Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:3293

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
16-06-2016
Datum publicatie
30-06-2016
Zaaknummer
AWB - 16 _ 1118T
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gebrek betrouwbaarheid eiser onvoldoende gemotiveerd.

Bestuurlijke lus, onzorgvuldig handelen, beleid verweerder Wpbr, motivering, betrouwbaarheid, ambtshalve voorlopige voorziening.

Samenvatting:

Werkgever van eiser heeft verzocht om toestemming als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wpbr voor werkzaamheden in de beveiliging. Verweerder heeft deze toestemming met toepassing van zijn beleid geweigerd. Er zijn volgens verweerder andere (dan de strafrechtelijke veroordelingen) grond waarvan kan worden aangenomen dat eiser onvoldoende betrouwbaar is. Vw heeft drie feiten genoemd maar uit het besluit blijkt onvoldoende waarom hij hieraan het gevolg van onbetrouwbaarheid verbindt. Er is onvoldoende onderzoek naar de feiten gedaan en onvoldoende gemotiveerd waarom eiser onbetrouwbaar is. Verder heeft verweerder onzorgvuldig gehandeld door stukken laat aan te leveren en niet ter zitting te verschijnen. Daarom tussenuitspraak om gebreken te herstellen. Gelet op gebleken spoedeisend belang wordt een voorlopige voorziening getroffen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 16/1118-T

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juni 2016 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. E.G. Gosselink),

en

de korpschef van het Korps Landelijke politiediensten, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Maas).

Procesverloop

Bij besluit van 30 juli 2015 (het primaire besluit] heeft verweerder) de aanvraag van [bedrijf] te [vestigingsplaats] tot verkrijging van toestemming als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Wpbr) geweigerd.

Bij besluit van 8 februari 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 april 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is niet verschenen.

Overwegingen

1. Tussen partijen is in geschil of verweerder eiser terecht toestemming heeft onthouden tot het verrichten van beveiligingswerkzaamheden.

2. Op grond van artikel 7, eerste en tweede lid, van de Wpbr stelt een beveiligingsorganisatie of recherchebureau geen personen te werk die belast zullen worden met werkzaamheden dan nadat voor hen toestemming is verkregen van de korpschef.

Op grond van het vierde lid, eerste volzin, wordt de toestemming, bedoeld in het tweede lid, onthouden indien de desbetreffende persoon niet beschikt over de bekwaamheid en betrouwbaarheid die nodig zijn voor het te verrichten werk.

3. Ingevolge paragraaf 2.3, aanhef en onder c, van de Beleidsregels particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Beleidsregels) kan de toestemming

worden onthouden op grond van andere (dan de strafrechtelijke veroordelingen die genoemd zijn in paragraaf 2.3, aanhef en onder a en b, van de Beleidsregels) omtrent betrokkene bekende en relevante feiten op grond waarvan kan worden aangenomen dat deze onvoldoende betrouwbaar is om voor een beveiligingsorganisatie of een recherchebureau werkzaamheden te verrichten dan wel onvoldoende betrouwbaar is om de belangen van de veiligheidszorg of de goede naam van de bedrijfstak niet te schaden.

4. In de Beleidsregels heeft verweerder hierover toegelicht: “dat van het bepaalde onder c sprake zal zijn indien de betrokkene er blijk van heeft gegeven rechtsregels naast zich neer te leggen waarvan de overtreding beschouwd kan worden als een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde. Dat de betrokkene onvoldoende betrouwbaar is, kan worden aangenomen op basis van andere, niet uit veroordelingen of transacties gebleken, omtrent betrokkene bekende feiten. Zo kunnen (tegen betrokkene) opgemaakte processen-verbaal of (dag/mutatie)rapporten ertoe leiden dat betrokkene onvoldoende betrouwbaar of geschikt wordt geacht om voor een beveiligingsorganisatie of een recherchebureau te werken. Uiteraard is daarbij van belang dat tegen betrokkene nog altijd een serieuze verdenking bestaat.

Ook sepots kunnen een rol spelen bij de beoordeling van de betrouwbaarheid. Hierbij dient de aard van het sepot in ogenschouw te worden genomen. Een technisch sepot, bijvoorbeeld wegens onvoldoende bewijs, zal bij de beoordeling naar de betrouwbaarheid een minder grote rol spelen dan een sepotbeslissing die op beleidsmatige gronden is genomen. In het geval dat een sepot wordt meegenomen in de beoordeling, wordt als datum gehanteerd de datum dat het Openbaar Ministerie de beslissing heeft genomen de zaak te seponeren.

