Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:3374

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
20-06-2016
Datum publicatie
25-07-2016
Zaaknummer
UTR 16/752
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2017:1082, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft aan eiseres drie Wav-boetes opgelegd wegens overtreding van de artikelen 2 en 15 van de Wav. De rechtbank acht de Beleidsregel 2015 ook voor wat betreft de hoogte van de boetes wegens overtreding van artikel 15 van de Wav onredelijk. Beroep in zoverre gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 16/752

uitspraak van de enkelvoudige kamer 20 juni 2016 in de zaak tussen

[bedrijf 1] , te [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. E.C. van der Maden),

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder(gemachtigde: mr. G. Zwagenmakers).

Procesverloop

Bij besluit van 19 maart 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres drie boetes opgelegd van in totaal € 16.500,- wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) en overtreding van artikel 15, eerste, tweede en vierde lid, van de Wav.

Bij besluit van 18 december 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres deels gegrond verklaard en de boete wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav gematigd met € 4.000,-, zodat aan eiseres drie boetes zijn opgelegd van in totaal
€ 12.500,-.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2016. Namens eiseres is verschenen de heer [naam] , bijgestaan door de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Op 21 november 2014 hebben inspecteurs van de Inspectie van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Inspectie SZW), belast met het toezicht op de naleving van de bepalingen van de Wav, een administratieve controle gehouden bij [bedrijf 2] ( [bedrijf 2] ). Daaruit is gebleken dat [X] ( [X] ), van Bulgaarse nationaliteit, door eiseres op 4 juli 2013 voor 3,25 uur te werk is gesteld in een door [bedrijf 3] aangenomen opdracht van [bedrijf 4] ( [bedrijf 4] ) bij University College Utrecht. Hiervan is op 14 november 2014 een boeterapport opgemaakt. Vervolgens heeft de besluitvorming plaatsgevonden zoals vermeld onder ‘procesverloop’.

2. Tussen partijen is niet in geschil dat [X] als vreemdeling in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wav moet worden aangemerkt. Evenmin is in geschil dat eiseres kan worden aangemerkt als werkgever in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 1, van de Wav. Voorts is niet in geschil dat [X] niet beschikte over een tewerkstellingsvergunning.

3. Eiseres heeft – samengevat – aangevoerd dat geen sprake is van overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav omdat voor [X] geen tewerkstellingsvergunning vereist was. De boete wegens de vermeende overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav is volgens eiseres in strijd met Europees recht, in het bijzonder met het beginsel van voorrang zoals neergelegd in artikel 14 van bijlage VI bij het Verdrag tussen de lidstaten van de Europese Unie en de Republiek Bulgarije en Roemenië betreffende de toetreding van de Republiek Bulgarije en Roemenië tot de Europese Unie (het Toetredingsverdrag) en het Protocol betreffende de voorwaarden en de nadere regels voor de toelating van de Republiek Bulgarije en Roemenië tot de Europese Unie (het Toetredingsprotocol), beide gepubliceerd in het PB 2005 L 157. Evenmin is sprake van overtreding van artikel 15, eerste, tweede en vierde lid, van de Wav. Eiseres heeft immers de voorzijde van het verblijfsdocument van [X] gecontroleerd, opgeslagen en doorgezonden naar [bedrijf 4] . Ten slotte heeft eiseres aangevoerd dat zij niet verwijtbaar heeft gehandeld, zodat de boetes op nihil moeten worden gesteld dan wel (vergaand) moeten worden gematigd. Op de stellingen van eiseres zal hierna nader worden ingegaan.

