Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:357

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
21-01-2016
Datum publicatie
18-03-2016
Zaaknummer
4344452 UE VERZ 15-411 en 4405434 UE VERZ 15-436
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Vernietiging ontslag op staande voet (geen dringende reden) - verzoek om ontbinding afgewezen (niet voldaan aan d-grond (geschiktheid functie), g-grond (verstoorde arbeidsverhouding) en h-grond (vangnetbepaling) - wettelijke verhoging - rectificatie.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 669
Burgerlijk Wetboek Boek 7 671
Burgerlijk Wetboek Boek 7 671b
Burgerlijk Wetboek Boek 7 677
Burgerlijk Wetboek Boek 7 681
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/792
JAR 2016/50 met annotatie van mr. J. Dop
AR-Updates.nl 2016-0291
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummers:

4344452 UE VERZ 15-411 GLK/1126 (ontslag op staande voet)

4405434 UE VERZ 15-436 GLK/1126 (ontbinding)

Beschikking van 21 januari 2016

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [verzoekster] ,

verzoekster,

gemachtigde: mr. J.F. Holsteijn,

tegen:

de Stichting AFS Nederland,

statutair gevestigd te Amsterdam,

kantoorhoudende te Vinkeveen,

verder ook te noemen AFS,

verweerster,

gemachtigde: mr. M.C. Spil.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de beschikking (in het incident) van 14 oktober 2015 met zaaknummer

4344501 UE VERZ 15-412;

  • -

    de akte overlegging producties van 19 oktober 2015 van AFS;

  • -

    het verweerschrift op het voorwaardelijk zelfstandig verzoek van 10 december 2015

van [verzoekster] ;

- de reactie op het verweerschrift tevens akte overlegging producties van

16 december 2015 van AFS;

  • -

    de pleitnota van [verzoekster] ;

  • -

    de aantekeningen van de mondelinge behandeling van 17 december 2015.

1.2.

Hierna is uitspraak bepaald.

2 De feiten

2.1.

Voor de vaststaande feiten wordt allereerst verwezen naar voornoemde beschikking van 14 oktober 2015.

2.2.

In het verslag van het functioneringsgesprek dat [verzoekster] op 5 januari 2015 heeft gehad met de voorzitter van het bestuur van AFS, [A] (hierna: [A] ), is onder meer het volgende opgenomen:

[A] (opmerking kantonrechter: [A] ) geeft aan dat dit een bijzonder jaar is geweest en het functioneringsgesprek een 0 meting betreft. (…) Het is verheugend dat het jaar (opmerking kantonrechter: 2014) positief kon worden afgesloten, maar ook moet worden vastgesteld dat er verbeteringen in de financiële rapportage mogelijk zijn. Het had dus ook anders kunnen lopen. Met andere woorden de bedrijfsvoering is nog niet voldoende in control.

Vastgesteld wordt dat het activiteitenplan voor 2015 (na formele vaststelling door bestuur) meetpunt is voor het functioneringsgesprekaan het einde van 2015.
Daarnaast is de ambitie van [verzoekster] (opmerking kantonrechter: [verzoekster] ) dat met name de ontwikkeling van het vrijwilligersnetwerk prioriteit nummer 1 is. Via deze weg moet groei tot stand komen (in aantallen en kwaliteit) die de duurzaamheid van AFS garanderen, over 5 en 10 jaar.
Wil AFS onderscheidend zijn en blijven, dan moet gewerkt worden aan de verbetering van de service. [verzoekster] ziet het kantoor vooral als ondersteunend aan de vrijwilligers. Bovendien moet ICL veel meer ontwikkeld worden, ook als deel van de training van vrijwilligers.
In het activiteitenplan voor 2016 zullen een aantal van deze zaken SMART geformuleerd moeten worden. Afgesproken wordt dat als meetpunt voor volgend gesprek de handleidingen van het kantoor voor de vrijwilligers ge-updated zijn.


