Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:3497

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
28-06-2016
Datum publicatie
29-06-2016
Zaaknummer
16.706581-15 (P)
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2019:3521
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 29-jarige man uit Almere wordt veroordeeld tot 18 maanden cel voor poging tot doodslag en verboden wapenbezit in Lelystad in 2015. Een 30-jarige man uit Almere en een 26 en 31-jarige man uit Lelystad worden niet veroordeeld voor hen aandeel in de vechtpartij.

De Almeerder ging samen met zijn broer verhaal halen over een sterke wietlucht die zij roken bij de woning van hun moeder. Uiteindelijk is de situatie geëscaleerd en is er een vechtpartij ontstaan tussen de twee mannen uit Almere en twee mannen uit Lelystad. De mannen moesten zich alle vier verantwoorden voor de rechtbank.

Het feit dat de Almeerder een geladen vuurwapen meenam toen hij verhaal ging halen heeft ertoe geleid dat de situatie heeft kunnen escaleren, aldus de rechtbank. De man schoot het slachtoffer in zijn borst. Er mag dan ook van geluk worden gesproken dat het slachtoffer dit heeft overleefd. Bij het opleggen van de straf is rekening gehouden met het feit dat de man zelf ook fors gewond raakte. Hij houdt een zichtbaar litteken over in zijn gezicht.

De broer van de Almeerder wordt niet veroordeeld voor poging tot doodslag omdat hij het wapen van zijn broer alleen heeft opgepakt toen hij vluchtte. Hij was bang dat het wapen anders tegen hem of zijn broer gebruikt zou worden. De rechtbank vindt deze situatie aannemelijk en ontslaat de man van alle rechtsvervolging.

De twee mannen uit Lelystad worden ook ontslagen van alle rechtsvervolging. De ene man had de schutter met een honkbalknuppel een gebroken pols geslagen. De tweede man, die was neergeschoten, stak de schutter in het gezicht nadat hij was beschoten. De rechtbank oordeelt dat de mannen uit Lelystad uit noodweer handelden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Lelystad

Parketnummer: 16.706581-15 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 28 juni 2016

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1989] te Curaçao (Nederlandse Antillen),

wonende te [woonplaats] , [adres] .

1 HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het onderzoek heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzittingen van 2 oktober 2015,

18 december 2015 en 14 juni 2016. Op laatstgenoemde datum is de zaak inhoudelijk behandeld. Hierbij is de verdachte verschenen, bijgestaan door mr. D. Nieuwenhuis, advocaat te Maastricht.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van officier van justitie mr. J Zeilstra en van de standpunten door de raadsman en verdachte naar voren gebracht.

2 DE TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 20 juni 2015 te Lelystad, althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk

[slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, die [slachtoffer 1] meermalen heeft gestoken in het hoofd, het gezicht, de rug en/of een arm, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

2.

hij op of omstreeks 20 juni 2015 te Lelystad, althans in het arrondissement Midden-Nederland, openlijk, te weten op of aan de openbare weg, te weten de [adres] , in elk

geval op of aan een openbare weg, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , welk geweld bestond uit het meermalen (met kracht) slaan, stompen en schoppen tegen het hoofd en lichaam van die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] , en het snijden en/of steken met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het gezicht, het hoofd, de rug en de arm, in elk geval in het lichaam van die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] en het slaan met een honkbalknuppel tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] .

De rechtbank verbetert in de tenlastelegging een aantal kennelijke schrijffouten.

De verdachte wordt daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

3 DE VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de onder feit 1 ten laste gelegde poging tot doodslag op

[slachtoffer 1] door die [slachtoffer 1] met een mes in het gezicht te steken wettig en overtuigend te bewijzen. Verdachte heeft met zijn handelen bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat

[slachtoffer 1] daardoor zou kunnen komen te overlijden.

De officier van justitie acht het onder feit 2 aan verdachte ten laste gelegde openlijke geweld tegen [slachtoffer 1] eveneens wettig en overtuigend te bewijzen.

Een noodweersituatie waarin verdachte zich moest en mocht verdedigen is niet aannemelijk geworden.