4. Verweerder heeft zich voor wat betreft de overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav op het standpunt gesteld dat de boete niet in strijd is met het Europese recht nu de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de ABRvS) in de uitspraak van 4 november 2015 heeft geoordeeld dat de tewerkstellingsvergunningplicht ten aanzien van Bulgaren en Roemenen tot 1 januari 2014 moet worden gehandhaafd. Voor wat betreft de overtredingen van artikel 15, eerste, tweede en vierde lid, van de Wav heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat, anders dan eiseres lijkt te veronderstellen, een afschrift van zowel de voor- als achterzijde van het verblijfsdocument van [X] noodzakelijk is. Nu eiseres slechts de voorzijde van het verblijfsdocument heeft gecontroleerd, gekopieerd en heeft doorgezonden, is daarmee niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 15, eerste, tweede en vierde lid, van de Wav, aldus verweerder. Ten aanzien van de verwijtbaarheid heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de door eiseres aangevoerde omstandigheden niet meebrengen dat verweerder gehouden was de boetes te matigen.

5. Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wav is het een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning of zonder dat een vreemdeling in het bezit is van een gecombineerde vergunning voor werkzaamheden bij die werkgever.

Op grond van artikel 15, eerste lid, van de Wav draagt, indien de werkgever door een vreemdeling arbeid laat verrichten waarbij die arbeid feitelijk wordt verricht bij een andere werkgever, de eerstgenoemde werkgever er bij aanvang van de arbeid door de vreemdeling onverwijld zorg voor dat de andere werkgever een afschrift van het document, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1º tot en met 3º, van de Wet op de identificatieplicht, van de vreemdeling ontvangt.

Op grond van artikel 15, tweede lid, van de Wav stelt de werkgever die het afschrift van het document, bedoeld in het eerste lid ontvangt, de identiteit van de vreemdeling vast aan de hand van het genoemde document en neemt hij het afschrift op in de administratie.

Op grond van artikel 15, vierde lid, van de Wav bewaart de werkgever, bedoeld in het tweede lid, het afschrift tot tenminste vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de arbeid door de vreemdeling is beëindigd.

Op grond van artikel 19d, zesde lid, van de Wav stelt verweerder beleidsregels vast waarin de boetebedragen voor de overtredingen worden vastgesteld.

Volgens artikel 1 van de Beleidsregel boeteoplegging Wet arbeid vreemdelingen 2015 (de Beleidsregel 2015) en de daarbij behorende Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete, bedraagt de bestuurlijke boete voor een rechtspersoon € 2.250,- per overtreding van artikel 15, eerste, tweede en vierde lid, van de Wav. De overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav bedraagt op grond van artikel 1 van het Besluit tot wijziging van de Beleidsregel (het Besluit)
€ 8.000,-.

Artikel 2, eerste lid, van de Wav

6. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of sprake is van overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav.

7. Eiseres heeft gesteld dat geen sprake is van een overtreding op grond van artikel 2, van de Wav, omdat een tewerkstellingsvergunning voor Bulgaren niet mocht worden geëist zodat artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wav van toepassing was. Dat de ABRvS in soortgelijke zaken anders heeft geoordeeld, doet hier naar de mening van eiseres niet aan af. Eiseres heeft daarbij een beroep gedaan op de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 24 juli 2015 (ECLI:NL:RBZWB:2015:4991) waarin is geoordeeld dat omdat Japanners vrije toegang tot de Nederlandse arbeidsmarkt hebben, Roemenen en Bulgaren dat gelet op de begunstigingsclausule van artikel 14 van Bijlage VI van het Toetredingsprotocol ook moeten hebben. Eiseres heeft daarbij tevens gewezen op het Sommer-arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 21 juni 2012 (ECLI:EU:C:2012:371) waarin is bepaald dat de begunstigingsclausule het beginsel van voorrang vaststelt voor de burgers van de Europese Unie. Overeenkomstig deze bepaling moeten voor Bulgaarse onderdanen niet enkel dezelfde voorwaarden voor de toegang tot de arbeidsmarkt van de lidstaten gelden als voor onderdanen van derde landen, maar genieten zij ook een voorkeursbehandeling ten opzichte van laatstgenoemden. Aangezien op grond van een bilateraal verdrag tussen Nederland en Japan voor Japanse werknemers geen tewerkstellingsvergunning nodig is, betekent het voorgaande dat verweerder ten aanzien van [X] niet het vereiste van een tewerkstellingsvergunning kon en mocht stellen aldus eiseres.