(…)

Afgelopen Juli hebben [verzoekster] en [A] een gesprek gehad over de noodzaak een andere relatie op te bouwen. Dat gesprek was gericht om continuering van het dienstverband, maar wel gebaseerd op een andere relatie met het bestuur. [verzoekster] heeft getoond met een andere aanpak haar voordeel te doen. Dat siert haar. (…)

2.3.

Na de mondelinge behandeling van 31 augustus 2015, die heeft geleid tot de beschikking van 14 oktober 2015, is [verzoekster] ziek geworden en heeft zij zich ziek gemeld.

3 Het geschil

zaak 4344452 UE VERZ 15-411

3.1.

[verzoekster] verzoekt:

primair:

  1. vernietiging van het op 15 juli 2015 door AFS verleende ontslag op staande voet;

  2. veroordeling van AFS om aan [verzoekster] haar loon te betalen van € 3.250,45 bruto per maand, vanaf 1 juli 2015 tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn beëindigd;

– conform de ter zitting uitgebrachte vermeerdering van eis – veroordeling van AFS om het toegewezen loon van 1 tot en met 14 juli 2015 te verhogen met 30% en vanaf 15 juli 2015 met maximaal 50% ex artikel 7:625 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) voor zover AFS met tijdige betaling in gebreke blijft;

veroordeling van AFS om de onder b en c bedoelde bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente, voor wat betreft de bedragen waarvan het verzuim al is ingetreden met ingang van het tijdstip van de indiening van dit verzoek en voor wat betreft de bedragen die nader opeisbaar zullen worden vanaf het tijdstip waarop het verzuim is ingetreden, tot de dag der voldoening;

veroordeling van AFS om de navolgende rectificatie te zenden aan alle personen binnen en buiten AFS die schriftelijk of per e-mail op de hoogte zijn gesteld van het ontslag, de ontvangers van de nieuwsbrief van 30 juli 2015 daaronder begrepen, onder gelijktijdige verzending van de adressenlijst die daarbij wordt gevolgd aan [verzoekster] :
“De Rechtbank Midden-Nederland sector kanton zitting houdende te Utrecht heeft op [datum] geoordeeld dat AFS Nederland [verzoekster] op 15 juli 2015 ten onrechte op staande voet heeft ontslagen en dat AFS geen gronden heeft kunnen waarmaken op grond waarvan dat ontslag is verleend en heeft AFS Nederland veroordeeld tot het verzenden van deze rectificatie om de met het ontslag op staande voet toegebrachte schade aan de goede naam [verzoekster] zoveel mogelijk teniet te doen.” (in internationaal verband te verzenden in een correcte Engelse vertaling), hetzij een door de kantonrechter in deze juist en passend geachte rectificatie, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,- voor iedere dag dat zij in gebreke blijft om aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 50.000,-;

subsidiair (voor het geval er redenen ontstaan om in het ontslag te berusten):

veroordeling van AFS om binnen tien dagen na de datum van de in deze te wijzen beschikking aan [verzoekster] te betalen:

  1. een billijke vergoeding van € 50.000,-;

  2. een transitievergoeding ter hoogte van één zesde van het maandsalaris per zes maanden dat het dienstverband heeft geduurd, met ingang van 30 november 2009 tot de datum dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd;

  3. de wettelijke rente over de onder a en b genoemde bedragen;

met veroordeling van AFS in de kosten van de procedure en met uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de beschikking.

3.2.

[verzoekster] legt aan haar verzoek ten grondslag dat AFS haar ten onrechte op staande voet heeft ontslagen, omdat van een dringende reden geen sprake is. Zij berust niet in het ontslag zodat (alleen) haar primaire verzoeken voorliggen.

3.3.

AFS concludeert tot afwijzing van de verzoeken van [verzoekster] , met veroordeling van [verzoekster] in de proceskosten en de nakosten.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

zaak 4405434 UE VERZ 15-436

3.5.

