Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:3356

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
21-06-2016
Datum publicatie
22-06-2016
Zaaknummer
16/700214-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beslissing van de meervoudige kamer voor strafzaken naar aanleiding van de vordering ex artikel 18 van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen van de officier van justitie in dit arrondissement van 25 januari 2016, strekkende tot het verlenen van verlof tot tenuitvoerlegging in Nederland van de rechterlijke beslissing van het US District Court, Central District of Californië van 10 december 2014.

De rechtbank VERKLAART TOELAATBAAR de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van het US District Court, Central District of California van 10 december 2014 opgelegde gevangenisstraf en verleent daartoe verlof.

LEGT OP een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren en 6 maanden.

BEVEELT dat de tijd die veroordeelde in Nederland in uitleveringsdetentie en in de Verenigde Staten van Amerika in voorlopige hechtenis, alsmede ter executie van de hem opgelegde vrijheidsstraf heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de straf in zijn geheel in mindering zal worden gebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/700214-15

Kenmerk: WTS-I-2015035471

Datum uitspraak: 21 juni 2016

Beslissing van de meervoudige kamer voor strafzaken naar aanleiding van de vordering ex artikel 18 van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen van de officier van justitie in dit arrondissement van 25 januari 2016, strekkende tot het verlenen van verlof tot tenuitvoerlegging in Nederland van de rechterlijke beslissing van het US District Court, Central District of Californië van 10 december 2014, waarbij is veroordeeld:

[veroordeelde] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1969] ,

laatstelijk woonachtig te [woonplaats] ,

tot een gevangenisstraf van 121 maanden.

1 De procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 7 juni 2016 in tegenwoordigheid van de officier van justitie, de veroordeelde en mr. B. Stapert, advocaat te Amsterdam.

2 Identiteit veroordeelde

De rechtbank heeft de identiteit van de veroordeelde onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde personalia kloppen en dat de veroordeelde de Nederlandse nationaliteit heeft.

3 De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De rechtbank stelt vast dat de termijn als bedoeld in artikel 18, eerste lid, WOTS in ruime mate is overschreden. Op overschrijding van die termijn is door de wet echter geen sanctie gesteld. De officier van justitie is ontvankelijk in zijn vordering.

4 De toelaatbaarheid

De autoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika hebben ingevolge het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen (21 maart 1983, Straatsburg) (hierna: het Verdrag) de overdracht en tenuitvoerlegging verzocht van de rechterlijke beslissing van 10 december 2014. Bij laatstgenoemde beslissing is veroordeelde onherroepelijk veroordeeld tot een gevangenisstaf van 121 maanden.

De veroordeelde is op 13 april 2012 aangehouden in Nederland en heeft van 17 april 2012 tot aan zijn uitlevering op 14 maart 2014 in uitleveringsdetentie gezeten. Veroordeelde is aan de Amerikaanse autoriteiten uitgeleverd onder de voorwaarden dat –indien hij na overlevering tot een vrijheidsstraf zou worden veroordeeld, hij die straf in Nederland kan ondergaan en dat deze conform de in artikel 11 van het Verdrag beschreven procedure zal worden omgezet. Op 4 februari 2016 is veroordeelde weer in Nederland aangekomen en sindsdien heeft hij in Nederland gedetineerd gezeten. Ten tijde van de uitspraak in deze zaak op 21 juni 2016 heeft veroordeelde 1530 dagen in detentie doorgebracht.

De rechtbank constateert dat de rechterlijke beslissing waarvan overdracht en tenuitvoerlegging wordt gevraagd is gewezen ten aanzien van feiten die naar Amerikaans recht strafbaar zijn. Deze feiten zijn naar Nederlands recht als een inbreuk op de Nederlandse rechtsorde strafbaar.

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat veroordeelde zich samen met een ander heeft bezighouden met de internationale handel in harddrugs. De vraag is of daarbij sprake was van een criminele organisatie.

De officier van justitie en de raadsman hebben zich op het standpunt gesteld dat geen sprake was van een criminele organisatie.

De raadsman heeft in dat verband betoogd dat veroordeelde niet heeft deelgenomen aan een organisatie in de zin van artikel 11a van de Opiumwet. Hij heeft namelijk maar met één persoon samengewerkt, en die samenwerking was niet gestructureerd en duurzaam.

