Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:3683

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
05-07-2016
Datum publicatie
05-07-2016
Zaaknummer
16/707904-15 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een man veroordeeld voor het doden van plaatsgenoot in 2015 in Utrecht. De man heeft het slachtoffer omver geduwd en heeft hem vervolgens met een stenen/betonnen ‘kippie’ meerdere keren op zijn hoofd geslagen. Er was sprake van een zakelijke relatie waarbij een conflict volledig uit de hand is gelopen.

De verdachte heeft het stoffelijk overschot van het slachtoffer in een dekenkist gelegd en die enkele dagen in zijn huis laten staan. Vervolgens heeft de man verantwoordelijkheid genomen voor zijn daad en zich met het lijk gemeld bij de politie.

De man wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 7 jaar. De rechtbank neemt in de strafmaat mee dat de verdachte een blanco strafblad heeft en de schuld op zich heeft genomen tijdens de zitting. Daarnaast oordeelt de rechtbank dat de man niet berekenend te werk is gegaan. Ook is rekening gehouden met de toeloop naar het conflict.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/707904-15 (P)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 5 juli 2016.

in de strafzaak tegen

[verdachte]

Geboren op [1954] te [geboorteplaats]

Thans gedetineerd in het Huis van Bewaring Grave

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 8 maart 2016, 31 mei 2016 en 21 juni 2016. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. B. Mor-Yazir, advocaat te Utrecht.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte, de raadsvrouw en de nabestaanden naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Primair:
op 16 november 2015 te Utrecht [slachtoffer] heeft vermoord, althans heeft gedood, door met een hard voorwerp meermalen tegen het hoofd van die [slachtoffer] te slaan, als gevolg waarvan die [slachtoffer] is overleden.

Subsidiair:
op 16 november 2015 te Utrecht [slachtoffer] zwaar heeft mishandeld, door met een hard voorwerp meermalen tegen het hoofd van die [slachtoffer] te slaan, tengevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden.

2 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Inleiding

Op zaterdag 21 november 2015 werd [slachtoffer] als vermist opgegeven. Op 24 november 2015 heeft verdachte zich bij het politiebureau gemeld. Daar vertelde hij dat hij het gedaan had en dat het stoffelijk overschot van [slachtoffer] in de bestelbus lag, waarmee hij naar het politiebureau was gekomen. In de bestelbus werd inderdaad een dekenkist met het stoffelijk overschot van [slachtoffer] aangetroffen. Verdachte verklaarde dat hij in de ochtend van 16 november 2015 het slachtoffer [slachtoffer] om het leven had gebracht, door [slachtoffer] meermalen met een stenen of betonnen voorwerp op zijn hoofd te slaan.

Verdachte heeft het stoffelijk overschot van [slachtoffer] vervolgens in een dekenkist gelegd en enkele dagen in zijn huis laten staan. Verdachte heeft naar eigen zeggen de kist met [slachtoffer] erin op 19 november 2015 samen met een ander in een door hem geleende bestelbus geplaatst. De kist met daarin het lichaam van [slachtoffer] heeft vervolgens tot en met 24 november 2015 in de bestelbus gelegen.

3.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie vordert vrijspraak voor het onder primair eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde (moord), omdat het wettig en overtuigend bewijs daartoe ontbreekt. De officier van justitie acht wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder primair tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde (doodslag) heeft begaan en baseert zich daarbij op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging doet primair een beroep op noodweer, dan wel noodweerexces, zodat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De verdediging is subsidiair van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de aan verdachte ten laste gelegde feiten.
Hiertoe heeft de raadsvrouw verschillende argumenten naar voren gebracht.
De rechtbank zal deze in het vonnis – op de plaats waar dat relevant is – bespreken en daarbij enkel ingaan op die standpunten die deugdelijk zijn onderbouwd en zijn voorzien van een ondubbelzinnige conclusie.

3.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of er voldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte opzettelijk het slachtoffer van het leven heeft beroofd en zo ja, of dit moord dan wel doodslag oplevert.

