Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:3332

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
17-06-2016
Datum publicatie
30-06-2016
Zaaknummer
4886555 \ UV EXPL 16-64
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Afwijzing vordering ex artikel 843a van huurster tot inzage en afschrift van het overlastdossier dat de verhuurster heeft opgemaakt. Geen rechtmatig belang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
WR 2017/19
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 4886555 UV EXPL 16-64 MS/1270

Kort geding vonnis van 17 juni 2016

inzake

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [eiseres] ,

eisende partij,

gemachtigde: mr. E.R. Jonkman,

tegen:

de stichting

Stichting Bo-Ex'91,

gevestigd en kantoorhoudende te Utrecht,

verder ook te noemen Bo-Ex,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. P.J. Gijsbertsen.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding;

  • -

    de mondelinge behandeling van 5 april 2016;

  • -

    de pleitnota van [eiseres] ;

  • -

    de pleitnota van Bo-Ex;

  • -

    de aanhouding ten behoeve van een onderzoek naar de mogelijkheden voor een woonoplossing voor [eiseres] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] huurt van Bo-Ex woonruimte aan de [adres] te [woonplaats] .

2.2.

De gemachtigde van [eiseres] heeft Bo-Ex bij brief van 18 december 2015 het volgende verzoek gedaan:

“Tot mij heeft zich gewend mevrouw [eiseres] (…) met het verzoek haar belangen te behartigen.

Van haar begreep ik dat er veel problemen zijn met de heer [E] . U heeft daar ook een dossier van aangemaakt, zie bovenstaand kenmerk van u. Bij deze vraag ik u mij een kopie van dat dossier toe te zenden.”

2.3.

Mevrouw [A] (hierna: [A] ), woonconsulent bij Bo-Ex, heeft de gemachtigde van [eiseres] bij ongedateerde brief die door de gemachtigde is ontvangen op 7 januari 2016, meegedeeld dat zij hem het dossier niet kan geven in verband met de privacy van de andere bewoners.

2.4.

De gemachtigde van [eiseres] heeft bij brief van 7 januari 2016 nogmaals aangedrongen om toezending van het dossier en heeft daarbij onder meer een beroep gedaan op artikel 843a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

2.5.

[A] heeft [eiseres] op 11 januari 2016 ( [eiseres] verwijst ten onrechte naar een e-mail van 6 januari 2016) een e-mail gestuurd waarin zij [eiseres] onder meer het volgende meedeelt:

“Geachte mevrouw [eiseres] ,

Hierbij doe ik u verslag van de bespreking van 06-01-2016 op ons kantoor. Bij dit gesprek waren naast ondergetekende ook de heer [B] en de heer [C] van politie en mevrouw [D] van U Centraal aanwezig.

De aanleiding van dit gesprek waren de onrusten in het portiek welke al langere tijd spelen. Onze indruk naar aanleiding van diverse gesprekken met diverse buurtbewoners is dat uzelf een grote negatieve rol speelt in de onrusten en het aanhouden van de onrust in het portiek. U verdraait verhalen en vertelt zaken die niet waar zijn. U vertelt ook onwaarheden over politiemensen, u bent hier tijdens het gesprek ook op aangesproken door politie.

Wij hebben u in het gesprek medegedeeld dat wij bezig zijn met dossieropbouw welke Bo-ex mogelijk zal gebruiken in een juridische procedure wanneer de overlast door u blijft houden. Ook hebben we aangegeven dat mevrouw [D] een melding bij SAVE zal doen op basis van onze gedeelde zorgen om het welzijn van uw kinderen door de gehele situatie.

Wij hebben u dringend verzocht/gesommeerd de overlast te stoppen, niet met buren of andere omwonenden de zaken/problemen in het portiek te bespreken. Geen aanleiding te geven tot actie/reactie van andere buurtbewoners, geen insinuaties te doen en vooral niet zo bezig te zijn/blijven met het wel en wee van de familie [familie] van nummer [nummer] .

Laat strafrechtelijk zaken over aan politie/justitie, ga niet zelf “rechercheren”! Richt u op uw eigen gezin.

(…)”.

2.6.

De gemachtigde van [eiseres] heeft naar aanleiding van deze e-mail zijn verzoek om toezending van het dossier bij brief van 19 januari 2016 nogmaals herhaald.