AFS verzoekt voorwaardelijk, indien en voor zover de arbeidsovereenkomst van [verzoekster] niet is geëindigd door het ontslag op staande voet op 15 juli 2015, om de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] te ontbinden per eerst mogelijke datum, zonder toekenning van een vergoeding aan [verzoekster] , althans subsidiair met toekenning van een transitievergoeding van € 7.020,- bruto aan [verzoekster] , een en ander met veroordeling van [verzoekster] in de kosten van deze procedure waaronder het salaris van de gemachtigde van AFS en de nakosten en voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de beschikking.

3.6.

AFS legt aan haar verzoek ten grondslag dat zich drie redelijke gronden voordoen als bedoeld in artikel 7:669 lid 1 in samenhang met lid 3 BW.

Ten eerste stelt zij dat sprake is van disfunctioneren (lid 3 sub d). Na het aantreden van [verzoekster] als directeur is zowel het aantal uitwisselingsstudenten dat naar het buitenland gaat als het aantal uitwisselingsstudenten dat naar Nederland komt sterk gedaald. Daarnaast heeft AFS met [verzoekster] als directeur in vijf van de zes jaren een fors negatief resultaat behaald. Weliswaar was er in 2014 een positief resultaat, maar onduidelijk is wat hiervan de oorzaak is. Onder het bewind van [verzoekster] is AFS onder toezicht van AFS International komen te staan vanwege de voortdurende financiële tekorten. [verzoekster] ontwikkelde geen enkel initiatief om de situatie te verbeteren en zij gaf het bestuur geen volledige informatie over de (financiële) situatie van AFS. Daarnaast leidde de opstelling van [verzoekster] tot frustratie bij de vrijwilligers, waardoor deze minder actief werden of zelfs afhaakten.

Ten tweede stelt AFS dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding (lid 3 sub g). Doordat [verzoekster] op 4 juli 2015 een e-mailbericht heeft gestuurd naar AFS International waarin zij de problemen in de samenwerking tussen haar en [A] aan de orde stelt is de arbeidsverhouding ernstig verstoord. Het bestuur heeft dit e-mailbericht opgevat als een opzegging van het vertrouwen in het bestuur door [verzoekster] . De weigering van [verzoekster] op 14 juli 2015 om met [A] in gesprek te gaan heeft de verhoudingen vervolgens nog verder verslechterd, aldus AFS. Daarnaast waren er in de periode daaraan voorafgaand ook al de nodige botsingen geweest tussen [verzoekster] en het bestuur.

Ten derde stelt AFS dat, voor zover voornoemde gronden niet ieder voor zich tot ontbinding leiden, ze in ieder geval in samenhang bezien moeten leiden tot het oordeel dat het van haar niet kan worden gevergd om de arbeidsovereenkomst voort te laten duren (lid 3 sub h).

3.7.

[verzoekster] concludeert (primair) tot afwijzing van het verzoek, althans (subsidiair) tot toekenning van een transitievergoeding, alsmede een billijke vergoeding van € 50.000,-, met veroordeling van AFS in de proceskosten. Zij betwist dat sprake is van een redelijke grond als bedoeld in artikel 7:669 lid 1 in samenhang met lid 3 BW.

3.8.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Ontslag op staande voet

4.1.

De kantonrechter kan op grond van artikel 7:681 lid 1 sub a BW op verzoek van de werknemer de opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever vernietigen indien de werkgever heeft opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW. Uit artikel 7:671 BW, waarin wordt verwezen naar artikel 7:677 lid 1 BW, volgt dat een werkgever de arbeidsovereenkomst zonder instemming van de werknemer kan opzeggen als het gaat om een onverwijlde opzegging om een dringende reden, dat is het ontslag op staande voet. Op grond van artikel 7:677 lid 1 BW is ieder der partijen bevoegd de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen om een dringende reden, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij.

