Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:3611

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
30-06-2016
Datum publicatie
08-07-2016
Zaaknummer
UTR 14/3381, UTR 14/3590, UTR 14/3385, UTR 14/3429 en UTR 14/3383
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

LFNP. Eisers komen niet op tegen matching als zodanig, maar vinden dat er te weinig punten voor de zogenoemde Onvermijdelijk Verzwarende Werkomstandigheden (OVW) zijn toegekend. De rechtbank is van oordeel dat het besluit tot overgang naar een LFNP functie tegelijk ook een besluit inhoudt over de waardering van de OVW. Eisers kunnen tegen dit in het bestreden besluit opgenomen onderdeel in beroep komen bij de rechter.

Onder ogen moet echter worden gezien dat de toepasselijke regeling, het Besluit bezoldiging politie (Bbp) in artikel 9a, eerste lid het recht op een hogere salarisschaal bij minimaal 24 OVW punten slechts verbindt aan de functies genoemd in bijlage 3 van het Bbp, aangeduid als “frontliniefuncties”. De functies van eisers komen niet op deze lijst voor en zijn niet als frontliniefunctie aangemerkt. Eisers hebben dan slechts belang bij hun beroep indien de algemene regeling van het Bbp op dit onderdeel buiten toepassing moet worden gelaten omdat aan deze regeling - kort gezegd - ernstig feilen kleeft. Daarvan is geen sprake. De Rechtbank ziet geen reden om te oordelen dat de functies van eisers bij het vaststellen van de frontliniefuncties over het hoofd zijn gezien. Het is verder niet uit te sluiten dat weliswaar de risico’s bij de functievervulling door eisers onvoldoende verschillen met de risico’s bij de uitoefening van de in bijlage 3 genoemde functies, maar kennelijk hebben verweerder en de vakbonden zich kunnen vinden in het trekken van een grens met de beperking tot de frontliniefuncties. Een dergelijke keuze is inherent aan het proces van geven en nemen van het collectief arbeidsvoorwaardenoverleg, met welk overleg een gemeenschappelijk belang is gediend. Er is in deze situatie geen sprake van een schending door de materiële wetgever van het gelijkheidsbeginsel, nu beslissing over de toekenning van OVW punten is gebaseerd op een met de vakbonden bereikte overeenstemming die in het ene geval wel en in het andere geval niet is verkregen.

Eisers hebben verder aangevoerd dat zij ten onrechte geen “Toeslag bezwarende functies” (TBF) toegekend hebben gekregen. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 26 november 2015 (ECLI:NL:RBGEL:2015:7366), de rechtsoverwegingen 15. tot en met 18. en neemt deze over. De conclusie is dat TBF geen onderdeel uitmaakt van de waardering van de LFNP functie waarnaar eiseressen zijn overgegaan zodat derhalve de hier over aangevoerde gronden buiten de omvang van dit geding vallen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: UTR 14/3381, UTR 14/3590, UTR 14/3385, UTR 14/3429 en UTR 14/3383

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2016 in de zaak tussen

[eiser 1] , te [woonplaats] , eiser 1

[eiser 2], te [woonplaats] , eiser 2

[eiseres 1], te [woonplaats] , eiseres 1,

[eiseres 2], te [woonplaats] , eiseres 2

[eiseres 3], te [woonplaats] , eiseres 3

(gemachtigde: mr. D.C. Coppens),

en

de korpschef van politie, verweerder

(gemachtigden: mr. P. Geraedts, de heer R.M.M. Paulssen en mr. N.E. Bensoussan).

Procesverloop

Bij besluit van 16 december 2013 (het primaire besluit 1) heeft verweerder onder meer bepaald dat eiser 1 met ingang van 1 januari 2012 over gaat naar de functie Bedrijfsvoeringspecialist A op grond van het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP). Deze functie is gewaardeerd in schaal 9.

Bij besluit van 16 december 2013 (het primaire besluit 2) heeft verweerder onder meer bepaald dat eiser 2 met ingang van 1 januari 2012 over gaat naar de functie Generalist Intelligence op grond van het LFNP. Deze functie is gewaardeerd in schaal 7.

Bij besluit van 16 december 2013 (het primaire besluit 3) heeft verweerder onder meer bepaald dat eiseres 1 met ingang van 1 januari 2012 over gaat naar de functie Gespecialiseerd Medewerker C op grond van het LFNP. Deze functie is gewaardeerd in schaal 9.