2.7.

[A] heeft de gemachtigde van [eiseres] bij brief van 19 januari 2016 meegedeeld dat [eiseres] toegang heeft tot haar gehele dossier via “Mijn Bo-Ex”.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. Bo-Ex te veroordelen om binnen 8 dagen na betekening van dit vonnis afschriften van de navolgende bescheiden te overleggen:

- kopieën van het gehele dossier van [eiseres] bij Bo-Ex welke betrekking heeft op de relatie tussen [eiseres] en buren enerzijds en op de relatie tussen Bo-Ex en [eiseres] als gevolg hiervan anderzijds;

2. voor zover Bo-Ex bij de naleving van het onder 1 gevorderde in gebreke blijft, Bo-Ex te veroordelen tot betaling van € 5.000,-- per dag, zulks gemaximeerd tot € 100.000,--;

3. Bo-Ex te veroordelen in de kosten van deze procedure en de nakosten, vermeerderd met wettelijke rente;

4. een zodanig bedrag aan kosten te bepalen als de rechtbank in goede justitie juist acht voor het door Bo-Ex verschaffen van de onder 1 gevorderde bescheiden.

3.2.

Bo-Ex voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Bevoegdheid

4.1.

Bo-Ex stelt zich op het standpunt dat de kantonrechter niet op grond van artikel 93 lid c juncto artikel 254 lid 4 (de kantonrechter leest: lid 5) Rv bevoegd is om van deze zaak kennis te nemen, omdat de hoofdzaak in deze procedure niet de huurovereenkomst tussen partijen betreft, maar het verzoek van [eiseres] tot afgifte van bescheiden ex artikel 843a Rv. De kantonrechter overweegt dat de vordering van [eiseres] nauw verbonden is met de tussen partijen bestaande huurovereenkomst, nu deze vordering ziet op afgifte van het dossier dat Bo-Ex, in haar hoedanigheid van verhuurster, van [eiseres] , in haar hoedanigheid van huurster, heeft opgebouwd. Een eventuele bodemprocedure zal, gelet op de aankondiging door Bo-ex in haar e-mail van 11 januari 2016, bestaan uit de vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst. Gelet hierop dient deze zaak op grond van artikel 93 lid c juncto artikel 254 lid 5 Rv door de kantonrechter te worden behandeld.

Spoedeisendheid

Bo-Ex betwist dat [eiseres] een spoedeisend belang heef bij haar vorderingen. [eiseres] stelt ter onderbouwing van haar spoedeisend belang dat zij onder hoogspanning staat, omdat zij gelet op de e-mail van 11 januari 2016 voor de beëindiging van haar huurovereenkomst vreest, zij zeer ontdaan is door het feit dat alleen zij wordt aangesproken op de overlast en Bo-Ex met betrekking tot haar kinderen een melding heeft gedaan bij SAVE. De kantonrechter is van oordeel dat [eiseres] hierbij haar spoedeisend belang bij haar vorderingen voldoende aannemelijk heeft gemaakt.

Inhoudelijk

4.2.

[eiseres] baseert haar vordering tot inzage en afschrift van het dossier dat Bo-Ex heeft opgemaakt over de overlast die zij zou hebben veroorzaakt op artikel 843a Rv. Tussen partijen is niet in geschil dat [eiseres] thans niet over dit dossier beschikt en dat dit niet via “Mijn Bo-Ex” kan worden ingezien.

4.3.

De kantonrechter stelt voorop dat aan de toewijsbaarheid van een vordering op grond van artikel 843a Rv drie cumulatieve voorwaarden zijn verbonden: (1) de eiser dient een rechtmatig belang te hebben, en het moet gaan om (2) bepaalde bescheiden (3) aangaande een rechtsbetrekking waarin eiser of zijn rechtsvoorgangers partij zijn.

4.4.

Bij de beoordeling of sprake is van een rechtmatig belang, is vereist dat een partij een direct en concreet belang heeft bij inzage of afschrift van de gevorderde bescheiden. De enkele interesse in een stuk is voor een geslaagd beroep op artikel 843a Rv niet genoeg.

4.5.