De officier van justitie heeft zijn standpunt verwoord in het ter zitting overgelegde requisitoir.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman is primair van mening dat niet tot een bewezenverklaring kan worden gekomen van het aan verdachte onder 1 ten laste gelegde feit nu verdachte geen opzet al dan niet in voorwaardelijke vorm op de dood van [slachtoffer 1] heeft gehad. Wat betreft feit 2 kan bewezen worden dat verdachte [slachtoffer 1] met een mes heeft gesneden. Voor de overige onder feit 2 ten laste gelegde geweldshandelingen tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] is geen bewijs in het dossier voorhanden.

Subsidiair heeft de raadsman gesteld dat verdachte bij zowel feit 1 als feit 2 heeft gehandeld uit noodweer dan wel noodweerexces.

De raadsman heeft zijn standpunt verwoord in de ter zitting overgelegde pleitnota.

Het oordeel van de rechtbank 1

Op 20 juni 2015 om 23.38 uur komt bij de politie de melding binnen dat er op de [adres] in [woonplaats] een persoon in elkaar zou worden geslagen en er mogelijk geschoten zou zijn. De politie gaat ter plaatse en treft twee gewonde personen aan. Op het trottoir ligt een man met een plas bloed bij zijn hoofd, de latere verdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ). In het portiek ligt een man met een bebloed t-shirt die neergeschoten zou zijn, de latere verdachte [verdachte] (hierna: [verdachte] ).2

Op 21 juni 2015 om 00.05 uur komt bij de politie vervolgens de melding binnen dat op de [adres] in [woonplaats] een persoon gewond zou zijn aangekomen. De woning op de [adres] ligt op betrekkelijk korte afstand van de [adres] . De politie treft in de woning een persoon aan, de latere verdachte [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ). [slachtoffer 1] heeft een grote, diepe wond op zijn rechterwang.3 Tijdens een doorzoeking in deze woning later die nacht wordt in een kast achter een trolley nog een gewonde persoon gevonden met bloed op zijn kin en zijn shirt, de latere verdachte [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ).4

De vier personen worden aangehouden op verdenking van betrokkenheid bij de vechtpartij op de [adres] . Uit de verklaringen blijkt dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] bij de woning van [verdachte] hebben aangebeld, omdat zij een sterke wietlucht roken in de woning van hun moeder.5 Dit gesprek is uit de hand gelopen, waarop [verdachte] [medeverdachte] heeft gebeld om hem te komen helpen.6 Uiteindelijk is de situatie geëscaleerd en is er een vechtpartij ontstaan, waarbij met een vuurwapen is geschoten, met een mes is gestoken en met een honkbalknuppel is geslagen.

Bewezenverklaring feit 1

[slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij door [verdachte] werd geslagen. Hij voelde direct bloed vloeien op zijn gezicht en het bleek dat hij door [verdachte] met een mes was gestoken.7

De arts constateert bij [slachtoffer 1] een snijwond op zijn wang.8

[verdachte] heeft verklaard dat hij in de vechtpartij die was ontstaan [slachtoffer 1] met een mes heeft gestoken.9

Het is de rechtbank niet gebleken dat verdachte hiermee met opzet [slachtoffer 1] van het leven heeft willen beroven. Verdachte heeft wel met het mes in het gezicht van [slachtoffer 1] gestoken. Het gezicht is een zeer kwetsbaar onderdeel van het lichaam, doordat zich hier vitale delen bevinden, waarvan beschadiging tot de dood kan leiden. Verdachte heeft door [slachtoffer 1] in zijn gezicht te steken de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer 1] zou komen te overlijden. Door genoemd handelen heeft verdachte deze aanmerkelijke kans ook bewust aanvaard.

De rechtbank acht aldus de onder feit 1 ten laste gelegde poging tot doodslag door met een mes in het gezicht van [slachtoffer 1] te steken wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring feit 2

[slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij, nadat hij door [verdachte] was gestoken zoals hiervoor reeds besproken, door [medeverdachte] met een honkbalknuppel hard op zijn rechterarm ter hoogte van zijn pols werd geslagen.10 Als gevolg hiervan was zijn onderarm gebroken.11

De arts constateert bij [slachtoffer 1] een snijwond op zijn wang. De onderarm van [slachtoffer 1] zat in het gips hetgeen past bij een breuk van het polsgewricht.12

De politie heeft in de nabijheid van de [adres] in het water een honkbalknuppel aangetroffen.13 [slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij deze honkbalknuppel tijdens de vechtpartij op de grond zag liggen en dat hij deze had opgepakt en verderop in het water had gegooid.14 [getuige 2] heeft verklaard dat zij tijdens het gevecht een knuppel voorbij had zien komen.15