3.4.1

Partiële vrijspraak

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat het dossier geen concrete bewijsmiddelen bevat die erop duiden dat er sprake was van voorbedachte raad bij verdachte om [slachtoffer] van het leven te beroven. De verdachte zal derhalve van deze kwalificerende omstandigheid en dus van moord worden vrijgesproken.

3.4.2.

De gebezigde bewijsmiddelen1

Verdachte heeft bij de politie het volgende verklaard -zakelijk weergegeven-:

[slachtoffer] was op 16 november 2015 om kwart over 7, 10 voor half 8 bij mij. Hij zou mij oppikken om samen naar Houten te gaan.2Hij stond buiten de flat te schreeuwen. Ik vroeg hem om boven te komen om even te praten en tot een redelijke oplossing te komen.
Toen is hij naar boven gekomen en ook schreeuwen, praten.3Toen was het van dit en dat en jij mag het helemaal niet doen, misschien doe je wel wat met de remmen. Toen heb ik nog een keer gezegd van doe es normaal. Ik draai me om en dan wil hij uithalen. Hij wilde van zijn stoel op staan. Ik zag het aan zijn houding. Met die kop tussen de schouders zoals boksers. Dan eropaf. (…) Ik gaf een gooi en toen klapte hij achterover naar de verwarming, op dat randje.4Toen heb ik hem nog op zijn hoofd geslagen.5 Het was een tekkeltje of een kippie, van steen of van beton.6 Het stond op het aanrecht.7 Hoe vaak en waar dat zou ik echt niet meer weten. (…)8

De patholoog heeft de bij [slachtoffer] aangetroffen letsels als volgt geïnterpreteerd:

Er waren zeer ernstige letsels aan het hoofd die bij leven en kort vóór het overlijden waren ontstaan ten gevolge van inwerking van herhaaldelijk, heftig uitwendig, mechanisch, botsend geweld op het hoofd.9

De letsels aan het hoofd waren dusdanig ernstig dat zij zondermeer het overlijden kunnen verklaren door uitval van hersenfuncties.10

3.4.3.

Overweging ten aanzien van het opzet

Door de raadsvrouw van de verdachte is bepleit dat bij de verdachte geen opzet, ook niet in de zin van voorwaardelijk opzet, op de dood dan wel het zwaar lichamelijk letsel van [slachtoffer] heeft bestaan, zodat de verdachte van het primair tweede cumulatief/alternatief en eveneens van het subsidiair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken.

De raadsvrouw heeft daartoe in het bijzonder aangevoerd dat verdachte met zijn handelen enkel heeft willen voorkomen dat [slachtoffer] op zou staan en op hem af zou komen, en dat hij mede als gevolg van zijn toch al geringe draagkracht en copingmechanismen niet in staat is geweest de gevolgen van zijn daad te overzien dan wel in te schatten.

Gelet op het onderzoek ter terechtzitting en de stukken in het dossier stelt de rechtbank het navolgende vast.

Nadat [slachtoffer] in de keuken van verdachte door een duw van verdachte achter op zijn hoofd en op de grond is gevallen, heeft verdachte een betonnen ‘kippie’ gepakt dat op het aanrecht stond en daarmee [slachtoffer] meerdere malen met kracht op zijn hoofd geslagen. Verdachte kan zich naar eigen zeggen van het slaan zelf niets herinneren, maar weet wel dat hij is gestopt toen hij het bot zag. [slachtoffer] is ten gevolge van het letsel aan zijn hoofd overleden.

De vraag die beantwoord dient te worden is of verdachte door het hiervoor omschreven handelen opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] . Een eventuele geestelijke stoornis bij verdachte staat als zodanig aan het aannemen van opzet niet in de weg. Een bewezenverklaring van opzet kan alleen dan niet worden aangenomen als bij de verdachte ten tijde van zijn handelen ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de gevolgen daarvan zou hebben ontbroken. Daarvan zal slechts bij hoge uitzondering sprake zijn. Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting overweegt de rechtbank dat ten aanzien van verdachte niet is gebleken dat bij hem ten tijde van de ten laste gelegde gedragingen ieder inzicht in de draagwijdte en mogelijke gevolgen daarvan ontbrak.