In geval van aanwijzingen dat de aanvrager verkeert in kringen waarbinnen (dreiging met) geweld niet wordt geschuwd, dan wel indicaties die wijzen in de richting van betrokkenheid van aanvrager bij enige vorm van afpersing, drugshandel of andere zware (georganiseerde) criminaliteit dan wel het verkeren door hem in (zware) criminele kringen, kan er eveneens aanleiding zijn aan te nemen dat de betrokkene onvoldoende betrouwbaar is om voor een beveiligingsorganisatie of een recherchebureau werkzaamheden te verrichten. In het geval er een vermoeden bestaat dat de betrokkene verkeert in criminele kringen dient dit vermoeden recent en objectief bepaalbaar te zijn op grond van de onderliggende politiegegevens. Daarbij moet worden bedacht dat betrokkene zoveel mogelijk de gelegenheid moet krijgen zich te verweren tegen de tegen hem bestaande bedenkingen.

(…)

De periode die in acht moet worden genomen bij toepassing van het bepaalde onder c is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. De periode kan echter – behoudens uitzonderlijke gevallen – nooit langer zijn dan de 8 jaar als hiervoor genoemd.”

5. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat er op 22 april 2013 een aangifte van huiselijk geweld tegen eiser gedaan. Deze aangifte heeft geleid tot een sepot vanwege gewijzigde omstandigheden. Dit feit staat volgens verweerder op zichzelf niet in de weg aan het verlenen van toestemming, maar wordt wel betrokken bij de vraag of eiser betrouwbaar is. Verweerder heeft verder bij de beoordeling betrokken dat eiser op 15 juni 2014 als verkeersregelaar is betrokken geweest bij een incident met een buschauffeur. Eiser heeft, zo blijkt uit een mutatierapport van de politie, een buschauffeur belemmerd om weg te rijden en daarbij was sprake van duwen en trekken. Tot slot blijkt uit een mutatie van 7 juli 2010 dat eiser op die dag heeft gereden in een auto met twee flitslampen op de hoedenplank en aan de voorzijde een blauwe flitslamp. Hij was gekleed in uniform en droeg een koppel.

6. De rechtbank stelt vast dat verweerder bij het bestreden besluit drie feiten heeft genoemd die van belang zijn voor zijn besluitvorming en zal deze feiten in het navolgende, mede aan de hand van de beroepsgronden van eiser, bespreken.

7. De aangifte van huiselijk geweld, zo heeft verweerder in het bestreden besluit overwogen, is als op zichzelf staand feit niet voldoende om aan de verlening van toestemming in de weg te staan, maar verweerder heeft deze aangifte en het sepot wel betrokken bij de vraag of eiser betrouwbaar is. Zoals blijkt uit de hiervoor geciteerde beleidsregels, mag verweerder een aangifte die geleid heeft tot een sepot bij zijn beoordeling van de betrouwbaarheid van eiser betrekken. Echter de aard van het sepot zal daarbij wel een rol spelen. Het ligt daarmee op de weg van verweerder om toe te lichten waarom in dit geval het sepot vanwege gewijzigde omstandigheden mede ten grondslag is gelegd aan de constatering dat eiser niet betrouwbaar is. Zeker in een geval als dit, waar eiser een andere kijk dan verweerder heeft op de feiten die ten grondslag hebben gelegen aan de aangifte, had verweerder nader onderzoek naar het sepot moeten doen. Van belang is hierbij ook dat eisers verhaal wordt gesteund door zijn echtgenote. Zij heeft op de hoorzitting bij verweerder een toelichting gegeven op het voorval en heeft ook schriftelijk uiteengezet hoe de aangifte tot stand is gekomen. Uit het bestreden besluit noch uit de gedingstukken kan de rechtbank opmaken dat verweerder het sepot heeft onderzocht en dat hij een afweging heeft gemaakt welk gewicht - gelet op de feiten en omstandigheden van dit sepot - aan het sepot moet worden toegekend. Dit klemt temeer nu verweerder ditzelfde sepot niet in de weg heeft laten staan aan een eerdere afgifte van een beveiligingspas. Verweerder heeft ten onrechte nagelaten de aard van het sepot te onderzoeken en hij heeft zijn standpunt dat uit het sepot volgt dat eiser onbetrouwbaar is, niet voldoende gemotiveerd.

