Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:3462

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
24-06-2016
Datum publicatie
04-07-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 6176
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Herroeping bestreden besluit door het Uwv, na herroeping primair besluit in ZW-zaak. Na intrekking van het beroep verzet verweerder zich tegen een proceskostenveroordeling, onder andere omdat verzoekster als eigenrisicodrager in deze zaak wist of had moeten weten dat verweerder slechts een marginale toets uitvoert op het voorstel van een eigenrisicodrager, en in een eerder stadium de betekenis moeten realiseren van de gewerkte uren (van derde-partij) voor verzoekster. Dan zou voorlegging aan verweerder voor een beslissing niet hebben plaatsgevonden, dan wel zou een bezwaar en/of beroepsprocedure niet aan de orde zijn geweest.

Dat betoog vormt geen bijzondere omstandigheid, op grond waarvan afgeweken zou moeten worden van het uitgangspunt dat een verzoek om toepassing van art. 8:75a Awb als regel moet worden ingewilligd, op de enkele grond dat het bestuursorgaan aan de betrokkene is tegemoetgekomen. Een andere benadering zou afbreuk doen aan het uitgangspunt dat, vanwege de intrekking van het beroep, de rechter niet meer treedt in een beoordeling van de zaak ten gronde. De noodzaak om beroep in te stellen was niet uitsluitend te wijten aan de handelwijze van verzoekster zelf. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), van 7 juli 2005.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 15/6176

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 juni 2016 in de zaak tussen

Unique Nederland B.V., te Almere, verzoekster

(gemachtigde: mr. M.H. Feiken),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: J.B. Snoek).

Procesverloop

Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen verweerders besluit van 22 oktober 2015.

Bij brief van 26 mei 2016 heeft verweerder meegedeeld dat het bestreden besluit niet wordt gehandhaafd en is op dezelfde datum een gewijzigde beslissing op bezwaar afgegeven.

Naar aanleiding hiervan heeft verzoekster bij brief van 30 mei 2016 het beroep ingetrokken met het verzoek verweerder te veroordelen in de proceskosten.

De rechtbank heeft verweerder bij brief van 2 juni 2016 in de gelegenheid gesteld binnen twee weken te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten.

Bij brief van 6 juni 2016 heeft verweerder de rechtbank medegedeeld dat hij zich verzet tegen een kostenveroordeling.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

2. De veroordeling van een partij in de proceskosten in bestuursrechtelijke gedingen is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).

3. Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop stelt de rechtbank vast dat verweerder volledig tegemoet is gekomen aan verzoeksters bezwaren tegen het bestreden besluit.

4. Verweerder heeft zijn verzet tegen de proceskostenveroordeling toegelicht door er op te wijzen dat verzoekster bij brief van 4 mei 2016 expliciet haar eerder ingenomen standpunt heeft verlaten betreffende haar bevoegdheid ten aanzien van de ziekmelding van derde-belanghebbende. Deze informatie is voor verweerder aanleiding geweest voor nader onderzoek en verweerder concludeert dat verzoekster wist of had moeten weten dat verweerder slechts een marginale uitvoert op het voorstel van een eigenrisicodrager. Verzoekster had in een eerder stadium de betekenis moeten realiseren van de gewerkte uren (van derde-partij) voor verzoekster. Dan zou voorlegging aan verweerder voor een beslissing niet hebben plaatsgevonden, dan wel zou een bezwaar en/of beroepsprocedure niet aan de orde zijn geweest.

5. De rechtbank overweegt dat een verzoek om toepassing van art. 8:75a Awb als regel moet worden ingewilligd op de enkele grond dat het bestuursorgaan aan de betrokkene is tegemoetgekomen, en dat een andere benadering afbreuk zou doen aan het uitgangspunt dat, vanwege de intrekking van het beroep, de rechter niet meer treedt in een beoordeling van de zaak ten gronde. De rechtbank ziet in het betoog van verweerder geen bijzondere omstandigheid, op grond waarvan van het uitgangspunt zou moeten worden afgeweken. De noodzaak om beroep in te stellen was niet uitsluitend te wijten aan de handelwijze van verzoekster zelf. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), van 7 juli 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT9764.

6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 496,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 496,- en een wegingsfactor 1).

7. Uit het bepaalde in artikel 8:41, zevende lid, van de Awb volgt dat verweerder verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht te vergoeden. Dit volgt rechtstreeks uit de wet. Verzoekster zal zich hiervoor dan ook tot verweerder moeten wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 496,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S. Lanshage, rechter, in aanwezigheid van
mr. R. Gillissen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2016.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.