[eiseres] voert ter onderbouwing van haar stelling dat zij een rechtmatig belang heeft bij inzage en afschrift van het dossier aan, dat zij door Bo-Ex in haar hoedanigheid als huurster wordt aangesproken op vermeende onrust en blijkens de e-mail van Bo-Ex van 11 januari 2016 moet vrezen voor het voortbestaan van haar huurovereenkomst. [eiseres] wenst te vernemen wie wat tegen Bo-Ex zou hebben gezegd over welke onrust die zij zou hebben veroorzaakt. Zij heeft het recht te weten waar de uitlatingen in deze e-mail op zijn gebaseerd, ook om haar verhaal volledig en zorgvuldig te kunnen doen zonder afhankelijk te zijn van de inkleuring door Bo-Ex van de bescheiden dan wel zonder dat Bo-Ex daarin keuzes maakt die niet controleerbaar en verifieerbaar zijn zonder kennisname van die gegevens. Aangezien Bo-Ex inzage in het dossier geweigerd heeft omwille van de privacy van anderen, wekt Bo-Ex de indruk dat er geen belangenafweging heeft plaatsgevonden en dat zij alleen [eiseres] als vermeende onruststoker ziet. [eiseres] stelt dat zij het dossier nodig heeft voor het bepalen van haar rechtspositie en dat zij een onredelijk nadeel lijdt door het niet kunnen beschikken over de vermeende bewijsstukken van het vermeende onruststoken. Door deze stukken niet aan haar af te geven, is sprake van schending van de beginselen van hoor en wederhoor en equality of arms.

4.6.

Bo-Ex betwist dat [eiseres] een rechtmatig belang heeft bij inzage en afschrift van het dossier te verkrijgen. Zij stelt zich op het standpunt dat op haar als verhuurster de verplichting rust om actief een beleid te voeren op het tegengaan van overlast. Zij heeft in dit kader op haar website een formulier ter beschikking gesteld voor - onder meer - het melden van overlast. De informatie die zij op deze wijze verzamelt betreft zeer gevoelige informatie omdat de personen die overlast ondervinden vaak direct in de omgeving van de overlast veroorzakende huurder woonachtig zijn, zoals ook in dit geval. Bo-Ex verwerkt en bewaart de informatie die zij ontvangt zorgvuldig en in overeenstemming met de Wet Bescherming Persoonsgegevens (Wbp). Het is Bo-Ex, ook op grond van deze wet, niet toegestaan om informatie van de huurders die hebben geklaagd aan derden te verstrekken, omdat daarmee de bescherming van hun persoonlijke levenssfeer in het gedrang zou komen. Bo-Ex vreest dat, zodra [eiseres] weet wie wat over haar gezegd heeft, de zaak zal escaleren omdat [eiseres] mogelijk verhaal zou kunnen gaan halen bij de betrokkenen. Dit is in strijd met de rol die Bo-Ex als verhuurster heeft met betrekking tot het verbeteren van de leefbaarheid en met haar civielrechtelijke verplichting tot het tegengaan van overlast door overlast veroorzakende huurders. De Wbp beoogt ook te voorkomen dat gevoelige informatie die op grond van deze wet is verzameld en met het oog op een rechtens te respecteren belang/doel is verwerkt, wordt gebruikt voor een heel ander doel, namelijk het halen van verhaal. Uit de wens van [eiseres] om te weten wie er wat over haar heeft gezegd met betrekking tot welke overlast, vloeit daarom geen rechtmatig belang voort bij het verstreken van het gehele overlastdossier aan [eiseres] . Dit rechtmatig belang vloeit ook niet voort uit de angst van [eiseres] voor het voortbestaan van haar huurovereenkomst, aangezien Bo-Ex geen actie heeft ondernomen om de huurovereenkomst te beëindigen. Wanneer zich geen (nieuwe) overlast veroorzakende gedragingen meer voordoen, dan hoeft [eiseres] niet te vrezen voor het voortbestaan van de huurrelatie. Bo-Ex stelt dat zij [eiseres] met de bespreking van 6 januari 2016 voldoende heeft geïnformeerd over de door haar verzamelde informatie met betrekking tot [eiseres] en de door haar veroorzaakte overlast.

4.7.