4.2.

Artikel 7:678 lid 1 BW bepaalt dat voor de werkgever als dringende redenen worden beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling van de vraag of van zodanige dringende reden sprake is, moeten de omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Daarbij behoren in de eerste plaats in de beschouwing te worden betrokken de aard en ernst van hetgeen de werkgever als dringende reden aanmerkt. En verder onder meer de aard van de dienstbetrekking, de duur daarvan en de wijze waarop de werknemer die dienstbetrekking heeft vervuld, alsmede de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor hem zou hebben. Toegespitst op het geschil van partijen overweegt de kantonrechter het volgende.

4.3.

Bij voornoemde beschikking van 14 oktober 2015 heeft de kantonrechter, in het kader van de door [verzoekster] verzochte voorlopige voorzieningen, geoordeeld dat onvoldoende aannemelijk is dat [verzoekster] (hardnekkig) heeft geweigerd om te voldoen aan redelijke bevelen of opdrachten van AFS. In aansluiting daarop heeft de kantonrechter bij die beschikking geoordeeld dat voldoende aannemelijk wordt geacht dat de opzegging door AFS in de hoofdzaak zal worden vernietigd.

4.4.

Na de beschikking van 14 oktober 2015 zijn er op dit punt geen nieuwe feiten naar voren gekomen. In aansluiting op de overwegingen in die beschikking is de kantonrechter van oordeel dat er geen sprake is van zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van [verzoekster] , die ten gevolge hebben dat van AFS redelijkerwijze niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij gebreke van een dringende reden heeft AFS de arbeidsovereenkomst in strijd met artikel 7:671 BW opgezegd. De kantonrechter zal het primaire verzoek van [verzoekster] om het ontslag op staande voet te vernietigen dan ook toewijzen. Voor de motivering van dit oordeel wordt verwezen naar de rechtsoverwegingen 4.3, 4.4 en 4.5 van de beschikking van 14 oktober 2015.

Ontbinding

4.5.

Artikel 7:671b lid 1 BW bepaalt dat de kantonrechter op verzoek van de werkgever de arbeidsovereenkomst kan ontbinden indien daar – kort gezegd – een redelijke grond als bedoeld in artikel 7:669 BW voor is. De kantonrechter dient die redelijke grond te onderzoeken aan de hand van artikel 7:671b lid 2 BW.

4.6.

Van opzegverboden zoals bedoeld in artikel 7:671b lid 2 BW is ten aanzien van het onderhavige verzoek niet gebleken. Weliswaar is [verzoekster] nu ziek, maar omdat zij ziek is geworden nadat de kantonrechter het verzoek om ontbinding heeft ontvangen, geldt het opzegverbod wegens ziekte gelet op artikel 7:671b lid 7 BW niet. Bovendien houdt het verzoek tot ontbinding geen verband met haar ziekte, zodat het opzegverbod wegens ziekte ook gelet op artikel 7:671b lid 6 sub a BW niet in de weg staat aan de ontbinding.

4.7.

Artikel 7:669 lid 1 BW bepaalt, voor zover hier van belang, dat de werkgever de arbeidsovereenkomst kan opzeggen indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn, al dan niet met behulp van scholing, in een andere passende functie niet mogelijk is of in de rede ligt.

Ongeschiktheid voor de functie

4.8.

Artikel 7:669 lid 3 sub d BW bepaalt dat onder een redelijke grond als bedoeld in lid 1 mede wordt verstaan de ongeschiktheid van de werknemer tot het verrichten van de bedongen arbeid, anders dan ten gevolge van ziekte of gebreken van de werknemer, mits de werkgever de werknemer hiervan tijdig in kennis heeft gesteld en hem in voldoende mate in de gelegenheid heeft gesteld zijn functioneren te verbeteren en de ongeschiktheid niet het gevolg is van onvoldoende zorg van de werkgever voor de scholing van de werknemer of voor de arbeidsomstandigheden van de werknemer.