Verdachte heeft verklaard dat hij zijn vriend [medeverdachte] belde toen de twee mannen bij hem aan de deur stonden en raar deden. [medeverdachte] is naar hem toegekomen om hem te helpen. In de vechtpartij die vervolgens was ontstaan had hij [slachtoffer 1] met een mes gestoken.16

[medeverdachte] heeft verklaard dat hij op de avond van 20 juni 2015 werd gebeld door zijn vriend [verdachte] die zei dat er problemen waren met twee jongens die voor zijn deur stonden. [medeverdachte] hoorde dat [verdachte] bang was en hij was naar hem toegereden om hem te helpen.17

De rechtbank stelt vast dat verdachte [medeverdachte] heeft gebeld en dat [medeverdachte] vervolgens naar [verdachte] toe is gegaan om hem te helpen. In het gevecht dat daarop volgt is [slachtoffer 1] door verdachte met een mes in zijn gezicht gestoken en heeft [medeverdachte] [slachtoffer 1] met een honkbalknuppel op zijn pols geslagen. Uit het dossier kan niet worden afgeleid dat de gebroken pols van [slachtoffer 1] op een andere wijze dan door het slaan met de honkbalknuppel is veroorzaakt, alsmede niet dat een ander dan medeverdachte [medeverdachte] met de honkbalknuppel heeft geslagen.

De rechtbank acht aldus wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met [medeverdachte] openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] en daarmee het aan verdachte onder 3 ten laste gelegde feit.

Nu wegens gebrek aan bewijs niet vastgesteld kan worden dat verdachte en/of medeverdachte [medeverdachte] [slachtoffer 1] heeft/hebben geslagen of geschopt of gestompt, alsmede niet dat zij enige geweldshandeling, zoals tenlastegelegd, tegen [slachtoffer 2] hebben gepleegd zal de rechtbank verdachte in zoverre van feit 3 vrijspreken.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1.

op 20 juni 2015 te Lelystad ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet met een mes die [slachtoffer 1] heeft gestoken in het gezicht, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

2.

op 20 juni 2015 te Lelystad openlijk, te weten op de openbare weg, te weten de [adres] , in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] , welk geweld bestond uit het steken met een mes in het gezicht van die [slachtoffer 1] en het slaan met een honkbalknuppel tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] .

Van het onder feit 1 en feit 2 meer of anders ten laste gelegde zal verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

6 KWALIFICATIE

Het bewezene levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Poging tot doodslag.

Ten aanzien van feit 2:

Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

7 STRAFBAARHEID

Sprake van noodweer wat betreft feit 1 en feit 2

De raadsman heeft bepleit dat verdachte - indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt - dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging wegens een geldig beroep op noodweer dan wel noodweerexces. De raadsman heeft daartoe betoogd dat verdachte [slachtoffer 1] met het mes heeft gestoken, nadat hij door [slachtoffer 1] met een vuurwapen in zijn schouder dan wel zijn borst werd geschoten. Er was sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van het lijf van verdachte waartegen hij zich mocht verdedigen. Door één keer met het mes te steken heeft verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging niet overschreden. Als de rechtbank van oordeel is dat wel sprake is van een overschrijding van deze grenzen stelt de raadsman dat deze overschrijding het gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging welke door de aanval van [slachtoffer 1] is veroorzaakt.

De rechtbank overweegt dat getuige [getuige 1] heeft verklaard dat verdachte een woordenwisseling had met de jongens die bij zijn huis hadden aangebeld. Verdachte belde vervolgens [medeverdachte] . Toen [medeverdachte] aan kwam lopen pakte [slachtoffer 1] zijn vuurwapen. Verdachte liep naar [slachtoffer 1] toe om hem weg te duwen. Er ontstond een worsteling tussen [slachtoffer 1] en verdachte en tijdens die worsteling hoorde [getuige 1] twee knallen.