Nu een eventuele geestelijke stoornis van verdachte de bewezenverklaring van opzet niet in de weg staat, ligt de vraag voor waarop het opzet van verdachte gericht is geweest.

Naar het oordeel van de rechtbank is het meermalen met kracht met een betonnen of stenen voorwerp slaan op het hoofd van het slachtoffer totdat daarbij bot zichtbaar wordt, een gedraging die reeds naar haar uiterlijke verschijningsvorm en naar algemene ervaringsregels kan worden aangemerkt als gericht op de dood van het slachtoffer. Daarmee is het opzet van verdachte op de dood van [slachtoffer] bewezen.

De rechtbank acht – gelet op het voorgaande – het onder primair ten laste gelegde, te weten doodslag, wettig en overtuigend bewezen.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

op 16 november 2015 te Utrecht opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk met een hard voorwerp meermalen tegen het hoofd geslagen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van het feit

Ten aanzien van het beroep op noodweer

De verdediging heeft betoogd dat verdachte een beroep op noodweer toekomt, zodat verdachte ontslagen dient te worden van alle rechtsvervolging.

De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat de situatie waarbij verdachte en [slachtoffer] zich samen in de keuken van verdachte bevonden verdachte een onveilig gevoel gaf. Nadat [slachtoffer] ten val kwam, zag verdachte dat [slachtoffer] probeerde op te staan om zich op verdachte te wreken. Gezien het verschil in conditie tussen de mannen, had verdachte niet de gelegenheid om te vluchten en had hij geen andere keuze dan [slachtoffer] laag bij de grond te houden, waarbij het slaan op het hoofd het meest voor de hand lag. Verdachte is vervolgens volledig doorgedraaid en gaan slaan zonder het te beseffen, aldus nog steeds de raadsvrouw.

De officier van justitie acht het niet aannemelijk dat er sprake is geweest van een noodweersituatie waartegen verdachte zich mocht verdedigen.

Beoordelingskader

Indien sprake wil zijn van noodweer, dient vast komen te staan dat sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van de verdachte door het latere slachtoffer. Ook een onmiddellijk dreigend gevaar voor een dergelijke aanranding kan onder omstandigheden worden beschouwd als een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Daarbij geldt dat uit objectieve omstandigheden moet kunnen worden afgeleid dat iemand daadwerkelijk op het punt staat om tot de aanval over te gaan. De enkele vrees is daarvoor niet voldoende.

De rechtbank is van oordeel dat niet voldoende aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van een onmiddellijke wederrechtelijke aanranding en overweegt daartoe als volgt.

De bevindingen omtrent het bij [slachtoffer] geconstateerde letsel sluiten de door verdachte beschreven feitelijke gang van zaken niet uit, maar geven over de feitelijke toedracht en over de volgordelijkheid van de gebeurtenissen geen uitsluitsel. Bij de beantwoording van de vraag hoe het een en ander is gegaan, is de rechtbank dus in beslissende mate aangewezen op de verklaringen van verdachte.

Verdachte heeft bij de politie een aantal verklaringen afgelegd over de feitelijke toedracht van het geweldsincident op de ochtend van 16 november 2015. Verdachte heeft daarin telkens aangegeven dat het slachtoffer hem op een gegeven moment een klap wilde geven, dat verdachte het slachtoffer vervolgens geduwd heeft waardoor het slachtoffer achterover is gevallen en op een randje is gevallen. Over hoe het ten aanzien van die beweerdelijke klap feitelijk precies is gegaan heeft verdachte wisselend verklaard. Een eenduidig verhaal heeft de rechtbank daaruit niet kunnen destilleren.