8. De rechtbank is van oordeel het beroep van eiseres op de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant niet kan slagen. De rechtbank verwijst daarvoor naar de uitspraak van de ABRvS van 4 november 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3367) waarin is bepaald dat artikel 14 van Bijlage VI bij het Toetredingsprotocol de begunstigingsclausule niet zover strekt dat een uitzondering op het uitgangspunt dat derdelanders vergunningplichtig zijn, zonder meer in strijd moet worden geacht met de daarin opgenomen begunstigingsclausule. Het beginsel van voorrang dient volgens de ABRvS niet even ruim te worden uitgelegd als een meestbegunstigingsclausule, zoals die voorlag in de uitspraak van de ABRvS van 24 december 2014 en waarvan de strekking is dat een Japanse onderdaan is alles wat betreft het verblijf, de uitoefening van zijn bedrijf en beroep en het voeren van zijn bedrijfs- of nijverheidsonderneming in alle opzichten op dezelfde voet moet worden geplaatst als de onderdanen van de meest begunstigde natie. De tekst van punt 14, tweede alinea, van Bijlage VI bij het Toetredingsprotocol biedt voor een dergelijke ruime uitleg geen grond en valt volgens de ABRvS ook niet af te leiden uit het Sommer-arrest. De rechtbank overweegt voorts dat de ABRvS dit oordeel in haar uitspraak van 28 januari 2016 heeft bevestigd. In die uitspraak heeft de ABRvS het door de minister ingestelde hoger beroep tegen bovengenoemde uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant gegrond verklaard en heeft zij de uitspraak van de rechtbank vernietigd. Het beroep van eiseres op het Sommer-arrest of de uitspraak van de ABRvS van 24 december 2014 kan gelet op het voorgaande niet slagen.

9. Hieruit volgt dat eiseres over een tewerkstellingsvergunning voor [X] diende te beschikken. Nu eiseres daar niet over beschikte, heeft zij in strijd gehandeld met artikel 2, eerste lid, van de Wav. Het handelen in strijd met artikel 2, eerste lid, van de Wav, is een overtreding. Verweerder was daarom in beginsel bevoegd om aan eiseres conform de Beleidsregel 2015 in samenhang gelezen met het Besluit, een bestuurlijke boete van € 8.000,- op te leggen. De rechtbank acht dit beleid niet onredelijk en verwijst daarbij naar de uitspraak van de ABRvS van 7 oktober 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3138) die aan het Besluit ten grondslag heeft gelegen. De beroepsgrond slaagt niet.

Artikel 15, eerste, tweede en vierde lid, van de Wav

10. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of sprake is van overtreding van artikel 15, eerste, tweede en vierde lid, van de Wav.

11. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiseres enkel een afschrift van de voorzijde van het verblijfsdocument van [X] van [bedrijf 2] heeft ontvangen en daarmee de achterzijde van het verblijfsdocument van [X] voorafgaand aan de tewerkstelling bij [bedrijf 4] niet heeft gecontroleerd. Evenmin is in geschil dat eiseres voorafgaand aan de tewerkstelling van [X] geen afschrift van het volledige verblijfsdocument van [X] , te weten zowel de voor- als achterzijde van dit document, in haar administratie heeft opgenomen. Voorts is niet in geschil dat eiseres voorafgaand aan de tewerkstelling enkel het afschrift van de voorzijde van het verblijfsdocument van [X] naar [bedrijf 4] heeft doorgestuurd.