Bij besluit van 16 december 2013 (het primaire besluit 4) heeft verweerder onder meer bepaald dat eiseres 2 met ingang van 1 januari 2012 over gaat naar de functie Medewerker Intelligence op grond van het LFNP. Deze functie is gewaardeerd in schaal 6.

Bij besluit van 16 december 2013 (het primaire besluit 5) heeft verweerder onder meer bepaald dat eiseres 3 met ingang van 1 januari 2012 over gaat naar de functie Generalist Intelligence op grond van het LFNP. Deze functie is gewaardeerd in schaal 7.

Bij besluiten van 30 april 2014 (de bestreden besluiten) heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen voornoemde primaire besluiten ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen de bestreden besluiten (separaat) beroep ingesteld.

Verweerder heeft in alle beroepen een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek in deze zaken heeft gelijktijdig ter zitting plaatsgevonden op 1 maart 2016. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. De besluiten van verweerder in deze zaak zijn gebaseerd op artikel 5 van de Regeling overgang naar een LFNP functie (hierna: de Regeling). Hierin is bepaald dat voor de toekenning van en overgang naar een LFNP functie de uitgangspositie en de transponeringstabel bepalend zijn (tweede en derde lid), zij het met een mogelijkheid voor verweerder om - na afweging van de belangen van het individu en van de organisatie - daarvan af te wijken indien dit in individuele gevallen leidt tot onbillijkheden van overwegende aard of indien sprake is van een bijzondere situatie (vierde lid, hierna: de hardheidsclausule). De transponeringstabel is als bijlage gevoegd bij de Regeling.

2. De rechtbank stelt vast dat eisers ter zitting desgevraagd hebben verklaard dat zij met deze beroepen niet willen opkomen tegen de aan ieder van hen toegekende LFNP functie (matching) als zodanig, maar dat zij van mening zijn dat er aan de functies waarnaar zij zijn overgegaan te weinig punten voor de zogenoemde Onvermijdelijk Verzwarende Werkomstandigheden (OVW) zijn toegekend. In het verlengde daarvan hebben eiser 1 en eiseres 1 ter zitting hun beroepsgrond, dat zij met een andere functie hadden moeten worden gematcht, ingetrokken. Eisers hebben ter onderbouwing van hun (resterende) standpunt aangevoerd dat ook aan hun LFNP functies, net als de LFNP functies van collega’s met vergelijkbare werkzaamheden, 24 OVW-punten moeten worden toegekend. Eisers hebben zich verder op het standpunt gesteld dat de vaststelling van OVW-punten een onderdeel van de functiewaardering is zoals die tot uitdrukking komt in het matchingsbesluit en dat zij tegen dit onderdeel van het matchingsbesluit op kunnen komen.

3. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of OVW-punten een onderdeel van functiewaardering zijn.

3.1

In de door verweerder overgelegde brief van 11 juni 2014 van mr. G.L. Bouman, korpschef Nationale Politie, staan onder andere de volgende relevante passages:

[…]“omdat de toekenning van OVW-punten aan LFNP-functies onlosmakelijk verbonden is met de toekenning van punten onder de drie andere Waarderingsindicatoren […]”

“Bij het ontwerp van FUWA-Pol LFNP is geredeneerd vanuit de LFNP niveau-indicatoren”

“Hiermee is een 1:1 aansluiting tussen LFNP niveau-indicatoren en de Fuwa-Pol LFNP waarderingsindicatoren gerealiseerd”

“Zoals hierboven uiteen gezet wordt in de vierde indicator, de onvermijdelijk Verzwarende Werkomstandigheden het risico dat inherent aan de functie is verbonden verwoord: Het zijn de werkomstandigheden die de functie zwaarder maken Deze indicator geeft niet het niveau aan waarop een functie in het functiegebouw zit maar geeft aan of de functie elementen bevat die een nadelige invloed kunnen hebben op en voor de functionaris. Deze indicator wordt als toegevoegde component meegenomen in de waardering.”

3.2

Artikel 1 van het Besluit bezoldiging politie (Bbp) geeft de definitie van OVW punten als:

punten zoals die met toepassing van het functiewaarderingssysteem zoals bedoeld in artikel 6 tweede lid worden vastgesteld”. Artikel 6, tweede lid Bbp bepaalt: “Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de functies en de bij de functies behorende waardering.” De bedoelde ministeriele regeling is de “Regeling vaststelling systeem functiewaardering Nederlandse politie” welke regeling verwijst naar een drietal verder niet gepubliceerde bijlagen.