Ook heeft verdachte wisselend verklaard over wat er gebeurde nadat het slachtoffer op de grond terecht is gekomen en overeind probeerde te komen. In de verklaringen van 24 november 2015 en 7 december 2015 geeft verdachte aan dat hij het slachtoffer met het ‘kippie’ op zijn hoofd heeft geslagen nadat deze overeind probeerde te komen. De verdachte heeft er in die verklaringen geen melding van gemaakt dat op het moment dat het slachtoffer overeind probeerde te komen deze zich dreigend naar verdachte opstelde. Pas in zijn vierde verklaring op 30 december 2015, ruim een maand na zijn aanhouding, heeft verdachte voor het eerst verklaard dat hij een blik in de ogen van [slachtoffer] zag toen deze overeind probeerde te komen, die maakte dat hij het stenen beeldje pakte en daarmee [slachtoffer] op zijn hoofd heeft geslagen. In de blik van het slachtoffer zag verdachte dat als hij niet had geslagen met het ‘kippie’ hij anders het slachtoffer van [slachtoffer] was geweest.

Gelet op deze wisselende verklaringen is de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van een dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Het beroep op noodweer faalt dus.

De rechtbank acht het bewezenverklaarde strafbaar, nu ook overigens geen rechtvaardigingsgrond aanwezig wordt geacht.

Het onder primair tweede cumulatief/alternatief bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als doodslag.

6 De strafbaarheid van verdachte

Ten aanzien van het beroep op noodweerexces

De verdediging heeft betoogd dat verdachte subsidiair een beroep op noodweerexces toekomt, zodat hij ontslagen dient te worden van alle rechtsvervolging.

De rechtbank overweegt dat nu zij tot het oordeel is gekomen dat een beroep op noodweer faalt, nu niet voldoende aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, om die reden eveneens het beroep op noodweerexces faalt.

Ten aanzien van de toerekenbaarheid

De rechtbank heeft zich over de persoon van verdachte laten voorlichten door J.L.M.

Dinjens, psychiater en M.C. Overduin, psycholoog.

In het rapport van psychiater Dinjens van 29 februari 2016 wordt geconcludeerd dat bij verdachte sprake is van een chronische depressieve stoornis en van vermijdende persoonlijkheidstrekken (gebrekkige ontwikkeling). Hoewel het onderzoek beperkingen kende als gevolg van de gebrekkige psychische belastbaarheid van verdachte gedurende zijn huidige detentie, waren deze stoornissen naar het oordeel van de rapporteur ook ten tijde van het ten laste gelegde aanwezig. Verdachte heeft, afgaand op zijn verklaringen, in de aanloop naar het tenlastegelegde in toenemende mate spanningen en stress gestapeld. Hij vermeed moeilijke situaties en sprak niet over zijn emoties. Verdachte geraakte uiteindelijk in een benarde situatie, waarin zijn coping faalde en alle opgestapelde emoties naar buiten zijn geslagen. In het ten laste gelegde spelen volgens de rapporterend psychiater naar alle waarschijnlijkheid zowel stoornis gebonden, als situatieve, contextuele factoren een rol. Hoewel een doorwerking van de bij verdachte vastgestelde stoornissen aannemelijk wordt geacht, biedt de beschikbare gedragskundige informatie naar het oordeel van de psychiater onvoldoende basis voor een gedifferentieerd advies omtrent de (verminderde) mate van toerekeningsvatbaarheid van verdachte voor het ten laste gelegde.

Uit het rapport van psycholoog Overduin van 14 februari 2016 komt naar voren dat bij verdachte sprake is van een depressieve stoornis, recidiverend, mogelijk in combinatie met een andere stoornis. Diagnostiek op dit punt werd bemoeilijkt door het bij verdachte vastgestelde toestandsbeeld ten tijde van het onderzoek. Ook ten tijde van het ten laste gelegde was bij verdachte sprake van een depressieve stoornis.

