Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:3499

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
28-06-2016
Datum publicatie
29-06-2016
Zaaknummer
16.659453-15 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 29-jarige man uit Almere wordt veroordeeld tot 18 maanden cel voor poging tot doodslag en verboden wapenbezit in Lelystad in 2015. Een 30-jarige man uit Almere en een 26 en 31-jarige man uit Lelystad worden niet veroordeeld voor hen aandeel in de vechtpartij.

De Almeerder ging samen met zijn broer verhaal halen over een sterke wietlucht die zij roken bij de woning van hun moeder. Uiteindelijk is de situatie geëscaleerd en is er een vechtpartij ontstaan tussen de twee mannen uit Almere en twee mannen uit Lelystad. De mannen moesten zich alle vier verantwoorden voor de rechtbank.

Het feit dat de Almeerder een geladen vuurwapen meenam toen hij verhaal ging halen heeft ertoe geleid dat de situatie heeft kunnen escaleren, aldus de rechtbank. De man schoot het slachtoffer in zijn borst. Er mag dan ook van geluk worden gesproken dat het slachtoffer dit heeft overleefd. Bij het opleggen van de straf is rekening gehouden met het feit dat de man zelf ook fors gewond raakte. Hij houdt een zichtbaar litteken over in zijn gezicht.

De broer van de Almeerder wordt niet veroordeeld voor poging tot doodslag omdat hij het wapen van zijn broer alleen heeft opgepakt toen hij vluchtte. Hij was bang dat het wapen anders tegen hem of zijn broer gebruikt zou worden. De rechtbank vindt deze situatie aannemelijk en ontslaat de man van alle rechtsvervolging.

De twee mannen uit Lelystad worden ook ontslagen van alle rechtsvervolging. De ene man had de schutter met een honkbalknuppel een gebroken pols geslagen. De tweede man, die was neergeschoten, stak de schutter in het gezicht nadat hij was beschoten. De rechtbank oordeelt dat de mannen uit Lelystad uit noodweer handelden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Lelystad

Parketnummer: 16.659453-15 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 28 juni 2016

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1985] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [adres] .

1 HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het onderzoek heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzittingen van 2 oktober 2015,

18 december 2015 en 14 juni 2016. Op laatstgenoemde datum is de zaak inhoudelijk behandeld. Hierbij is de verdachte verschenen, bijgestaan door mr. T.S.S. Overes, advocaat te Almere.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van officier van justitie mr. J. Zeilstra en van de standpunten door de raadsvrouw en verdachte naar voren gebracht.

2 DE TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 20 juni 2015 te Lelystad, althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 1] en

[slachtoffer 2] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet als volgt heeft gehandeld:

zijnde en/of hebbende hij, verdachte, en/of (één of meer van) zijn mededader(s) met een vuurwapen één of meermalen geschoten naar, althans in de richting van, het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] , zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

2.

hij op of omstreeks 20 juni 2015 te Lelystad, althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een vuurwapen van categorie II of III, en/of munitie van categorie III, te weten een hoeveelheid scherpe patronen kaliber 9 mm, voorhanden heeft gehad.

3.

hij op of omstreeks 20 juni 2015 te Lelystad, althans in het arrondissement Midden-Nederland, openlijk, te weten op of aan de openbare weg, de [adres] , in elk geval op of

aan een openbare weg, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] en

[slachtoffer 2] , welk geweld bestond uit het meermalen (met kracht) slaan, stompen en schoppen tegen het hoofd en lichaam van die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] , en het één of meermalen schieten met een vuurwapen naar, althans in de richting van, het hoofd en het lichaam van die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] .

De rechtbank verbetert in de tenlastelegging een aantal kennelijke schrijffouten.

De verdachte wordt daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

3 DE VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs niet tot een bewezenverklaring kan worden gekomen van de aan verdachte onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten. Wat betreft feit 1 en feit 3 heeft de officier van justitie daarbij betoogd dat de verklaring van [getuige] over handelingen die verdachte zou hebben gepleegd onbetrouwbaar is en niet wordt gesteund door enig ander bewijsmiddel. Wat betreft feit 2 is alleen het oppakken van het vuurwapen door verdachte van onvoldoende gewicht om van het voorhanden hebben van een vuurwapen te kunnen spreken.

De officier van justitie heeft zijn standpunt verwoord in het ter zitting overgelegde requisitoir.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw is van mening dat wegens gebrek aan bewijs niet tot een bewezenverklaring kan worden gekomen van het onder feit 1, feit 2 en feit 3 tenlastegelegde. Wat betreft feit 2 heeft de raadsvrouw subsidiair aangevoerd dat verdachte heeft gehandeld uit overmacht.