8. Het tweede voorval dat verweerder in het bestreden besluit heeft genoemd betreft een ruzie die eiser, in de hoedanigheid van verkeersregelaar, heeft gehad met een buschauffeur. Het incident dat heeft plaatsgevonden op 15 juni 2014 is vastgelegd in een mutatierapport van de politie. In dit mutatierapport zijn onder meer de verklaringen van de buschauffeur opgenomen. Zijn verklaringen van wat er is voorgevallen tussen hem en eiser, verschillen van die van eiser. Eiser heeft echter een verklaring overgelegd van [getuige] , één van de handhavers van de gemeente Amsterdam, die als getuige bij het incident betrokken is geweest. Deze verklaring bevestigt de versie van eiser van de gang van zaken. De buschauffeur, met wie eiser in conflict is geraakt, heeft verklaard dat hij aangifte zou doen tegen eiser. Tijdens de hoorzitting in bezwaar heeft verweerder toegezegd dat hij zou uitzoeken bij de politie-eenheid Amsterdam of er daadwerkelijk aangifte tegen eiser is gedaan en wat er met deze eventuele aangifte is gedaan. Eiser zou vervolgens nog in de gelegenheid worden gesteld om op de verkregen informatie te reageren. De rechtbank stelt vast dat uit het besluit noch uit de gedingstukken blijkt dat nader onderzoek is gedaan naar dit voorval. Eiser heeft onbetwist gesteld dat hij ook niet in de gelegenheid is gesteld om nog nader te reageren. Verweerder is niet ingegaan op eisers verklaringen die ondersteund worden door een verklaring van een getuige. Verweerder heeft het incident onvoldoende onderzocht en onvoldoende onderbouwd waarom uit het incident volgt dat eiser onbetrouwbaar is.

9.
In het bestreden besluit heeft verweerder voor het eerst melding gemaakt van een derde voorval dat in zijn ogen in de weg staat aan de gevraagde toestemming. Uit een mutatierapport blijkt dat eiser is aangehouden, omdat er op dat moment veel meldingen waren van ‘nep-politie’ en eiser er kennelijk ook uitzag als politieagent. Eiser heeft de blauwe flitslamp aan de voorzijde verwijderd, aldus het mutatierapport. Volgens eiser is hij aangehouden toen hij als verkeersregelaar werkte. Hij is stopgezet en de lichtarmatuur op zijn auto is gecontroleerd en goed bevonden. Hij heeft dus niets fout gedaan, zo stelt hij. Eiser verwijst naar foto’s van de betreffende auto en naar een youtubefilmpje ter onderbouwing van zijn verhaal. Er was volgens hem geen blauwe flitslamp aan de voorzijde. Het ging hier slechts om een routine controle waarbij de politie heeft vastgesteld dat er geen enkele overtreding is begaan. Eiser heeft dus ook geen boete gehad. De rechtbank concludeert dat verweerder het voorval in het bestreden besluit noemt, maar dat hij in zijn overwegingen niet motiveert wat dit incident voor gewicht heeft bij de besluitvorming. In het bestreden besluit staat immers niet meer dan dat er sprake is van feiten als bedoeld in paragraaf 2.3 onder c van de Beleidsregels. “Tegen bezwaarde is aangifte gedaan van huiselijk geweld en er is een voorwaardelijk sepot genomen. Verder heeft bezwaarde zich op 15 juni 2014 niet gedragen zoals van een verkeersregelaar verwacht mag worden.” Hoe verweerder de mutatie van 7 juli 2010 bij zijn besluitvorming heeft betrokken blijkt daaruit niet. Ook is uit het besluit niet gebleken (en dit blijkt ook niet uit de mutatie zelf) wat eiser precies wordt verweten. Of sprake is geweest van een verboden gedraging en zo ja, welke dan, blijkt niet. Ook op dit punt vertoont het bestreden besluit dus een gebrek.

10. Het bestreden besluit is, zoals uit het voorgaande blijkt, onzorgvuldig tot stand gekomen en ontbeert een kenbare en deugdelijke motivering. Juist in een situatie waarin verweerder tot de conclusie komt dat sprake is van onbetrouwbaarheid op grond van paragraaf 2.3 onder c van de Beleidsregels moet deze conclusie worden voorzien van een afdoende motivering. Uit het bestreden besluit zal moeten blijken wat verweerder eiser precies verwijt en waarom hij vindt dat sprake is van een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde. Ook op dit laatste punt heeft verweerder zijn besluit niet voldoende gemotiveerd.

