Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:3415

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
22-06-2016
Datum publicatie
29-06-2016
Zaaknummer
4805965 UC EXPL 16-2423 JH/1050
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vereenzelviging van rechtspersonen. Eisende partij heeft voldoende gemotiveerd gesteld dat zijn contractspartij X haar activiteiten heeft beëindigd met het oogmerk van benadeling van eisende partij, en eventuele andere huurders met wie zij een bemiddelingsovereenkomst heeft gesloten, in zijn verhaalsmogelijkheden met betrekking tot de betaalde bemiddelingskosten. Uit het door eisende partij gestelde is voorts af te leiden dat de activiteiten van X zijn voortgezet door gedaagde partij. Gedaagde partij heeft hier tegenover onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat van misbruik geen sprake is. Dit leidt ertoe dat als onvoldoende gemotiveerd weersproken wordt aangenomen dat X misbruik heeft gemaakt van het identiteitsverschil tussen haar en gedaagde partij en dat dit misbruik ook aan gedaagde partij moet worden toegerekend. Het identiteitsverschil tussen X en gedaagde partij dient in zoverre weggedacht te worden, dat ook gedaagde partij aansprakelijk is voor terugbetaling van onverschuldigd betaalde bemiddelingskosten.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2016/1076
AR 2016/1855
JOR 2016/267
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 4805965 UC EXPL 16-2423 JH/1050

Vonnis van 22 juni 2016

inzake

1 [eiser sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [eiser sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

verder ook tezamen te noemen [eiser sub 1] (in enkelvoud),

eisende partij,

procederende in persoon,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verder ook te noemen [gedaagde] ,

gedaagde partij,

procederende bij [A] .

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de brief van 5 februari 2016 van [eiser sub 1] met producties

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 22 mei 2013 heeft [eiser sub 1] een woning gehuurd aan de [adres] te [woonplaats] . [bedrijfsnaam] (hierna: [bedrijfsnaam] ) heeft bemiddeld bij de aanhuur van deze woning. [bedrijfsnaam] heeft voor de woning geadverteerd op de website www.pararius.nl. Voor het plannen van een bezichtiging moest [eiser sub 1] zich als woningzoekende bij [bedrijfsnaam] inschrijven. Na twee bezichtigingen heeft [eiser sub 1] een huurovereenkomst met de verhuurder van de woning gesloten. [bedrijfsnaam] heeft [eiser sub 1] € 1.028,50 in rekening gebracht ter zake van bemiddelingskosten. [eiser sub 1] heeft dit bedrag aan [bedrijfsnaam] voldaan.

2.2.

Onder meer bij brief van 7 maart 2015 heeft [eiser sub 1] [bedrijfsnaam] gesommeerd de bemiddelingskosten als onverschuldigd betaald terug te betalen.

2.3.

[gedaagde] is op 21 juli 2015 opgericht en op 22 juli 2015 ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel.

2.4.

In het handelsregister van de Kamer van Koophandel is op 24 december 2015 geregistreerd dat [bedrijfsnaam] is opgehouden te bestaan omdat er geen bekende baten meer aanwezig zijn met ingang van 21 december 2015.

3 De vordering en het verweer

3.1.

[eiser sub 1] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 1.028,50 ter zake van onverschuldigd betaalde bemiddelingskosten en € 72,48 ter zake van wettelijke rente tot 14 januari 2016, vermeerderd met de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 14 januari 2016 tot de voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, waaronder € 94,08 aan kosten voor de dagvaarding.

3.2.

[eiser sub 1] legt aan zijn vordering ten grondslag dat [gedaagde] de boeken en bescheiden van [bedrijfsnaam] heeft overgenomen, als gevolg waarvan de verplichtingen van [bedrijfsnaam] nu onder de verantwoordelijkheid van [gedaagde] vallen. [eiser sub 1] stelt dat de bemiddelingsovereenkomst met [gedaagde] , als rechtsopvolger van [bedrijfsnaam] , vernietigbaar is wegens strijd met het verbod om bij bemiddeling voor woonruimte ‘twee heren te dienen’, zoals bedoeld in artikel 7:417 lid 4 jo 7:427 BW. Ter onderbouwing van deze stelling verwijst [eiser sub 1] naar het arrest van de Hoge Raad van 16 oktober 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3099).

3.3.

[gedaagde] voert als verweer dat zij nimmer een zakelijke overeenkomst met [eiser sub 1] is aangegaan. Zij stelt hiertoe dat [bedrijfsnaam] een afzonderlijke onderneming was en dat er geen overdracht van boeken en bescheiden aan [gedaagde] heeft plaatsgevonden.

4 De beoordeling

4.1.

Het geschil tussen partijen betreft de vraag of [gedaagde] gehouden is het door [eiser sub 1] aan [bedrijfsnaam] betaalde bedrag aan bemiddelingskosten terug te betalen.

4.2.

Bij de beantwoording van de vraag of [gedaagde] aansprakelijk kan worden geacht is van belang of [gedaagde] als rechtsopvolger van [bedrijfsnaam] kan worden aangemerkt. Hiervan zou sprake kunnen zijn indien [gedaagde] het gehele vermogen of een deel daarvan van [bedrijfsnaam] onder algemene titel heeft verkregen. De kantonrechter stelt vast dat uit de in het geding gebrachte uittreksels uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel, noch uit de stelling van de [eiser sub 1] is af te leiden dat er sprake is geweest van een fusie of splitsing op grond waarvan [gedaagde] het vermogen of een deel daarvan van [bedrijfsnaam] onder algemene titel heeft verkregen.

Aldus kan niet worden aangenomen dat [gedaagde] de rechtsopvolger is van [bedrijfsnaam] .