Denkbaar is dat de depressieve symptomatologie tot op zekere hoogte doorgewerkt heeft in

het tot stand komen van het ten laste gelegde. Door de depressieve problematiek is/was

verdachte beperkt in zijn cognitief functioneren. In de situatie met het slachtoffer was hij

onvoldoende in staat afstand tot de voor hem bedreigende aspecten van het contact te

nemen en lijkt sprake te zijn geweest van een bovenmatige belasting van verdachte die

daarbij steeds meer angsten ontwikkeld lijkt te hebben. Angsten die de toch al geringe

draagkracht en copingmechanismen nog eens verzwakten. Naar het zich laat aanzien was

verdachte voorafgaand, ten tijde van en na het ten laste gelegde feit in mindere mate dan de

gemiddelde mens in staat situaties te beoordelen, keuzes te maken en zijn gedrag bij te

stellen. In welke mate de aanwezige problematiek hierop van invloed was, en in hoeverre specifieke situationele factoren hier aan hebben bijgedragen, is volgens de rapporterend psycholoog op basis van haar onderzoek niet concreet vast te stellen. De psycholoog onthoudt zich om die reden van een nader advies omtrent de mate van toerekeningsvatbaarheid van verdachte voor het ten laste gelegde.

De rechtbank verenigt zich met voormelde diagnostische conclusies en maakt die tot de hare. De rechtbank is op grond hiervan en op basis van de situatieve omstandigheden waaronder de verdachte tot het ten laste gelegde levensdelict is gekomen van oordeel, dat het hiervoor bewezen verklaarde hem in verminderde mate kan worden toegerekend.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straffen en maatregelen

7.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar onder primair tweede cumulatief/alternatief bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 jaar, met aftrek van voorarrest. De officier van justitie heeft het advies van de deskundigen om verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen overgenomen.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak, althans ontslag van alle rechtsvervolging bepleit.

De verdediging heeft voorts een strafmaatverweer gevoerd.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft een zakenkennis op zeer gewelddadige wijze van het leven beroofd, door meerdere malen met een betonnen voorwerp zijn schedel in te slaan.

Doodslag is een van de ernstigste delicten die het Wetboek van Strafrecht kent. Het recht op leven behoort tot de fundamenteelste rechten die in onze rechtsorde moeten worden beschermd. Verdachte heeft het slachtoffer dat recht ontnomen. Verdachte heeft door zijn handelen bovendien de nabestaanden onherstelbaar leed toegebracht. Zij zijn een dierbare verloren en hebben niet op respectvolle wijze afscheid van hem kunnen nemen.
Tot slot schokken dergelijke feiten de rechtsorde en brengen deze in de samenleving gevoelens van angst en onveiligheid teweeg. De rechtbank rekent verdachte dit alles ernstig aan.

Het feit waaraan verdachte zich schuldig heeft gemaakt rechtvaardigt het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van een lange duur. Bij het bepalen van deze duur zal de rechtbank er wel rekening mee houden dat het hier gaat om een uit de hand gelopen conflictueuze zakelijke relatie, waarbij verdachte zich jarenlang door het slachtoffer onder druk gezet heeft gevoeld, en geen manier zag om daaraan te ontsnappen. Uit diverse getuigen-verklaringen is immers naar voren gekomen dat verdachte bang was voor het slachtoffer en dat hij psychisch gebukt ging onder het veeleisende karakter van het slachtoffer, bij wie hij geldschulden had. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij het zat was. De door de getuigen als aardig, rustig en niet gewelddadig omschreven verdachte lijkt op 16 november 2015 - zoals hij ook zelf zegt - doorgedraaid te zijn.

De rechtbank is - anders dan de officier van justitie opmaakt uit de gedragingen van verdachte in de week na de doodslag - niet van oordeel dat verdachte berekenend te werk is gegaan. Uit de psychiatrische rapportage komt immers naar voren dat bedoelde inadequate gedragingen van verdachte beschouwd kunnen worden als een psychische afweerreactie en als zodanig passend kunnen zijn bij een heftig en emotioneel ingrijpend gebeuren als het onderhavige.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 25 april 2016, waaruit blijkt dat de verdachte een nagenoeg blanco justitiële voorgeschiedenis heeft;

- de door voornoemde deskundigen over verdachte opgemaakte dubbelrapportage, mede op grond waarvan de rechtbank het bewezen verklaarde aan verdachte in verminderde mate toerekent, en waarin de kans op recidive laag wordt ingeschat.