De rechtbank deelt dit standpunt niet. Uit de sentence data summary blijkt dat veroordeelde samen met [A] een grootschalig online drugsnetwerk heeft opgezet, via online markplaatsen, dat in ieder geval tussen maart 2006 en 16 april 2012 wereldwijd opereerde. [A] en veroordeelde rekruteerden samen leveranciers en zij hebben ook gezamenlijk anderen aangenomen die betalingen via het online platform in ontvangst namen. Uit de sentence data summary blijkt eveneens dat veroordeelde en [A] samenwerkten om het online netwerk te verbeteren. Toen dit was gelukt hebben zij klanten hiervan in één emailbericht op de hoogte gesteld. Verder hadden [A] en veroordeelde een overeenkomst gesloten op grond waarvan veroordeelde 10% van de winst kreeg en [A] 15%, plus de winst van de verzekeringspremie die klanten betaalden om hun aankopen te verzekeren. De rechtbank is van oordeel dat de samenwerking tussen veroordeelde en [A] aldus zodanig duurzaam en structureel was dat sprake was van een organisatie in de zin van artikel 11a, eerste lid, van de Opiumwet.

Met betrekking tot het in de Verenigde Staten van Amerika bewezenverklaarde witwassen heeft de raadsman aangevoerd dat veroordeelde de opbrengsten uit de drugshandel heeft gebruikt voor de distributie van drugs. Volgens vaste Nederlandse jurisprudentie betreft het hier geen witwassen, aangezien er geen verhullende handeling heeft plaatsgevonden.

Ook dit standpunt deelt de rechtbank niet. Uit de sentence data summary, blijkt dat veroordeelde en [A] hun klanten opdracht gaven om hun betalingen over te maken op naam van verschillende personen in Boedapest en Hongarije. De betalingen verliepen via [naam] en de bedragen werden overgemaakt op naam van [naam] S.A., gevestigd in Panama. De betalingen werden gedaan in de vorm van overschrijvingen naar een prepaid betaalkaart waartoe veroordeelde toegang had. De mensen die de betalingen in ontvangst hadden genomen stuurden het geld door naar [A] . De rechtbank constateert dat veroordeelde met die constructie de criminele herkomst van de opbrengsten van de webshop wilde verhullen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat er wel degelijk sprake is geweest van ‘verhullen’ als bedoeld in artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

De feiten worden naar Nederlands recht gekwalificeerd als:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A en onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

en

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder A en onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

en

het deelnemen aan een organisatie die het oogmerk heeft het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, vierde en vijfde lid en 11, vierde en vijfde lid van de Opiumwet

en

medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd

Veroordeelde zou naar Nederlands recht eveneens strafbaar zijn geweest.

De tenuitvoerlegging van het hiervoor vermelde vonnis dient toelaatbaar te worden verklaard nu is bevonden dat aan alle daarvoor in het toepasselijk verdrag en de wet gestelde eisen is voldaan. Het verlof tot tenuitvoerlegging van dit vonnis zal op na te melden wijze worden verleend.

5 Motivering van de strafoplegging

5.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting de conclusie als bedoeld in artikel 28, achtste lid, WOTS voorgelezen en vervolgens aan de rechtbank overgelegd. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat gelet op de ernst van de feiten, de persoon van veroordeelde en rekening houdend met de Amerikaanse wetgeving en -kort gezegd- de internationale gevoeligheden alleen een langdurige gevangenisstraf gepast is. De officier van justitie heeft gevorderd dat aan veroordeelde een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren wordt opgelegd.

5.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich, gelet op door hem aangehaalde jurisprudentie, de LOVS-richtlijnen en de omstandigheden in deze zaak, waaronder –kort gezegd- een te lang durende detentie in de Verenigde Staten van Amerika, op het standpunt gesteld dat volstaan kan worden met een gevangenisstraf gelijk aan de duur van de reeds ondergane detentie.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat bij het opleggen van de straf als uitgangspunt dient te worden genomen dat de in het buitenland opgelegde straf moet worden vervangen door een straf die naar Nederlandse maatstaven en opvattingen geacht wordt te beantwoorden aan de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd en de persoon van de dader. Bij die vervanging dient tevens rekening te worden gehouden met de internationale gevoeligheden. Van al te grote veranderingen zou een aanstootgevend effect kunnen uitgaan en daarmee zou uiteindelijk de werking van de verdragen in relatie tot Nederland op het spel kunnen komen te staan.

Uit genoemd vonnis is gebleken dat veroordeelde in georganiseerd verband met (een) mededader(s) in de periode van maart 2006 tot en met 16 april 2012 vele malen en in totaal een aanzienlijke hoeveelheid LSD en andere drugs, waaronder MDMA en marihuana heeft verhandeld. Om deze drugs te verhandelen exploiteerden veroordeelde en zijn mededaders een webshop in verdovende middelen. Vanuit deze webshop werden de drugs over de hele wereld verkocht.

