De rechtbank overweegt dat de uitbetaling van het voorschot op de WAO-uitkering naar een lagere arbeidsongeschiktheidsklasse uitsluitend het gevolg is van de hoogte van de inkomsten van eiseres en dat zich niet de situatie voordoet dat zij een arbeidsongeschiktheidsklasse daalt vanwege de invoering van de periodeloonvergelijking als bedoeld in artikel 12c van het Schattingsbesluit. Dat betekent dat het overgangsrecht niet op eiseres van toepassing is. In dit verband wijst de rechtbank er nog op dat verweerder in het verweerschrift en ter zitting gemotiveerd heeft toegelicht dat er ook bij toepassing van de oude regelgeving (de uurloonvergelijking) sprake zou zijn van een fictieve indeling in een lagere arbeidsongeschiktheidsklasse. De beroepsgrond slaagt niet.

De overige gronden behoeven gelet op het voorgaande geen nadere bespreking.

6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Gillissen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2016.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.