- het verdachte betreffend reclasseringsadvies van 3 maart 2016, opgemaakt door mw A.M. Brouwers, waarin volgt dat het recidiverisico als laag wordt ingeschat en waarin wordt geadviseerd om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

Ten voordele van verdachte houdt de rechtbank rekening met de volgende omstandigheden. Verdachte is een 61-jarige man, die niet eerder door een rechter is veroordeeld. Verdachte heeft uiteindelijk verantwoordelijkheid genomen voor zijn daad, door zich zelf bij de politie te melden en het stoffelijk overschot van het slachtoffer aan de politie over te dragen. De rechtbank neemt ten slotte ten gunste van verdachte in aanmerking zijn oprechte schuldbesef en spijtgevoelens, waarvan ter terechtzitting is gebleken.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van 7 jaren met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Daarbij heeft de rechtbank in de persoonlijke omstandigheden van verdachte, de toeloop naar het conflict en het feit dat de rechtbank anders dan de officier van justitie uit de gedragingen van verdachte in de week na de doodslag niet afleidt dat verdachte berekenend te werk is gegaan, aanleiding gevonden de op te leggen straf enigszins te matigen ten opzichte van de door de officier van justitie gevorderde straf.

8 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

8.1

Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde 1] en [slachtoffer]

Namens de nabestaanden [benadeelde 1] en [slachtoffer] is een vordering ingediend ter vergoeding van materiële schade, zijnde kosten van de uitvaart en de verklaring van erfrecht.

De behandeling van deze vordering levert niet een onevenredige belasting van het strafgeding op.

De officier van justitie heeft gerequireerd tot volledige toewijzing van de vordering.

De verdediging heeft primair niet ontvankelijkheid bepleit, subsidiair heeft zij zich aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd.

Het is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor primair bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op

€ 6.514,58 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 5.669,40 vanaf 21 december 2015 en over € 616,68 vanaf 2 februari 2016, beide tot de dag van algehele voldoening. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van de benadeelde partij voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd.

8.2

Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Namens de nabestaande [benadeelde 2] is een vordering ingediend ter vergoeding van immateriële schade, zijnde affectiekosten.

Door de gemachtigde is aangevoerd dat er aanleiding is om, in afwijking van het geldende recht, over te gaan tot vergoeding van affectieschade. Hierbij is aansluiting gezocht bij de Europese Richtlijn 2012/29 EU (die het slachtofferbegrip uitbreidt tot familieleden van slachtoffers) in relatie tot artikel 8 EVRM; het thans aanhangige wetsontwerp 34.236 (Wet tot implementatie van de richtlijn 2012/29/EU inzake minimumnormen voor slachtoffers van strafbare feiten) en voor wat betreft de hoogte van de vordering bij het wetsvoorstel 34.257 inzake affectieschade.

De officier van justitie heeft gerequireerd tot niet ontvankelijkheid van de vordering.

De verdediging heeft primair niet ontvankelijkheid bepleit omdat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, subsidiair heeft zij zich gerefereerd aan het standpunt van de officier van justitie.

Met betrekking tot de door de benadeelde partij gevorderde immateriële schade in verband met affectieschade overweegt de rechtbank als volgt.

Naar huidig Nederlandse recht is de mogelijkheid voor vergoeding van immateriële schade in verband met verlies van een dierbare zeer beperkt. Op grond van artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder a, van het Burgerlijk Wetboek kan zogeheten shockschade voor vergoeding in aanmerking komen. Daaronder valt echter niet de immateriële schade die is veroorzaakt door het verdriet vanwege het overlijden van een dierbare (affectieschade).
Artikel 8 EVRM noopt - naar de Hoge Raad heeft geoordeeld in het Taxibusarrest - er niet toe dat in de wetgeving wordt voorzien in een recht op (immateriële) schadevergoeding aan de ouder die een kind verliest als gevolg van het onrechtmatig handelen of nalaten van een ander. De Hoge Raad voegde daar in het arrest Vilt (HR 2009: BI 8583) aan toe dat dit niet anders is, als het gaat on (immateriële) schadevergoeding aan de nabestaanden van een opzettelijk misdrijf.