4.9.

Uit het verslag van het meest recente functioneringsgesprek dat [verzoekster] op 5 januari 2015 heeft gehad blijkt dat dat gesprek een 0-meting betrof en dat het nog op te stellen activiteitenplan voor 2015 het meetpunt zou zijn voor het functioneringsgesprek aan het einde van 2015. Ter zitting heeft [A] gesteld dat het bestuur in maart 2015 constateerde dat [verzoekster] bepaalde stukken die in het activiteitenplan 2015 zouden worden opgenomen nog niet had aangeleverd. Het bestuur heeft toen besloten om samen met [verzoekster] en de andere kantoormedewerkers aan deze stukken te gaan schrijven. Verder heeft [A] gesteld dat zij in mei en juni 2015 weinig contact heeft gehad met [verzoekster] , omdat zij beiden veel in het buitenland waren, alsmede dat op de bestuursvergadering van 27 juni 2015 bleek dat [verzoekster] nog weinig was opgeschoten met een en ander en dat het contact met de vrijwilligers slecht verliep. Daarnaast leverde [verzoekster] niet de informatie aan die het bestuur wenste te hebben, aldus [A] . [verzoekster] heeft in dit verband gesteld dat zij een week/anderhalve week voorafgaand aan de bestuursvergadering van 27 juni 2015 een directierapportage had ingediend en dat zij er pas tijdens de bestuursvergadering mee werd geconfronteerd dat dat niet de informatie was die het bestuur wilde hebben. AFS heeft dat niet weersproken.

4.10.

Uit het verslag van het functioneringsgesprek blijkt dat [verzoekster] aan het einde van 2015 beoordeeld zou worden op basis van het nog op te stellen activiteitenplan 2015. Hier is het echter niet van gekomen, omdat het bestuur in de eerste helft van 2015 zodanige kritiek kreeg op het functioneren van [verzoekster] dat zij de arbeidsovereenkomst met haar niet wilde voortzetten. [verzoekster] voelde ook aan, zo heeft zij gesteld, dat [A] steeds negatiever over haar werd. Het bestuur heeft [verzoekster] echter onvoldoende op de hoogte gebracht van de exacte inhoud van deze kritiek en zij heeft [verzoekster] onvoldoende duidelijk gemaakt wat precies van haar werd verwacht. AFS is ook geen verbetertraject met [verzoekster] aangegaan. Dat [verzoekster] zaken bewust anders heeft voorgespiegeld dan ze waren, zoals AFS heeft aangevoerd, is niet gebleken. Concluderend heeft AFS [verzoekster] naar het oordeel van de kantonrechter niet tijdig in kennis gesteld van de punten waarop zij onvoldoende functioneerde en zij heeft [verzoekster] onvoldoende in de gelegenheid gesteld om haar functioneren te verbeteren. Er is dan ook geen sprake van een redelijke grond in de zin van artikel 7:669 lid 3 sub d BW.

Verstoorde arbeidsverhouding

4.11.

Artikel 7:669 lid 3 sub g BW bepaalt dat onder een redelijke grond als bedoeld in lid 1 mede wordt verstaan een verstoorde arbeidsverhouding, zodanig dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

4.12.

In de beschikking van 14 oktober 2015 heeft de kantonrechter, in het kader van de door [verzoekster] verzochte voorlopige voorzieningen, overwogen dat in ieder geval sinds eind juni of begin juli 2015 de verstandhouding tussen [verzoekster] en het bestuur ernstig is verstoord. Na de beschikking van 14 oktober 2015 zijn er op dit punt geen nieuwe feiten naar voren gekomen. De kantonrechter komt ook nu tot het oordeel dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding tussen partijen. Dit gegeven is sinds de inwerkingtreding van de Wet Werk en Zekerheid per 1 juli 2015 niet zonder meer voldoende om de arbeidsovereenkomst op grond van een verstoorde arbeidsverhouding te ontbinden. Daarvoor is vereist dat van AFS redelijkerwijs niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortbestaan. Hierbij geldt dat de werkgever zich in voldoende mate moet hebben ingespannen om de arbeidsrelatie te herstellen. Dit heeft AFS in deze zaak naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende gedaan. Hiertoe wordt als volgt overwogen.