De rechtbank acht de verklaring van [getuige 1] betrouwbaar, omdat [getuige 1] bij de politie en bij de rechter-commissaris consistent is geweest in zijn verklaringen. Daar komt bij dat zijn verklaring de verklaring van verdachte ondersteunt. Verdachte heeft verklaard dat [medeverdachte] kwam aanrijden, dat [slachtoffer 1] toen een pistool pakte en op hem schoot en dat hij daarna met een mes verdachte stak. De rechtbank volgt dan ook deze verklaringen. De verklaring van [slachtoffer 1] dat hij pas tijdens de worsteling met verdachte toen hij door verdachte werd geslagen/gestoken zijn vuurwapen heeft gepakt en hij toen pas heeft geschoten, wordt niet ondersteund door enig ander bewijsmiddel in het dossier. De verklaring van [slachtoffer 1] dat hij tijdens de worsteling met [verdachte] zijn vuurwapen uit zijn tasje dat om zijn schouder hing pakte en het vuurwapen vervolgens tijdens de worsteling doorlaadde is ook niet geloofwaardig. Niet valt in te zien hoe [slachtoffer 1] dat met één hand tijdens de worsteling heeft kunnen doen. [slachtoffer 1] moet op dat moment het vuurwapen al in zijn handen hebben gehad.

De rechtbank stelt aldus vast dat [slachtoffer 1] een vuurwapen heeft getrokken, dat daarna de worsteling met verdachte is ontstaan, dat verdachte in die worsteling heeft geprobeerd om [slachtoffer 1] naar buiten te duwen en dat daarbij door [slachtoffer 1] op verdachte is geschoten. Verdachte heeft vervolgens [slachtoffer 1] één keer met zijn mes gestoken. In deze situatie is het handelen van [slachtoffer 1] aan te merken als een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van het lijf van verdachte, waartegen verdachte zich moest en mocht verdedigen. Verdachte had in de situatie van het heftige geweldsincident op dat moment geen andere middelen om adequaat op de aanval te reageren. Door één keer met het mes te steken heeft verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging niet overschreden. De rechtbank is van oordeel dat onder deze omstandigheden het beroep op noodweer slaagt.

Het feit is daarmee niet strafbaar en verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

8a DE BENADEELDE PARTIJ [slachtoffer 1]

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend naar aanleiding van de aan verdachte onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.

De benadeelde partij [slachtoffer 1] dient in de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard nu de verdachte voor het aan hem onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde en bewezenverklaarde zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

8b DE BENADEELDE PARTIJ [slachtoffer 2]

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend naar aanleiding van het aan verdachte onder 2 ten laste gelegde feit.

De benadeelde partij [slachtoffer 2] dient in de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard nu de verdachte van het aan hem onder 2 ten laste gelegde feit zal worden vrijgesproken voor zover dit feit ziet op [slachtoffer 2] .

9 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat onder feit 1 en feit 2 meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart de bewezen verklaarde feiten niet strafbaar en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging;

Benadeelde partijen

- bepaalt dat de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in hun vorderingen

niet-ontvankelijk zijn en dat zij hun vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Haeck, voorzitter, mrs. Y.M.J.I. Baauw-de Bruijn en K.G. van de Streek, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.F. van Dam, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 juni 2016.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer 2015189145, doorgenummerd blz. 1 tot en met blz. 750, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 1.

3 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 17.

4 Proces-verbaal van aanhouding, blz. 495 en proces-verbaal van bevindingen naamswijziging blz. 28.

5 Proces-verbaal van verhoor van medeverdachte, blz. 465.

6 Verklaring van [medeverdachte] bij de RC d.d. 18 maart 2016 en de verklaring van [verdachte] , blz. 609.

7 Proces-verbaal van verhoor van medeverdachte, blz. 465 en bevel tot inverzekeringstelling blz. 419

8 Geneeskundige verklaring d.d. 30 juni 2015, opgemaakt door E.I. Hofstra, forensisch arts, blz. 430 en 431.

9 Verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 14 juni 2016.

10 Proces-verbaal van verhoor van medeverdachte, blz. 466.

11 Bevel tot inverzekeringstelling, blz. 419.

12 Geneeskundige verklaring d.d. 30 juni 2015, opgemaakt door E.I. Hofstra, forensisch arts, blz. 430 en 431.

13 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 5.

14 Proces-verbaal van verhoor van medeverdachte, blz. 528.

15 Verklaring getuige [getuige 2] , afgelegd ter terechtzitting van 14 juni 2016.

16 Verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 14 juni 2016.

17 Verklaring van [medeverdachte] bij de RC d.d. 18 maart 2016.