Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:3419

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
20-06-2016
Datum publicatie
04-07-2016
Zaaknummer
AWB - 16 _ 237
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

proceskostenvergoeding in bezwaar; wegingsfactor zeer licht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 16/237

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 juni 2016 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J. van Gemert),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Ramdoelare Tewari).

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 12 januari 2016 van verweerder (het

bestreden besluit) waarbij hem een vergoeding van € 496,- is toegekend voor proceskosten

in bezwaar.

Verweerder heeft de rechtbank bij brief van 8 maart 2016 bericht dat hij alsnog de

proceskosten van bezwaar vergoedt met wegingsfactor 1 in plaats van 0,5 en dat hij bereid is

de proceskosten in beroep te vergoeden met een wegingsfactor 0,25 (zeer licht).

Eiser heeft de gronden van zijn beroep aangevuld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 april 2016. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft bij beslissing van 13 april 2016 het onderzoek heropend. Eiser is daarbij verzocht of hij ermee kan instemmen dat de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder, die kort voor de zitting door de rechtbank zijn ontvangen, aan het dossier worden toegevoegd.

Eiser heeft bij brief van 17 april 2016 de gevraagde toestemming verleend.

Partijen hebben toestemming gegeven om een nadere behandeling ter zitting achterwege te laten en de rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank stelt vast dat verweerder is tegemoetgekomen aan het beroep van eiser voor wat betreft de omvang van de proceskosten in bezwaar. Het beroep is daarom gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover het de vaststelling van de omvang van de proceskosten betreft. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat de proceskostenvergoeding in bezwaar voor eiser wordt vastgesteld op € 992,- (2 punten, met een waarde van € 496,- per punt en wegingsfactor 1).

2. In geschil is nog de omvang van de proceskosten in beroep.

3. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verweerder in de proceskosten van eiser. De rechtbank heeft aanleiding gezien wegingsfactor "licht' (0,5) te hanteren bij het berekenen van de omvang van de vergoeding van de proceskosten in beroep. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat geen materiële beoordeling van het geschil heeft plaatsgevonden, maar dat de gegrondverklaring van het beroep uitsluitend voortkomt uit de hoogte van de proceskostenvergoeding in bezwaar, zodat voor de rechtbank geen aanleiding bestaat wegingsfactor "gemiddeld" (1) te hanteren. De rechtbank stelt de kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand daarom vast op € 496,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 496,- en een wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de omvang van de vergoeding van de proceskosten in bezwaar;

  • -

    stelt de vergoeding van de proceskosten in bezwaar vast op € 992,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde (gedeelte van het) bestreden besluit;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser in beroep tot een bedrag van

€ 496,-;

- bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 168,- aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Reijnierse, rechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Mollerus, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 juni 2016.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.