3.3

In de CAO Politie van 2012-2014 staat in hoofdstuk 3 onder d – voor zover thans van belang – het volgende:

“Partijen komen overeen dat voor degenen die op het maximum van de schaal behorende bij hun functie zitten én een functie vervullen waaraan door het nieuwe functiewaarderingssysteem ten minste 24 punten voor Onvermijdelijk Verzwarende Werkomstandigheden (OVW) zijn toegekend (de zgn. “frontliniefuncties), vanaf 1 januari het uitzicht ontstaat op OVW-periodieken.”

4. Gelet op het voorgaande en gelet op het feit dat de gemachtigden van verweerder ter zitting meerdere malen hebben aangeven dat de OVW-punten een onderdeel zijn van de waardering, is de rechtbank van oordeel dat de vaststelling van OVW-punten voor ieder van eisers een onderdeel is van hun functiewaardering.

5. Eisers komen dan ook met hun beroep op tegen de in de matchingsbesluiten (de bestreden besluiten) besloten waardering van de LFNP functie op de indicator van de verzwarende werkomstandigheden. De rechtbank ziet zich voor de vervolgvraag gesteld of dit mogelijk is.

6. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend. Gelet op vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB, zie bijvoorbeeld de uitspraken van de CRvB van 9 juli 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ3439 en 5 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1546) is de rechtbank van oordeel dat een ambtenaar in het kader van bezwaar en beroep tegen een besluit tot toekenning van en overgang naar een LFNP functie ook de waardering van de betreffende functie aan de orde kan stellen. Dat bij het matchingsbesluit nog niet het aantal OVW-punten is vastgesteld, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat eisers niet tegen de waardering konden opkomen. Bij de functiebeschrijving is immers al vastgesteld of er zich OVW-indicatoren voordoen en zo ja in welke mate deze zich voordoen. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank ook geen aanleiding om het bezwaar gericht tegen de op een latere datum dan de bestreden besluiten genomen besluiten van 16 december 2014 op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in onderhavige procedure te betrekken. Uit deze besluiten vloeit immers geen nieuw rechtsgevolg zodat deze niet kunnen worden aangemerkt als nieuwe of vervangende besluiten.

7. De rechtbank heeft daarnaast het volgende onder ogen gezien. In artikel 9a, eerste lid, van het Bbp is bepaald dat de ambtenaar die het maximum van de schaal behorende bij een functie met 24 of meer OVW punten, zoals opgenomen in bijlage 3, heeft bereikt, met behoud van deze schaal en met inachtneming van het tweede lid, extra periodieken ter hoogte van de in de volgende salarisschaal opgenomen periodieken wordt toegekend. De rechtbank stelt vast dat de functies van eisers niet op deze in bijlage 3 opgenomen lijst voorkomen. Op grond van deze regeling komen eisers niet in aanmerking voor het door hen gewenste resultaat van het alsnog toekennen van de OVW-punten, namelijk dat ook aan hen de doorgroei in periodieken van de volgende salarisschaal wordt geboden. In de gronden ligt echter besloten dat eisers ook tegen die conclusie opkomen, zodat zij belang houden bij de beoordeling van hun beroepen.

8. Ingevolge vaste jurisprudentie van de CRvB heeft in het algemeen te gelden dat het aan de materiële wetgever is voorbehouden om alle betrokken belangen af te wegen en moet de rechter het resultaat daarvan respecteren. Dit uitgangspunt lijdt uitzondering indien aan de inhoud of de wijze van totstandkoming van een algemeen verbindend voorschrift zodanige ernstige feilen kleven dat dit voorschrift om die reden niet als grondslag kan dienen voor daarop in concrete gevallen te baseren besluiten. Dat brengt met zich dat de rechter bij de behandeling van een beroep dat tegen een in concreto genomen besluit is ingesteld, ook gehouden is om - met terughoudendheid - te toetsen of het desbetreffende algemeen verbindende voorschrift een voldoende deugdelijke grondslag voor dat besluit vormt. Bij die, niet rechtstreekse, toetsing van het algemeen verbindend voorschrift vormen de algemene rechtsbeginselen en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur een belangrijk richtsnoer.

9. Eisers hebben in dit kader aangevoerd dat hun functiegroep door verweerder over het hoofd is gezien en hebben in dit kader verwezen naar een brief van 25 april 2014 die namens de (tijdelijke) sectorhoofden van de 11 Informatie Organisaties aan de korpsleiding is gestuurd. Verder hebben eisers een beroep op het gelijkheidsbeginsel gedaan. Zij hebben in dit kader aangevoerd dat andere functies wel 24 OVW-punten (met doorgroeimogelijkheid in de volgende salarisschaal) toegekend hebben gekregen, terwijl de risico’s eigenlijk gelijk zijn.