4.13.

AFS verwijt [verzoekster] dat zij het vertrouwen in het bestuur heeft opgezegd door haar e-mailbericht aan AFS International van 4 juli 2015 en zij stelt dat [verzoekster] niet bereid bleek om stappen te zetten om de verstoorde relatie te herstellen. [verzoekster] heeft in haar bericht van 4 juli 2015 aan AFS International – met afschrift aan het bestuur – de problemen in de samenwerking tussen haar en [A] aan de orde gesteld en zij heeft verzocht om bemiddeling door AFS International. Het was verstandiger geweest als [verzoekster] het bestuur vooraf had geïnformeerd over haar intentie om AFS International op de hoogte te stellen van de situatie zoals zij die ervoer. Door het bericht aan AFS International kwam het bestuur in een lastige positie. Het bestuur heeft dit e-mailbericht opgevat als een motie van wantrouwen en, in plaats van te proberen met [verzoekster] in gesprek te komen, heeft zij de verhoudingen op scherp gezet door aan [verzoekster] de opdracht te geven om te laten weten hoe zij deze vertrouwensbreuk dacht te gaan herstellen. AFS heeft ten onrechte niet de regie gevoerd nadat [verzoekster] een e-mailbericht aan AFS International had gestuurd. AFS is ook niet ingegaan op het voorstel van [verzoekster] om in mediation te gaan, hetgeen wel op haar weg had gelegen, althans van AFS mocht verlangd worden dat zij zich (meer) had ingespannen om door gesprekken de relatie tussen [verzoekster] en [A] te herstellen. De verstoorde verstandhouding die in die impasse is ontstaan is daarom naar het oordeel van de kantonrechter geen grond voor ontbinding in de zin van artikel 7:669 lid 3 sub g BW. Het ligt op de weg van AFS en [verzoekster] om zich (alsnog) in te spannen voor een herstel van de verhoudingen, eventueel via mediation.

Vangnetbepaling

4.14.

Artikel 7:669 lid 3 sub h BW bepaalt dat onder een redelijke grond als bedoeld in lid 1 wordt verstaan andere dan de onder a tot en met g genoemde omstandigheden die zodanig zijn dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

4.15.

In het huidige ontslagrecht mogen, anders dan bij het ontslagrecht zoals dat voor 1 juli 2015 gold, verschillende redenen die ieder voor zich onvoldoende zijn om een redelijke grond te vormen, niet worden samengeteld tot één redelijke grond. Elke ontslaggrond moet op zich een voldoende redelijke grond opleveren. Beoordeeld moet dus worden of de door AFS aangedragen gronden ieder voor zich voldoende zijn om over te gaan tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Zoals hiervoor is overwogen is hier wat betreft de d-grond en
g-grond geen sprake van. AFS heeft evenmin andere omstandigheden aangevoerd die zodanig zijn dat van AFS in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren in de zin van artikel 7:669 lid 3 sub h BW.

Conclusie

4.16.

Er doet zich geen redelijke grond voor op grond waarvan AFS de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] kon opzeggen. De kantonrechter zal het verzoek tot ontbinding dan ook afwijzen.

Overige verzoeken

Loon, wettelijke verhoging en wettelijke rente

4.17.