De raadsvrouw heeft haar standpunt verwoord in het ter zitting overgelegde pleidooi.

Het oordeel van de rechtbank1

Op 20 juni 2015 om 23.38 uur komt bij de politie de melding binnen dat er op de [adres] in [woonplaats] een persoon in elkaar zou worden geslagen en er mogelijk geschoten zou zijn. De politie gaat ter plaatse en treft twee gewonde personen aan. Op het trottoir ligt een man met een plas bloed bij zijn hoofd, de latere verdachte [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ). In het portiek ligt een man met een bebloed t-shirt die neergeschoten zou zijn, de latere verdachte [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ).2

Op 21 juni 2015 om 00.05 uur komt bij de politie vervolgens de melding binnen dat op de [adres] in [woonplaats] een persoon gewond zou zijn aangekomen. De woning op de [adres] ligt op betrekkelijk korte afstand van de [adres] . De politie treft in de woning een persoon aan, de latere verdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ). [medeverdachte] heeft een grote, diepe wond op zijn rechterwang.3 Tijdens een doorzoeking in deze woning later die nacht wordt in een kast achter een trolley nog een gewonde persoon gevonden met bloed op zijn kin en zijn shirt, de latere verdachte [verdachte] (hierna: [verdachte] ).4

De vier personen worden aangehouden op verdenking van betrokkenheid bij de vechtpartij op de [adres] . Uit de verklaringen blijkt dat [medeverdachte] en [verdachte] bij de woning van [slachtoffer 1] hebben aangebeld, omdat zij een sterke wietlucht roken in de woning van hun moeder.5 Dit gesprek is uit de hand gelopen, waarop [slachtoffer 1] [slachtoffer 2] heeft gebeld om hem te komen helpen.6 Uiteindelijk is de situatie geëscaleerd en is er een vechtpartij ontstaan, waarbij met een vuurwapen is geschoten, met een mes is gestoken en met een honkbalknuppel is geslagen.

Vrijspraak feit 1

Onder feit 1 is de poging tot doodslag op [slachtoffer 1] tenlastegelegd. Op grond van de inhoud van het dossier kan worden vastgesteld dat er op [slachtoffer 1] is geschoten. Medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat hij dit met het vuurwapen dat hij bij zich had heeft gedaan. Bewijs dat verdachte aan dit handelen van de medeverdachte een significante bijdrage heeft geleverd is er niet. Niet kan worden vastgesteld dat verdachte wist dat de medeverdachte een vuurwapen bij zich had dan wel mogelijk van een vuurwapen gebruik zou kunnen gaan maken. De rechtbank zal verdachte daarom in zoverre van feit 1 vrijspreken.

Onder feit 1 is ook de poging tot doodslag op [slachtoffer 2] tenlastegelegd door met een vuurwapen te schieten naar die [slachtoffer 2] . Nu op grond van de inhoud van het dossier niet kan worden vastgesteld dat er met een vuurwapen op [slachtoffer 2] is geschoten zal de rechtbank verdachte ook wat [slachtoffer 2] betreft van feit 1 vrijspreken.

Vrijspraak feit 3

Onder feit 3 is het openlijk in vereniging geweld plegen tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] aan verdachte tenlastegelegd. Verdachte zou dit feit samen met medeverdachte [medeverdachte] hebben gepleegd. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij door verdachte werd geslagen en geschopt. Deze verklaring van [slachtoffer 1] wordt niet ondersteund door andere verklaringen in het dossier. Daardoor kan niet worden vastgesteld dat verdachte zich aan deze geweldshandelingen schuldig heeft gemaakt. Nu ook bewijs voor het plegen van andere geweldshandelingen, zoals in de tenlastelegging opgenomen, door verdachte tegen [slachtoffer 1] dan wel [slachtoffer 2] ontbreekt en het enkele feit dat verdachte aanwezig is geweest bij door de medeverdachte jegens hen gepleegde geweldshandelingen onvoldoende is voor het in vereniging plegen van geweld kan niet tot een bewezenverklaring van dit feit worden gekomen. De rechtbank zal verdachte van feit 3 vrijspreken.

Bewezenverklaring feit 2

Medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat hij tijdens het incident op 20 juni 2015 met een vuurwapen heeft geschoten. Hij heeft verklaard dat dit vuurwapen van hem is en dat het een 9mm Smith en Wesson betrof.7 Vastgesteld kan worden dat er met dit vuurwapen is geschoten en dat het vuurwapen dat [medeverdachte] voorhanden had aldus een vuurwapen van categorie II of III is geweest.