10. De rechtbank is van oordeel dat hetgeen eisers hebben aangevoerd geen grond oplevert voor het oordeel dat de in rechtsoverweging 8 genoemde uitzonderingssituatie zich hier voordoet. De rechtbank overweegt daartoe dat uit eerdergenoemde brief van 11 juni 2014 van mr. G.L. Bouman volgt dat er wel degelijk aandacht is besteed aan de functies van eisers, maar dat er in overleg met de vakbonden geen aanleiding is gezien om aan deze functies 24 OVW-punten of meer toe te kennen. Gelet op deze afstemming met de vakbonden is er geen grond om aan te nemen dat de positie van eisers over het hoofd is gezien. Verder is de rechtbank van oordeel dat een beroep op het gelijkheidsbeginsel niet kan slagen. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat geen sprake is van gelijke gevallen, nu enkel bij functies in de eerste lijn 24 of meer OVW-punten zijn toegekend en dat ook dit uitgangspunt in overleg met de vakbonden tijdens het Georganiseerd Overleg Politie (GOP) is vastgesteld. De rechtbank ziet geen reden tot twijfel aan de - overigens door eisers ook niet betwiste - juistheid van deze informatie. De rechtbank overweegt in dit kader dat ook uit de eerder geciteerde passage van de CAO Politie 2012-2014 volgt dat er bewust is gekozen om enkel aan “frontliniefuncties” 24 of meer OVW-punten toe te kennen. Verder staat ook op de website van de Nederlandse Politiebond onder het kopje “Veel gestelde vragen over de OVW-regeling” dat is afgesproken met verweerder om “frontliniemedewerkers” een rechtspositionele aanspraak te geven op extra periodieken. De rechtbank is gelet op voorgaande van oordeel dat de vakbonden kennelijk een onderscheid hebben willen maken tussen “frontliniefuncties” en andere functies. De functies van eisers zijn niet als “frontliniefuncties” aangemerkt. Het is niet uit te sluiten dat de zwaarte van de risico’s bij de functievervulling door eisers onvoldoende verschilt met de zwaarte van de risico’s bij de uitoefening van de frontliniefuncties, maar kennelijk hebben verweerder en de vakbonden zich kunnen vinden in het trekken van een grens met de beperking tot de frontliniefuncties. Een dergelijke keuze is inherent aan het proces van geven en nemen van het collectief arbeidsvoorwaardenoverleg, met welk overleg een gemeenschappelijk belang is gediend. Er is in deze situatie geen sprake van een schending door de materiële wetgever van het gelijkheidsbeginsel, nu beslissing over de toekenning van OVW punten is gebaseerd op een met de vakbonden bereikte overeenstemming die in het ene geval wel en in het andere geval niet is verkregen.

De beroepsgronden slagen niet.

11. Eisers hebben verder aangevoerd dat zij ten onrechte geen “Toeslag bezwarende functies” (TBF) toegekend hebben gekregen.

12. De rechtbank stelt vast dat ter zitting is gebleken dat eiser 1 en eiser 2 wel TBF ontvangen, zodat hun beroepsgronden reeds daarom niet slagen. Ten aanzien van eiseressen overweegt de rechtbank als volgt. Voor zover eiseressen met hun beroep hebben willen aanvoeren dat een aan hun voormalige korpsfunctie verbonden recht op TBF bij de toekenning en overgang naar hun LFNP functie had moeten zijn behouden, verwerpt de rechtbank de beroepsgrond nu eiseressen desgevraagd ter zitting hebben verklaard vóór de overgang naar de LFNP geen aanspraak te hebben gehad op TBF. Voor zover eiseressen met hun beroep hebben willen aanvoeren dat bij de vaststelling van de LFNP functies opnieuw is bepaald of aan die functie aanspraak op TBF is verbonden en dat deze toekenning van het recht op TBF ten onrechte niet is verbonden aan de LFNP functie waarnaar zij zijn overgegaan, faalt het beroep eveneens. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 26 november 2015 (ECLI:NL:RBGEL:2015:7366), de rechtsoverwegingen 15. tot en met 18. en neemt deze over. De conclusie is dat TBF geen onderdeel uitmaakt van de waardering van de LFNP functie waarnaar eiseressen zijn overgegaan zodat derhalve de hier over aangevoerde gronden buiten de omvang van dit geding vallen.

13. De beroepen zijn ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Slootweg, rechter, in aanwezigheid van

L.S. Lodder, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2016.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.