Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:3428

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
06-06-2016
Datum publicatie
29-08-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 6074
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft een verzoek gedaan om openbaarmaking van documenten op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Verweerder heeft het verzoek gedeeltelijk toegewezen. Eiser heeft bezwaar en vervolgens beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder en een dwangsom gevorderd omdat verweerder te laat heeft beslist op het bezwaar.

Het beroep wordt door de rechtbank gegrond verklaard, met instandlating van de rechtgevolgen. Verweerder is wel een dwangsom verschuldigd. Verweerder heeft eiser immers niet zo spoedig mogelijk medegedeeld dat een externe bezwaarcommissie werd ingeschakeld, zoals is vereist in artikel 7:13, tweede lid, van de Awb. De rechtbank volgt verweerder niet in het standpunt dat eiser hierdoor niet in zijn belangen is geschaad omdat, simpel gezegd, zijn gemachtigde kon weten dat er een externe bezwaarcommissie zou worden ingeschakeld. Daargelaten of de gemachtigde dit ook daadwerkelijk wist of kon weten, is verweerder gehouden aan de wettelijke verplichting om melding te maken van het inschakelen van een externe bezwaarcommissie. Verweerder had binnen zes weken op het bezwaarschrift moeten beslissen en is, nu deze termijn is overschreden, een dwangsom aan eiser verschuldigd, vermeerderd met wettelijk rente.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet openbaarheid van bestuur
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2016/883
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 15/6074

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 juni 2016 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: N.G.A. Voorbach),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Stichtse Vecht, verweerder

(gemachtigde: E.J. Albus).

Procesverloop

Bij besluit van 26 mei 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser van 11 februari 2015 om openbaarmaking van stukken in de zin van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) gedeeltelijk toegewezen.

Bij besluit van 7 oktober 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2016. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. De rechtbank overweegt ambtshalve het volgende. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 10:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). [A] is blijkens het bestreden besluit door verweerder gemandateerd tot het beslissen op eisers bezwaarschrift, terwijl deze functionaris ook krachtens mandaat het primaire besluit heeft genomen waartegen eisers bezwaar was gericht. Het beroep is daarom gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen.

2. Verweerder heeft ter zitting medegedeeld dat hij op 9 februari 2016 een herstelbesluit heeft genomen, in die zin dat de beslissing op bezwaar, zoals vermeld in het bestreden besluit, alsnog wordt bekrachtigd door [B] , verweerders directeur bedrijfsvoering/adjunct directeur. Verweerder heeft dit herstelbesluit ook overgelegd. Eisers gemachtigde heeft ter zitting verklaard dat eiser in beroep geen gronden heeft gericht tegen de inhoud van verweerders beslissing op bezwaar. De rechtbank ziet daarom aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

3.
Eiser heeft op 6 juli 2015 bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Bij brief van 21 augustus 2015 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld vanwege het uitblijven van het besluit op het bezwaar en verweerder verzocht om alsnog binnen twee weken een besluit te nemen. Eiser heeft verweerder er daarbij tevens op gewezen dat een dwangsom is verschuldigd indien verweerder niet binnen twee weken een besluit op zijn bezwaarschrift heeft genomen. Verweerder heeft bij besluit van 7 oktober 2015 (verzonden op 14 oktober 2015) alsnog op het bezwaar beslist. Eiser heeft de rechtbank verzocht de hoogte van de verbeurde dwangsom vast te stellen, vermeerderd met de wettelijke rente.

4. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen dwangsommen zijn verbeurd. Verweerder heeft een externe bezwaaradviescommissie ingeschakeld. Dit is niet vlekkeloos verlopen. Deze commissie is abusievelijk pas in augustus 2015 verzocht te adviseren, zonder dat eiser hiervan direct op de hoogte is gesteld. Bij brief van 26 augustus 2015 is eiser alsnog op de hoogte gesteld. Volgens verweerder is eiser hierdoor echter niet in zijn belangen geschaad. Verweerder wijst er op dat eisers gemachtigde als professionele rechtshulpverlener bekend moet worden verondersteld met het door verweerder inschakelen van een externe bezwaaradviescommissie, alvorens op het bezwaar te beslissen.

5. Eiser betwist dat hij niet in zijn belangen is geschaad. Verweerders veronderstelling dat eisers gemachtigde bekend moet zijn met het door verweerder inschakelen van een externe bezwaaradviescommissie is volgens eiser niet correct. Bovendien heeft verweerder hem er bij brief van 8 juli 2015 van op de hoogte gesteld dat zijn bezwaarschrift zou worden doorgezonden naar de afdeling juridische zaken. Er staat niet vermeld dat een externe bezwaaradviescommissie wordt ingeschakeld. Daarmee is volgens eiser de indruk gewekt dat verweerder alleen gebruik zou maken van de reguliere periode om op het bezwaar te beslissen.