Met betrekking tot de door de benadeelde partijen aangehaalde Richtlijn 2012/29 EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ (PbEU 14 november 2012, L 315) overweegt de rechtbank dat de implementatietermijn van deze richtlijn is verstreken, terwijl deze nog niet is omgezet in Nederlandse wet- en regelgeving. Dit betekent dat een beroep kan worden gedaan op bepalingen van de richtlijn die rechtstreekse werking hebben. Het moet dan gaan om bepalingen die voldoende duidelijk en nauwkeurig zijn en die rechten toekennen aan individuen. Naar het oordeel van de rechtbank geeft geen van de bepalingen van de richtlijn aan slachtoffers, als waarvan in dit geval sprake is, concreet het recht op vergoeding van immateriële schade in de vorm van affectieschade. Het beroep op Richtlijn 2012/29 EU kan daarom niet slagen.

Tot slot ziet de rechtbank ook in een beroep op het bij de Tweede Kamer ingediende wetsvoorstel “affectieschade” geen ruimte om reeds thans tot vergoeding van affectieschade te komen. Zoals de Hoge Raad herhaalde malen heeft gesteld, heeft de rechter niet de vrijheid om, vooruitlopend op een eventueel door de wetgever door te voeren wijziging van de wet op dit punt, een zodanige vergoeding toe te kennen.

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren voor zover deze ziet op het toekennen van schadevergoeding van zogenaamde affectieschade. De rechtbank zal daarbij bepalen dat dit deel van de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 36f en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde en op de reeds aangehaalde artikelen

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart het onder primair eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder primair tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

doodslag

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 7 jaren.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Vordering benadeelde partijen [slachtoffer]

Wijst de (gezamenlijke) vordering van [benadeelde 3] en [benadeelde 1] toe tot € 6.514,58.

te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 5.669,40 vanaf 21 december 2015 tot aan de dag van de algehele voldoening, en over een bedrag van € 616,68 vanaf 2 februari 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde 3] en
[benadeelde 1] (gezamenlijk) voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde 3] en [benadeelde 1] (gezamenlijk) aan de Staat € 6.514,58 (zegge zesduizend vijfhonderdveertien euro en achtenvijftig eurocent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 5.669,40 vanaf 4 januari 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening en over een bedrag van € 616,68 vanaf 16 februari 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening,

bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 67 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Vordering benadeelde partij [benadeelde 2]

Verklaart [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat deze vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.M. de Stigter, voorzitter,

mrs. R.L.M. van Opstal en J.M.L. van Mulbregt, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.M. Westerhout, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 juli 2016.

BIJLAGE: De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

Primair

hij op of omstreeks 16 november 2015 te Utrecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland, opzettelijk en met voorbedachte rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, met een (hard) voorwerp meermalen tegen het hoofd en/of elders tegen het lichaam geslagen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is

overleden;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 289 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

hij op of omstreeks 16 november 2015 te Utrecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (hoofdletsel), heeft toegebracht, door opzettelijk die [slachtoffer] meermalen met een (hard) voorwerp tegen het hoofd en/of elders tegen het lichaam te slaan, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier met nummer 2015353099B (onderzoek 09Bison) bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344.1.5° Wetboek van Strafvordering, worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

2 Proces-verhaal van verhoor van verdachte van 7 december 2015, p. 205.

3 Proces-verbaal van verhoor van verdachte van 24 november 2015, p. 158.

4 Proces-verbaal van verhoor van verdachte van 7 december 2015, p. 205.

5 Proces-verbaal van verhoor van verdachte van 24 november 2015, p. 159.

6 Proces-verbaal van verhoor van verdachte van 24 november 2015, p. 161.

7 Proces-verhaal van verhoor van verdachte van 7 december 2015, p. 206.

8 Proces-verhaal van verhoor van verdachte van 7 december 2015, p. 205.

9 Map 1 Forensische Opsporing, een geschrift, zijnde het Rapport Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood, p. 159.

10 Map 1 Forensische Opsporing, een geschrift, zijnde het Rapport Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood, p. 160.