De kantonrechter overweegt dat het begrijpelijk is dat [eiseres] , toen zij in 2015 vernam dat er over de problemen van haar met de heer [E] door Bo-Ex een dossier was aangemaakt, graag wilde weten wat er over haar in dit dossier stond. Dit moet voor haar nog sterker hebben gegolden na de ontvangst van de confronterende e-mail van Bo-Ex van 11 januari 2016. In deze e-mail wordt gesteld dat bij Bo-Ex naar aanleiding van diverse gesprekken met diverse buurtbewoners de indruk is ontstaan dat [eiseres] een grote negatieve rol speelt in de onrusten en het aanhouden van de onrust in het portiek, dat zij verhalen verdraait en zaken vertelt die niet waar zijn, en ook onwaarheden vertelt over politiemensen. De kantonrechter merkt over deze e-mail op dat de beschuldigingen die hierin staan stellig en zonder voorbehoud zijn geuit, maar dat zij niet nader zijn onderbouwd. Uit deze e-mail blijkt ook niet op welke wijze Bo-Ex de zienswijze van [eiseres] heeft meegewogen. Mogelijk heeft Bo-Ex in de bespreking van 6 januari 2016 wel een nadere toelichting aan [eiseres] gegeven, maar het had uit oogpunt van zorgvuldigheid in de rede gelegen om dit ook in de e-mail te doen, temeer nu in deze e-mail tevens vermeld wordt dat Bo-Ex bezig is met dossieropbouw die zij mogelijk zal gebruiken in een juridische procedure wanneer de overlast door [eiseres] blijft aanhouden en dat namens U Centraal met betrekking tot de kinderen een melding bij SAVE zal worden gedaan.

4.8.

[eiseres] heeft gesteld dat zij haar naam wil zuiveren en dat zij graag wil weten wie wat tegen Bo-Ex heeft gezegd over welke onrust die zij zou hebben veroorzaakt. Dit kan op zichzelf in de gegeven omstandigheden echter niet als een voldoende rechtmatig belang bij inzage of afschrift van het dossier worden aangemerkt. Evenmin kan worden gesteld dat [eiseres] het dossier nodig heeft voor het bepalen van haar rechtspositie in een door Bo-Ex aan te spannen procedure tot ontbinding van de huurovereenkomst, nu er nog geen concrete aanwijzingen zijn dat Bo-Ex een dergelijke procedure binnen afzienbare tijd zal opstarten. Bo-ex heeft zelfs verklaard dat [eiseres] niet hoeft te vrezen voor het voortbestaan van de huurrelatie wanneer zich geen (nieuwe) overlast veroorzakende gedragingen meer voordoen. Zolang er geen concrete aanwijzingen zijn dat Bo-Ex daadwerkelijk een procedure aanhangig zal maken om tot ontbinding van de huurovereenkomst te komen, ligt het in de rede om aan Bo-Ex als woningbouwvereniging een bepaalde mate van vertrouwelijkheid toe te staan met betrekking tot klachten van overlast die zij van andere huurders heeft ontvangen. Wanneer degene over wie wordt geklaagd te allen tijde en direct volledige inzage zou moeten krijgen in deze klachten, bestaat het risico dat de situatie hierdoor juist escaleert.

Een direct en volledig inzagerecht zou naar het oordeel van de kantonrechter voor de andere huurders al snel een (te) hoge drempel kunnen opwerpen om bij Bo-Ex over overlast te klagen en Bo-Ex zou hierdoor worden gehinderd in haar taak om adequaat te reageren op meldingen van overlast door huurders onderling. Mocht Bo-Ex in de toekomst daadwerkelijk overgaan tot het indienen van een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst tegen [eiseres] , dan heeft Bo-ex de bewijslast van de door [eiseres] veroorzaakte overlast, en zal zij in die procedure haar vordering deugdelijk dienen te onderbouwen. In het voorkomende geval kan [eiseres] in die procedure opnieuw op grond van artikel 843a Rv inzage of afschrift van het dossier kunnen vorderen, waarop de ontbindingsrechter dan zal beslissen

4.9.

Gezien het voorgaande zal de vordering van [eiseres] wegens het ontbreken van een rechtmatig belang worden afgewezen.

4.10.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Bo-Ex worden begroot op € 600,-- voor salaris gemachtigde.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

wijst de vordering af;

5.2.

veroordeelt [eiseres] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van Bo-Ex, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 600,-- aan salaris gemachtigde;

5.3.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Krepel, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2016.