11. In dit verband speelt nog een rol dat verweerder er, zo blijkt uit de stukken, 5 maanden over heeft gedaan om op het bezwaar van eiser te beslissen. De rechtbank heeft in beroep de gedingstukken bij verweerder opgevraagd. Deze zijn niet eerder dan twee dagen voor de zittingsdatum aan de rechtbank toegestuurd. Verweerder heeft geen verweerschrift ingestuurd en is ook niet te zitting verschenen. De manier waarop verweerder in dit geval de aanvraag en de daaropvolgende procedure heeft afgehandeld, getuigt niet van een zorgvuldige en behoorlijke bejegening van eiser en maakt dat de rechtbank de in beroep gerezen vragen niet aan verweerder heeft kunnen stellen. Ook op dit punt is sprake van onzorgvuldigheid aan de kant van verweerder.

12. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder in de gelegenheid te stellen de gebreken te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. Om de gebreken te herstellen, moet verweerder:
1. onderzoek doen naar de drie feiten die hij aan het besluit ten grondslag heeft gelegd, waarbij hij het door eiser aangedragen tegenbewijs moet betrekken,

2. toelichten welke gedraging hij eiser verwijt en motiveren waarom daaruit volgt dat eiser niet betrouwbaar is. Hierbij moet worden toegelicht waarom sprake is van een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde.

De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder de gebreken kan herstellen op vier weken na verzending van deze tussenuitspraak.

13. Verweerder moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb èn om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen. Als verweerder gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van verweerder. In beginsel, ook in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.

14. De rechtbank ziet in wat zij hiervoor heeft overwogen aanleiding om ambtshalve een voorlopige voorziening te treffen en zal toelichten waarom zij hiertoe overgaat.

Bij de beoordeling van de vraag of het treffen van een voorlopige voorziening in een geval als dit aangewezen is, beoordeelt de rechtbank ten eerste of er sprake is van een spoedeisend belang aan de kant van eiser en vervolgens of het beroep redelijke kans van slagen heeft. Tot slot maakt de rechtbank een afweging van alle relevante belangen.

15. Eiser heeft toegelicht dat hij een spoedeisend belang heeft bij de afgifte van de gevraagde toestemming. Hij werkt op basis van een oproepcontract. Andere werkzaamheden heeft hij niet. De werkgever van eiser kan hem niet volledig inzetten, wegens het ontbreken van de gevraagde toestemming. Eiser werkt daarom weinig uren en is verder afhankelijk van een bijstandsuitkering. Inmiddels zit hij ook in de schuldsanering, zo heeft hij ter zitting uiteengezet. De rechtbank stelt vast dat eiser een spoedeisend belang heeft.

16. Zoals uit deze tussenuitspraak blijkt valt het voorlopig rechtmatigheidsoordeel voor verweerder niet gunstig uit. Aan het bestreden besluit kleven verschillende zorgvuldigheids- en motiveringsgebreken en het bestreden besluit zal dan ook, zonder nadere motivering, geen standhouden.

17. Het is de rechtbank duidelijk dat aan de kant van verweerder het maatschappelijk belang om alleen betrouwbare personen werkzaam te laten zijn in de beveiligingsbranche een belangrijke rol speelt. Of er nog ander belangen spelen aan de kant van verweerder is de rechtbank niet bekend, omdat – zoals gezegd – verweerder zich niet heeft laten vertegenwoordigen ter zitting. Eisers belang bij de gevraagde toestemming is helder. Bij de huidige stand van zaken heeft de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie van verweerder dat sprake is van onbetrouwbaarheid van eiser en voor de conclusie dat het belang van verweerder bij de weigering van toestemming van eiser groter is dan het belang van eiser bij het kunnen voortzetten van zijn werkzaamheden bij deze werkgever. Daarom treft de rechtbank de voorlopige voorziening dat eiser, tot de einduitspraak op het beroep, moet worden behandeld als ware hij in het bezit van de gevraagde toestemming.

18. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:

- draagt verweerder op binnen twee weken aan de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen;

- stelt verweerder in de gelegenheid om binnen vier weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;

- bepaalt dat eiser tot de einduitspraak in beroep wordt behandeld als ware hij in het bezit van de gevraagde toestemming;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter-Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E.C. Bakker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 juni 2016.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.