De betalingen door de afnemers van de drugs heeft veroordeelde in georganiseerd verband met (een) ander(en) witgewassen. Uit het vonnis is voorts gebleken dat veroordeelde een schuldbekentenis heeft afgelegd met betrekking tot de hem verweten misdrijven.

De rechtbank is evenals de Amerikaanse rechters van oordeel dat voor de bewezenverklaarde feiten geen andere straf volstaat dan een langdurige gevangenisstraf. Bij het bepalen van de duur van de vrijheidsstraf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), waarbij uitgaande van de bewezenverklaarde hoeveelheden van de door veroordeelde verhandelde drugs en rekening houdend met het feit dat de feiten in georganiseerd verband zijn gepleegd de volgende uitgangspunten worden vermeld:

  • -

    14,6 kilogram LSD. De LOVS-oriëntatiepunten geven bij 10-20 kilogram een gevangenisstraf van 60-72 maanden weer;

  • -

    350 gram van een LSD mengsel. De LOVS-oriëntatiepunten geven bij 200-500 gram een gevangenisstraf van 6-7 1/3 maanden weer;

  • -

    42.000 kilogram wiet. De LOVS-oriëntatiepunten geven geen uitgangspunt weer. Uit jurisprudentie en onder meer de richtlijn ter zake de exploitatie van een hennepkwekerij volgt dat hierop langdurige gevangenisstraf staat;

  • -

    148 gram MDMA. De LOVS-oriëntatiepunten geven ter zake het in georganiseerd verband plegen van de handel in een dergelijke hoeveelheid geen uitgangspunt weer, doch voor het verhandelen van een dergelijke hoeveelheid zonder georganiseerd verband een gevangenisstraf van 7-10 weken.

Bij de vaststelling van de duur van de straf neemt de rechtbank in strafverzwarende zin in overweging dat de Nederlandse overheid regelmatig waarschuwt voor het plegen van strafbare feiten in het buitenland, en dat met name op het gebied van het bezit van verdovende middelen en de handel daarin, grote risico’s zijn verbonden, gezien de veelal aanzienlijk hogere straffen die in het buitenland voor dit soort feiten worden opgelegd.

In strafverzwarende zin houdt de rechtbank voorts bij haar overwegingen rekening met het strafblad van veroordeelde. Hieruit blijkt dat veroordeelde in 2006 eveneens is veroordeeld ter zake overtreding van de Opiumwet. Deze veroordeling heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de voornoemde feiten te plegen.

De rechtbank houdt er rekening mee dat de uitlevering aan de Verenigde Staten van Amerika heeft plaatsgevonden onder de waarborg dat veroordeelde, indien hij door de Amerikaanse autoriteiten tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou worden veroordeeld, die straf in Nederland kon ondergaan en dat deze kan worden omgezet conform artikel 11 van het Verdrag. Na het Amerikaanse vonnis van 10 december 2014 heeft het nog ongeveer 14 maanden geduurd alvorens hij werd overgebracht naar Nederland. In strafmatigende zin houdt de rechtbank rekening met de relatief lange duur van deze in de Verenigde Staten van Amerika ondergane detentie, die in vergelijking met het regime in Nederlandse gevangenissen onder zware omstandigheden heeft plaatsgevonden.

Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren en 6 maanden passend en geboden. De tijd die veroordeelde ter zake van de feiten in Nederland, de Verenigde Staten van Amerika en vervolgens weer in Nederland van zijn vrijheid beroofd is geweest in het kader van de onderhavige zaak dient op genoemde straf in mindering gebracht te worden.

6 Toepasselijke wetsbepalingen

De beslissing berust op de artikelen:

47, 57, 420bis van het Wetboek van Strafrecht;

2, 3, 10, 11 en 11a van de Opiumwet;

2, 3, 20, 27, 28, 29, 30 en 31 van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen, en

2, 3, 6 en 11 van het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen, gesloten te Straatsburg op 21 maart 1983 (Trb. 1983, 74, Trb. 1987, 163).

7 Beslissing

VERKLAART TOELAATBAAR de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van het US District Court, Central District of California van 10 december 2014 opgelegde gevangenisstraf en verleent daartoe verlof.

LEGT OP een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren en 6 maanden.

BEVEELT dat de tijd die veroordeelde in Nederland in uitleveringsdetentie en in de Verenigde Staten van Amerika in voorlopige hechtenis, alsmede ter executie van de hem opgelegde vrijheidsstraf heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de straf in zijn geheel in mindering zal worden gebracht.

Aldus gedaan door mr. M.S. Mehilal, voorzitter, mrs. E.M. de Stigter en C.A.M. van Straalen, rechters, bijgestaan door J.J. Veldhuizen als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van deze rechtbank van 21 juni 2016.