Aangezien de kantonrechter het ontslag op staande voet zal vernietigen en het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst zal afwijzen is AFS verplicht om het loon van [verzoekster] door te betalen, verhoogd met de wettelijke verhoging en met rente. Ter zitting heeft [verzoekster] onweersproken gesteld dat AFS ondanks verzoek en sommatie weigert om de wettelijke verhoging te betalen. In aansluiting op het bepaalde in de beschikking van 14 oktober 2015 zal de kantonrechter de wettelijke verhoging over de periode van 1 juli 2015 tot en met 31 augustus 2015 vaststellen op 30% en vanaf 1 september 2015 op maximaal 50%.

Rectificatie

4.18.

De kantonrechter zal de verzochte rectificatie toewijzen, gelet op het belang dat [verzoekster] daarbij heeft. De kantonrechter zal de in dat verband verzochte dwangsom afwijzen. AFS heeft in haar verweerschrift immers laten weten dat zij een eventuele veroordeling op dit punt zal nakomen en van omstandigheden die maken dat gevreesd moet worden dat zij de veroordeling op dit punt niet zal nakomen zijn niet naar voren gekomen.

Proceskosten in zaak 4344452 UE VERZ 15-411

4.19.

AFS zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [verzoekster] worden begroot op:

- griffierecht € 78,00

- salaris gemachtigde € 400,00 (2 punten x tarief € 200,00)

Totaal € 478,00

Proceskosten in zaak 4405434 UE VERZ 15-436

4.20.

AFS zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [verzoekster] worden begroot op € 400,- aan salaris gemachtigde (2 punten x tarief € 200,00).

5 De beslissing

De kantonrechter:

in zaak 4344452 UE VERZ 15-411

5.1.

vernietigt de opzegging van de arbeidsovereenkomst door AFS van 15 juli 2015;

5.2.

veroordeelt AFS om aan [verzoekster] tegen bewijs van kwijting te betalen € 3.250,45 bruto per maand vanaf 1 juli 2015 tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn beëindigd, te vermeerderen met de wettelijke verhoging voor zover AFS met tijdige betaling in gebreke blijft, welke verhoging over de periode van 1 juli 2015 tot en met 31 augustus 2015 wordt vastgesteld op 30% en vanaf 1 september 2015 op maximaal 50%, alsmede te vermeerderen met de wettelijke rente, voor wat betreft de bedragen waarvan het verzuim al is ingetreden met ingang van het tijdstip van indiening van dit verzoek en voor wat betreft de bedragen die later opeisbaar zijn geworden vanaf het tijdstip waarop het verzuim is ingetreden, tot de dag der voldoening;

5.3.

veroordeelt AFS om de navolgende rectificatie te zenden aan alle personen binnen en buiten AFS die schriftelijk of per e-mail op de hoogte zijn gesteld van het ontslag van [verzoekster] , de ontvangers van de nieuwsbrief van 30 juli 2015 daaronder begrepen, onder gelijktijdige verzending van de adressenlijst die daarbij wordt gevolgd aan [verzoekster] :
“De kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland, zitting houdende te Utrecht, heeft op 21 januari 2016 geoordeeld dat AFS Nederland [verzoekster] op 15 juli 2015 ten onrechte op staande voet heeft ontslagen en dat AFS geen gronden heeft kunnen waarmaken op grond waarvan dat ontslag is verleend en heeft AFS Nederland veroordeeld tot het verzenden van deze rectificatie om de met het ontslag op staande voet toegebrachte schade aan de goede naam [verzoekster] zoveel mogelijk teniet te doen.” (in internationaal verband te verzenden in een correcte Engelse vertaling);

5.4.

veroordeelt AFS tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [verzoekster] , tot de uitspraak van deze beschikking begroot op € 478, waarin begrepen € 400,- aan salaris gemachtigde;

5.5.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

5.6.

wijst het meer of anders verzochte af;

in zaak 4405434 UE VERZ 15-436

5.7.

wijst het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst af;

5.8.

veroordeelt AFS tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [verzoekster] , tot de uitspraak van deze beschikking begroot op € 400,- aan salaris gemachtigde en verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

5.9.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. P. Dondorp, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2016.