Verdachte heeft verklaard dat hij tijdens de vechtpartij een vuurwapen op de grond zag liggen en dat hij dit wapen had opgepakt toen [medeverdachte] naar hem riep dat hij dat moest doen. Hij was ermee weggerend en had het wapen kort daarna aan [medeverdachte] gegeven.8

De rechtbank is van oordeel dat verdachte door na een heftig geweldsincident het vuurwapen op aangeven van [medeverdachte] van de grond te pakken en ermee weg te rennen en het vuurwapen vervolgens terug te geven aan [medeverdachte] hij de beschikkingsmacht over het vuurwapen heeft gehad en daarmee het vuurwapen samen met [medeverdachte] voorhanden heeft gehad. De rechtbank acht feit 2 ten aanzien van dit vuurwapen daarom wettig en overtuigend bewezen in de zin van medeplegen.

Nu bewijs dat er nog scherpe patronen in het vuurwapen zaten op het moment dat verdachte het vuurwapen oppakte dan wel dat verdachte weet had van mogelijk in het vuurwapen aanwezige scherpe patronen ontbreekt zal de rechtbank verdachte van feit 2 vrijspreken voor zover dit feit ziet op het voorhanden hebben van munitie van categorie III, te weten een hoeveelheid scherpe patronen kaliber 9 mm.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

2.

op 20 juni 2015 te Lelystad tezamen en in vereniging met een ander een vuurwapen van categorie II of III voorhanden heeft gehad.

Van het onder feit 2 meer of anders ten laste gelegde zal verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

6 KWALIFICATIE

Het bewezene levert op:

Ten aanzien van feit 2:

Medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie.

7 STRAFBAARHEID

Sprake van overmacht wat betreft feit 2

De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte - indien de rechtbank tot een bewezenverklaring van feit 2 komt - dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging wegens een geldig beroep op overmacht. Zij heeft daartoe betoogd dat uit het dossier blijkt dat verdachte het wapen heeft opgepakt toen hij vluchtte, enkel en alleen omdat hij bang was dat het wapen anders tegen hem of zijn broer [medeverdachte] zou worden gebruikt. Er was dus sprake van een situatie van nood waarin verdachte ter afwering van dreigend onmiddellijk levensgevaar het strafbare feit heeft gepleegd.

De rechtbank stelt vast dat sprake is geweest van een heftig geweldsincident, waarbij wapens zijn gebruikt en is geschoten. Bij dat heftige geweldsincident zag verdachte een vuurwapen op de grond liggen. Door zijn broer [medeverdachte] werd nadrukkelijk naar verdachte geroepen dat hij het vuurwapen op moest pakken. Verdachte heeft dat gedaan en hij is direct met het vuurwapen weggerend bij het geweldsincident vandaan. De rechtbank acht het in deze omstandigheden aannemelijk dat verdachte in zijn angst voor levensgevaarlijk geweld tegen hem en zijn broer het vuurwapen heeft opgepakt en meegenomen. Verdachte heeft daarmee gehandeld in een situatie van nood ter afwering van dreigend ogenblikkelijk levensgevaar. Het beroep op overmacht slaagt.

Het feit is niet strafbaar en verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

8 DE BENADEELDE PARTIJ

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend naar aanleiding van het aan verdachte onder feit 1 en feit 3 tenlastegelegde.

De benadeelde partij [slachtoffer 2] dient in de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard nu de verdachte van feit 1 en feit 3 zal worden vrijgesproken.

9 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart niet bewezen hetgeen onder feit 1 en feit 3 aan verdachte is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder feit 2 ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat onder feit 2 meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde feit niet strafbaar en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging;

Benadeelde partij

- bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] in zijn vordering niet-ontvankelijk is en dat hij zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Haeck, voorzitter, mrs. Y.M.J.I. Baauw-de Bruijn en K.G. van de Streek, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.F. van Dam, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 juni 2016.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer 2015189145 (ART27), doorgenummerd blz. 1 tot en met blz. 750, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 1.

3 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 17.

4 Proces-verbaal van aanhouding, blz. 495 en proces-verbaal van bevindingen naamswijziging blz. 28.

5 Verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 14 juni 2016.

6 Verklaring van [slachtoffer 2] bij de RC d.d. 18 maart 2016 en de verklaring van [slachtoffer 1] , blz. 609.

7 Proces-verbaal van verhoor van medeverdachte, blz. 467.

8 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, blz. 528.