6. Ingevolge artikel 7:10, eerste lid, van de Awb dient het bestuursorgaan te beslissen binnen zes weken of - indien een externe bezwaaradviescommissie is ingesteld - binnen twaalf weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken. Ingevolge artikel 7:13, tweede lid, van de Awb dient het bestuursorgaan bij het inschakelen van een externe bezwaaradviescommissie dit zo spoedig mogelijk mee te delen aan de indiener van het bezwaarschrift.

7. Aan eiser is niet zo spoedig mogelijk meegedeeld dat een externe bezwaaradvies-commissie zou worden ingeschakeld, zodat verweerder zich niet heeft gehouden aan zijn verplichting als bedoeld in artikel 7:13, tweede lid, van de Awb. Dat eiser, zoals verweerder heeft gesteld hierbij niet in zijn belangen is geschaad, omdat - simpel gezegd - zijn gemachtigde kon weten dat een externe bezwaaradviescommissie zou worden ingeschakeld, volgt de rechtbank niet. Nog afgezien van de vraag of eisers gemachtigde hiervan op de hoogte kon zijn, geldt dat het een wettelijke verplichting van verweerder is om melding te maken van het instellen van een externe bezwaaradviescommissie, zodat de indiener van het bezwaarschrift met het oog op artikel 7:10, eerste lid, van de Awb weet wanneer een besluit op zijn bezwaar te verwachten valt. Door deze melding niet te doen heeft verweerder eiser in onzekerheid gelaten over de beslistermijn en daarmee is eiser wel degelijk in zijn belangen geschaad. Verweerder had in beginsel zes weken om op het bezwaarschrift te beslissen. Verweerder had daarom uiterlijk op 7 augustus 2015 moeten beslissen. Verweerder is op 21 augustus 2015 in gebreke gesteld, zodat verweerder uiterlijk op 4 september 2015 op het bezwaarschrift had moeten beslissen zonder een dwangsom te verbeuren. Op grond van het bepaalde in artikel 4:17, eerste en derde lid, van de Awb was verweerder daarom vanaf 5 september 2015 een dwangsom verschuldigd voor elke dag dat hij in gebreke was te beslissen op de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom vanwege het niet tijdig beslissing op het bezwaarschrift. Verweerder heeft pas op 14 oktober 2015 zijn besluit op het bezwaar aan eiser bekend gemaakt. Dit betekent dat 13 oktober 2015 de laatste dag is waarop verweerder in gebreke was en waarover hij dus een dwangsom verschuldigd is. Tevens had verweerder, gelet op het voorgaande en op grond van artikel 4:18 van de Awb uiterlijk op 27 oktober 2015 moeten beslissen op de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom vanwege het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift. De rechtbank constateert dat niet is gebleken dat verweerder dit heeft gedaan en zal dit met toepassing van artikel 8:55c van de Awb alsnog zelf doen. De rechtbank stelt de hoogte van de door verweerder aan eiser verschuldigde dwangsom voor het niet beslissen over de periode van 5 september 2015 tot en met 13 oktober 2015 vast op € 1.180,- (14 dagen ad

€ 20,- per dag, 14 dagen ad € 30,- per dag en 12 dagen ad € 40,- per dag).

8. Uit artikel 4:87, eerste lid, van de Awb volgt dat de betalingstermijn van deze dwangsom in beginsel zes weken na bekendmaking van de beschikking bedraagt, tenzij de beschikking een later tijdstip vermeldt en uit artikel 4:100 van de Awb volgt dat, indien het bestuursorgaan de beschikking tot betaling van een door hem verschuldigde geldsom niet tijdig geeft, het wettelijke rente verschuldigd is vanaf het tijdstip waarop het in verzuim zou zijn geweest indien de beschikking op de laatste dag van de daarvoor gestelde termijn zou zijn gegeven. Gelet hierop diende verweerder uiterlijk zes weken na 27 oktober 2015, dus op 8 december 2015, de dwangsom aan eiser te voldoen. De rechtbank ziet hierom aanleiding om verweerder te veroordelen tot het vergoeden van schade in vorm van wettelijke rente over de dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 van de Awb, vanaf 9 december 2015.

9. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 992,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 496,- en een wegingsfactor 1) als kosten van verleende rechtsbijstand. Uit de gegrondverklaring volgt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht ten bedrage van € 167,- dient te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;

  • -

    stelt de door verweerder verbeurde dwangsom vast op € 1.180,-;

  • -

    veroordeelt verweerder tot betaling aan eiser van de wettelijke rente over genoemd bedrag van € 1.180-, berekend vanaf 9 december 2015 tot aan de dag van gehele voldoening;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 167,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 992,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. Verra, rechter, in aanwezigheid van
mr. I. Ahmadali, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2016.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.