12. Uit vaste rechtspraak van de ABRvS volgt dat het de eigen verantwoordelijkheid van een werkgever in de zin van de Wav is, om bij aanvang van de werkzaamheden na te gaan of de voorschriften van die wet worden nageleefd. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraak van de ABRvS van 8 juli 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2120). Doordat eiseres heeft nagelaten de achterzijde van het verblijfsdocument van [X] bij [bedrijf 2] op te vragen en te controleren, heeft eiseres niet aan de hiervoor genoemde verantwoordelijkheid voldaan. Indien zij immers ook de achterkant van het verblijfsdocument had gecontroleerd, dan had zij gezien dat voor [X] een tewerkstellingsvergunning vereist was zodat hij niet door eiseres bij [bedrijf 4] te werk gesteld had mogen worden. De gevolgen van de nalatigheid van eiseres komen voor haar rekening en risico. Gelet hierop heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres in strijd heeft gehandeld met artikel 15, eerste, tweede, respectievelijk vierde lid, van de Wav.

13. Handelingen in strijd met artikel 15, eerste, tweede en vierde lid, van de Wav zijn overtredingen zodat verweerder in beginsel bevoegd was aan eiseres twee boetes op te leggen. De rechtbank is echter van oordeel dat, hoewel de uitspraak van de ABRvS van 7 oktober 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3138) slechts ziet op boetes wegens overtreding van artikel 2, eerste lid van de Wav, analoge toepassing daarvan meebrengt dat de Beleidsregel 2015 ook voor wat betreft artikel 15 van de Wav onredelijk is. De rechtbank overweegt daartoe dat het boetenormbedrag van € 2.250,- per overtreding van elk artikellid van artikel 15, van de Wav, dusdanig hoog is dat verweerder in zijn beleid ten aanzien van dit artikel ook had moeten differentiëren voor werkgevers die niet tot de groep van hardnekkige malafide rechtspersonen of daarmee gelijk te stelen werkgevers behoren. Nu verweerder de Beleidsregel 2015 slechts ten aanzien van artikel 2, eerste lid, van de Wav heeft gewijzigd, ziet de rechtbank aanleiding de Beleidsregel 2015 voor wat betreft de boetes op grond van artikel 15 van de Wav buiten toepassing te laten en verweerder te houden aan het in de Beleidsregel boeteoplegging Wav 2012 (de Beleidsregel 2012) neergelegde boetenormbedrag van € 1.500,- per overtreding van artikel 15, eerste, tweede, respectievelijk vierde lid, van de Wav. Het beroep slaagt in zoverre.

Matiging van de opgelegde boetes

14. Eiseres heeft voorts aangevoerd dat geen sprake is van verwijtbaarheid, zodat de boetes op nihil gesteld dienen te worden. Voor zover al sprake was van enige overtreding van de Wav heeft eiseres aangevoerd dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de omstandigheden die nopen tot nihilstelling dan wel tot aanzienlijke matiging van de opgelegde boetes. De omstandigheden waar eiseres op doelt zijn:

 de onduidelijke arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument van [X] ;

 de certificering van [bedrijf 2] , de formele werkgever van [X] , van wie eiseres [X] had ingeleend;

 het feit dat eiseres ‘first offender’ is;

 het feit dat [X] , die een andere ingeleende medewerker met Poolse nationaliteit op het laatste moment wegens ziekte verving, zeer marginale arbeid heeft verricht waar een marktconform loon van € 68,25 tegenover stond;

 het ontbreken van opzet of grove schuld aan de zijde van eiseres;

 het feit dat geen doorkruising van de doelstellingen van de Wav heeft plaatsgevonden;

 het feit dat sinds 1 januari 2014 door Bulgaren vrijelijk arbeid mag worden verricht, zodat wanneer [X] niet op 4 juli 2013, maar slechts zes maanden later arbeid had verricht, hij geen tewerkstellingsvergunning meer nodig zou hebben;

 de slechte financiële positie van eiseres; en

 de maatregelen die eiseres heeft genomen na de vermeende overtredingen.

15. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de door eiseres aangevoerde omstandigheden niet meebrengen dat verweerder gehouden was de boetes te matigen.

16. Op grond van artikel 10, eerste lid, van de Beleidsregel 2015 kan indien sprake is van overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav, de berekende bestuurlijke boete per overtreding met 25%, 50% of 75% worden gematigd afhankelijk van de aard en ernst van de overtreding, de mate van verwijtbaarheid en de evenredigheid. Van het volledig ontbreken van verwijtbaarheid is volgens de toelichting bij artikel 10 van de Beleidsregel 2015 bijvoorbeeld sprake als de tewerkgestelde vreemdeling zich heeft geïdentificeerd met een vals identiteitsbewijs, waarbij de vervalsing betrekking heeft op de zogenaamde tweedelijnskenmerken die bij een werkgever niet bekend worden verondersteld.

17. Uit vaste rechtspraak van de ABRvS volgt dat het bij het opleggen van een boete wegens overtreding van artikel 2, eerste lid en artikel 15 van de Wav gaat om aanwending van een discretionaire bevoegdheid van verweerder. De rechtbank verwijst bijvoorbeeld naar de uitspraak van de ABRvS van 6 april 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:932). Verweerder moet bij de aanwending van deze bevoegdheid op grond van artikel 5:46, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de hoogte van de boete afstemmen op de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten en op de ernst van de overtreding, waarbij rekening moet worden gehouden met de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan. Verweerder heeft beleidsregels vastgesteld waarin de boetebedragen voor de overtredingen zijn vastgesteld. Bij toepassing van deze beleidsregels en de daarin vastgestelde boetebedragen dient verweerder in elk voornemend geval te beoordelen of die toepassing strookt met de hiervoor bedoelde eisen die aan de aanwending van de bevoegdheid tot het opleggen van een boete moeten worden gesteld. Indien dat niet het geval is, dient de boete, in aanvulling of in afwijking van het beleid, zodanig te worden vastgesteld dat het bedrag daarvan passend en geboden is.

18. De rechtbank toetst zonder terughoudendheid of het besluit van verweerder met betrekking tot de boetes voldoet aan deze eisen en dus leidt tot een evenredige sanctie.

19. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van het volledig ontbreken van verwijtbaarheid. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres niet alle maatregelen heeft getroffen om overtreding van artikel 2, eerste lid, en artikel 15 van de Wav te voorkomen. Zoals volgt uit stap 2a van het Stappenplan verificatieplicht alsmede uit de informatie op de website www.weethoehetzit.nl, had eiseres het gehele verblijfsdocument van [X] behoren te controleren om vast te stellen dat in dit geval een tewerkstellingsvergunning vereist was. Dit volgt ook uit de uitspraak van de ABRvS van 27 mei 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1686). Nu vast staat dat eiseres heeft nagelaten het verblijfsdocument volledig te controleren, te kopiëren en een afschrift ervan op te nemen en te bewaren in de administratie kan eiseres niet worden gevolgd in haar stelling dat sprake is van het volledig ontbreken van verwijtbaarheid. Dat – beweerdelijk – sprake was van een overmachtssituatie omdat de werknemer die aanvankelijk was ingeroosterd zich had ziek gemeld, dient naar het oordeel van de rechtbank voor rekening en risico van eiseres te blijven. Gelet hierop heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de boetes wegens overtreding van artikel 2 en artikel 15 van de Wav dan ook niet op nihil moeten worden gesteld.

20. Ter zitting heeft verweerder een matiging van 25% aangeboden nu niet langer in geschil is dat eiseres aan de NEN norm voldoet. De rechtbank acht gelet hierop een matiging van de boete wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav passend en geboden. In zoverre slaagt het beroep.