4.3.

Nu door [eiser sub 1] niet is betwist dat niet [gedaagde] maar [bedrijfsnaam] contractspartij was bij de bemiddelingsovereenkomst, leidt het vorenstaande er in beginsel toe dat [eiser sub 1] de verkeerde partij in de procedure heeft betrokken. Dit is echter anders indien, zoals [eiser sub 1] kennelijk bepleit, sprake is van vereenzelviging van beide vennootschappen. [eiser sub 1] heeft hiertoe gesteld dat achter beide vennootschappen dezelfde persoon zit, te weten de heer [A] , dat beide vennootschappen zijn gevestigd op het adres [adres] te [vestigingsadres] en dat zij nagenoeg dezelfde naam hebben. Volgens [eiser sub 1] voeren beide vennootschappen dezelfde bedrijfsactiviteiten uit, namelijk de bemiddeling bij handel, huur, of verhuur van onroerend goed en hebben zij beide ten minste één dezelfde werknemer, de heer [B] . Ook de door de vennootschappen gehanteerde werkwijze is gelijk. Via Pararius worden woningen geadverteerd, waarna een woningzoekende zich vervolgens eerst op de website van de vennootschap moet inschrijven om een woning te kunnen bezichtigen. De vennootschappen gebruiken bovendien nagenoeg dezelfde tekst bij de beschrijving van zichzelf op hun website, aldus steeds [eiser sub 1] .

4.4.

Voor de vraag of grond bestaat voor vereenzelviging van rechtspersonen is het Rainbow-arrest (HR 13 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7480) richtinggevend. In dat arrest heeft de Hoge Raad overwogen dat “door degene die (volledige of overheersende) zeggenschap heeft over twee rechtspersonen, misbruik kan worden gemaakt van het identiteitsverschil tussen deze rechtspersonen, en dat hetgeen met zodanig misbruik werd beoogd, in rechte niet behoeft te worden gehonoreerd. Het maken van zodanig misbruik zal in de regel moeten worden aangemerkt als een onrechtmatige daad, die verplicht tot het vergoeden van de schade die door het misbruik aan derden wordt toegebracht. Deze verplichting tot schadevergoeding zal dan niet alleen rusten op de persoon die met gebruikmaking van zijn zeggenschap de betrokken rechtspersonen tot medewerking aan dat onrechtmatig handelen heeft gebracht, doch ook op deze rechtspersonen zelf, omdat het ongeoorloofde oogmerk van degene die hen beheerst rechtens dient te worden aangemerkt als een oogmerk ook van henzelf.”

4.5.

Voornoemd arrest heeft betrekking op gevallen waarin de ondernemingsactiviteiten van een vennootschap worden beëindigd, terwijl die activiteiten door een andere vennootschap worden voortgezet met geen ander oogmerk dan benadeling van de crediteuren van de eerstgenoemde vennootschap door het verijdelen van verhaal door de crediteuren op die vennootschap. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [eiser sub 1] voldoende gemotiveerd gesteld dat [bedrijfsnaam] haar activiteiten heeft beëindigd met het oogmerk van benadeling van [eiser sub 1] , en eventuele andere huurders met wie zij een bemiddelingsovereenkomst heeft gesloten, in zijn verhaalsmogelijkheden met betrekking tot de betaalde bemiddelingskosten. Uit het door [eiser sub 1] gestelde is voorts af te leiden dat de activiteiten van [bedrijfsnaam] zijn voortgezet door [gedaagde] .

Hoewel het op de weg van [gedaagde] had gelegen om tegenover de gemotiveerde stellingen van [eiser sub 1] feiten en omstandigheden aan te voeren op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat van misbruik geen sprake is, heeft zij dit nagelaten. Zij heeft integendeel bij conclusie van dupliek aangevoerd dat zij nimmer haar onderneming heeft stopgezet.

4.6.

Het vorenstaande leidt ertoe dat als onvoldoende gemotiveerd weersproken wordt aangenomen dat [bedrijfsnaam] misbruik heeft gemaakt van het identiteitsverschil tussen haar en [gedaagde] en dat dit misbruik ook aan [gedaagde] moet worden toegerekend. Het door [bedrijfsnaam] gemaakte misbruik van het identiteitsverschil moet als dermate ernstig worden aangemerkt, dat vereenzelviging de aangewezen vorm is om het misbruik maken van het identiteitsverschil ongedaan te maken. Het identiteitsverschil tussen [bedrijfsnaam] en [gedaagde] dient in zoverre weggedacht te worden, dat ook [gedaagde] aansprakelijk is voor terugbetaling van onverschuldigd betaalde bemiddelingskosten.

Nu door [gedaagde] niet gemotiveerd is weersproken dat [bedrijfsnaam] heeft gehandeld in strijd met het verbod om bij bemiddeling voor woonruimte ‘twee heren te dienen’, zoals bedoeld in artikel 7:417 lid 4 jo 7:427 BW, is de vordering tot terugbetaling van de bemiddelingskosten toewijsbaar, vermeerderd met de niet weersproken nevenvordering inzake wettelijke rente.

4.7.

[gedaagde] wordt, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van [eiser sub 1] worden begroot op

€ 321,39, bestaande uit € 98,39 aan kosten dagvaarding en € 223,-- aan griffierecht. Nu [eiser sub 1] in persoon procedeert, zal geen salaris gemachtigde worden toegekend.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser sub 1] tegen bewijs van kwijting te betalen € 1.100,98 met de wettelijke rente over € 1.028,50 vanaf 14 januari 2016 tot de voldoening;

5.2.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiser sub 1] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 321,39;

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. 22 juni 2016, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op G.J. van Binsbergen.