21. Voorts ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de aan eiseres opgelegde boete vanwege overtreding van artikel 2 van de Wav verder gematigd moet worden. Zoals de ABRvS in de in rechtsoverweging 17 genoemde uitspraak van 26 april 2016 heeft overwogen, is het immers de eigen verantwoordelijkheid van een werkgever om bij aanvang van de werkzaamheden na te gaan of aan de voorschriften van de Wav wordt voldaan. Hoewel het gaat om minimale werkzaamheden, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht geen toepassing gegeven aan artikel 10 van de Beleidsregel 2015. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

21.1

Het betoog van eiseres dat aanleiding bestaat voor matiging van de boete wegens overtreding van artikel 2 van de Wav omdat per 1 januari 2014 de tewerkstellingsvergunningplicht voor werknemers van Bulgaarse nationaliteit is vervallen, faalt omdat dit het gevolg is van de omstandigheid dat de verplichte tewerkstellingsvergunning slechts tijdelijk van aard was. Dit volgt uit het overgangsrecht dat is neergelegd in Bijlage VI bij het Toetredingsprotocol. Dit betekent dan ook niet dat het inzicht over de strafwaardigheid van de geconstateerde overtreding is gewijzigd. Dat het boeterapport dateert van na 1 januari 2014 laat de strafwaardigheid van de door eiseres vóór die datum begane overtreding van de Wav onverlet. Dat geldt ook voor de omstandigheid dat eiseres de Wav niet eerder heeft overtreden.

21.2

Ten aanzien van de onduidelijke arbeidsmarktaantekening overweegt de rechtbank dat uit vaste rechtspraak van de ABRvS volgt dat indien een werkgever de desbetreffende arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument van een vreemdeling niet heeft gecontroleerd alvorens de vreemdeling arbeid te laten verrichten, die werkgever in beginsel geen geslaagd beroep kan doen op matiging wegens een verkeerd begrip van die aantekening. De rechtbank verwijst bijvoorbeeld naar de uitspraak van de ABRvS van 30 maart 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:871). Nu eisers de arbeidsmarktaantekening van [X] niet volledig heeft gecontroleerd, heeft eiseres hier ook geen vertrouwen aan kunnen ontlenen. Dat eiseres behalve het afschrift van de voorzijde van het verblijfsdocument, ook een afschrift de Nederlandse bankpas en de verzekeringspas van [X] heeft ontvangen, en dit voor haar voldoende was, leidt gelet op het voorgaande niet tot een andere conclusie.

21.3

Dat met de tewerkstelling van [X] de doelstellingen van de Wav niet zijn geschonden en de overtredingen door eiseres om die reden als minder ernstig moet worden aangemerkt en de aan haar opgelegde boete wegens overtreding van artikel 2 van de Wav om die reden gematigd moet worden, volgt de rechtbank niet. Nu vast staat dat [X] niet over een tewerkstellingsvergunning beschikte en evenmin is gebleken dat voor [X] een tewerkstellingsvergunning is aangevraagd, heeft het ter zake bevoegde orgaan, het UWV WERKbedrijf, niet kunnen beoordelen of voor de tewerkstellingsvergunning van [X] legaal arbeidsaanbod is verdrongen of dat de arbeidsvoorwaarden, de arbeidsverhoudingen of de arbeidsomstandigheden zich tegen een tewerkstellingsvergunning verzette. Evenmin is beoordeeld of sprake is van uitbuiting van illegale werknemers of en zo ja, in hoeverre in hoeverre eiseres door het tewerkstellen van de vreemdeling concurrentievoordeel heeft behaald. Reeds daarom faalt het betoog van eiseres dat niet in strijd met de doelstellingen van de Wav zou zijn gehandeld. Dat eiseres aan [X] een marktconform loon heeft betaald, kan, wat daar ook van zij, aan het voorgaande niet afdoen. Het betoog van eiseres dat [X] een EU-onderdaan is, leidt niet tot een ander oordeel, nu uit het voorgaande blijkt dat ten tijde van belang voor Bulgaren een tewerkstellingsvergunning verplicht was.

21.4

Hetgeen eiseres heeft aangevoerd over het ontbreken van opzet of schuld treft geen doel, omdat opzet of schuld voor het begaan van een overtreding als de onderhavige niet is vereist. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van de ABRvS van 21 augustus 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:813).

21.5

Voor zover eiseres heeft aangevoerd dat zij na de vermeende overtredingen maatregelen heeft getroffen, is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken of aannemelijk is geworden dat eiseres deze maatregelen heeft getroffen vóór de totstandkoming van het bestreden besluit. Voor zover eiseres doelt op maatregelen van na het bestreden besluit, overweegt de rechtbank in navolging van de uitspraak van de ABRvS van 9 juli 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:2511) dat deze, gelet op het tijdstip waarop deze zijn verricht, niet ter zake doen.

21.6

Volgens vaste rechtspraak van de ABRvS bestaat reden tot matiging van de opgelegde boete indien op basis van de door de beboete werkgever overgelegde financiële gegevens moet worden geoordeeld dat hij door de opgelegde boete onevenredig wordt getroffen. De rechtbank verwijst in dit verband bijvoorbeeld naar de onder rechtsoverweging 21.2 aangehaalde uitspraak van de ABRvS van 30 maart 2016. Daarbij dient de rechter de aannemelijk geworden omstandigheden waarin de werkgever op dat moment verkeert, in acht te nemen bij de beoordeling van de draagkracht van de werkgever. Uit de door eiseres overgelegde stukken kan niet worden afgeleid dat eiseres de boetes niet kan betalen, zodat niet aannemelijk is geworden dat eiseres door de boetes onevenredig wordt getroffen. De rechtbank acht in dit verband tevens van belang dat verweerder eiseres een betalingsregeling met een looptijd van twaalf maanden aangeboden heeft.

22. Hetgeen hiervoor is overwogen, geldt – voor zover relevant – eveneens voor de boetes vanwege de overtredingen van artikel 15 van de Wav. Ook voor deze boetes geldt derhalve dat geen aanleiding bestaat tot (verdere) matiging.

23. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en herroept het primaire besluit. De rechtbank is op grond van artikel 8:7a van de Awb gehouden zelf in de zaak te voorzien en zelf de hoogte van de boetes vast te stellen. Onder verwijzing naar hetgeen de rechtbank hiervoor in rechtsoverweging 20 heeft geoordeeld, stelt de rechtbank de boete wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav vast op € 6.000,-. Onder verwijzing naar hetgeen in rechtsoverweging 13 is geoordeeld, stelt de rechtbank de twee boetes wegens overtreding van artikel 15, eerste, respectievelijk tweede en vierde lid, van de Wav vast op € 1.500,- per overtreding.

24. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 992,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 490,- en een wegingsfactor 1). Ten aanzien van de proceskosten in de vorm van reis- en verblijfkosten, overweegt de rechtbank dat gelet op artikel 1, onder c, van het Bpb reis- en verblijfkosten voor vergoeding in aanmerking komen. Eiseres heeft haar reiskosten begroot op € 10,-. De rechtbank is van oordeel dat dit overeenkomt met de kosten van een retour Amsterdam – Utrecht (openbaar vervoer, tweede klasse). Eiseres heeft daarnaast verzocht om vergoeding van € 160,- als verletkosten voor het bijwonen van de terechtzitting en vanwege de reis. De rechtbank overweegt dat deze kosten niet nader zijn onderbouwd en aannemelijk gemaakt met het aantal bestede uren, het uurloon en het daadwerkelijk maken van de kosten, zodat deze verletkosten niet in aanmerking komen voor een vergoeding.

25. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- verklaart het bezwaar gegrond en herroept het primaire besluit, in zoverre dat de hoogte van de boetes wordt vastgesteld op totaal € 9.000,-;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 992,-;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 334,- aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Nicholson, rechter, in aanwezigheid van
mr. J. Habermann, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 juni 2016.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.