Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:3262

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
15-06-2016
Datum publicatie
17-06-2016
Zaaknummer
16.659779-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Man heeft zich schuldig gemaakt aan een mishandeling in Almere in 2015. De rechtbank veroordeelt de man tot een gevangenisstraf van vier weken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

999RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Lelystad

Parketnummer: 16.659779-15

Vonnis van de meervoudige kamer van 15 juni 2016

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1980] te [geboorteplaats] ,

thans verblijvende te PI Flevoland, Huis van Bewaring Lelystad, te Lelystad.

1 HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het onderzoek heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzitting van 1 juni 2016, waarbij de verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. D.L.A.M. Pluijmakers, advocaat te Almere.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van officier van justitie mr. H. Leepel en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman naar voren is gebracht.

2 DE TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

Primair

hij op of omstreeks 30 oktober 2015 te Almere, althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk aan

[aangever] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet als volgt heeft gehandeld: zijnde en/of hebbende hij, verdachte, meermalen, althans eenmaal, (met kracht) op/tegen het hoofd van die [aangever] geslagen / gestompt, terwijl hij, verdachte, een boksbeugel om zijn hand/vuist had, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

Subsidiair

hij op of omstreeks 30 oktober 2015 te Almere, althans in het arrondissement Midden-Nederland, opzettelijk mishandelend [aangever] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) op/tegen het hoofd heeft geslagen / gestompt, terwijl hij, verdachte, een boksbeugel om zijn hand/vuist had, waardoor voornoemde [aangever] letsel heeft bekomen en / of pijn heeft ondervonden.

3 DE VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht op grond van de inhoud van het dossier het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend te bewijzen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman is primair van mening dat wegens gebrek aan bewijs niet tot een bewezenverklaring kan worden gekomen van de aan verdachte ten laste gelegde handelingen. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder primair ten laste gelegde feit.

De raadsman heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Verdachte ontkent aangever te hebben geslagen en ontkent derhalve ook te hebben geslagen met een boksbeugel. Uit de letselverklaring van aangever blijkt voorts niet dat aangever enig letsel heeft opgelopen dat past bij letsel dat afkomstig is van een boksbeugel. Daarnaast heeft het bloed dat op de boksbeugel is aangetroffen alleen een match met het DNA-profiel van verdachte of zijn broer opgeleverd. Dit is een contra-indicatie voor het gebruiken van de boksbeugel jegens aangever, aangezien er zonder meer (bloedend) letsel was ontstaan bij aangever indien de boksbeugel was gebruikt. Verder dienen de verklaringen van aangever als inconsistent en ongeloofwaardig te worden aangemerkt, waardoor deze niet bruikbaar zijn voor het bewijs. Ten slotte is geconstateerd dat verdachte letsel heeft opgelopen, hetgeen past in zijn verklaring dat hij degene is geweest die in elkaar is geslagen, in plaats van andersom. Dit wordt ook ondersteund door de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte] .

De raadsman heeft voornoemde standpunten nader verwoord in de ter zitting overgelegde pleitnota.

Het oordeel van de rechtbank 1

De rechtbank heeft kennis genomen van de inhoud van de stukken van het onderliggende strafdossier en van hetgeen bij het onderzoek op voornoemde zitting naar voren is gebracht.

Aangever [aangever] heeft verklaard dat hij op 30 oktober 2015 te Almere een man zag zitten op een container.2 [aangever] zag dat deze man zijn rechterarm naar achter bewoog en deze met kracht in de richting van zijn hoofd bewoog. [aangever] voelde dat hij hierdoor op zijn achterhoofd werd geraakt en voelde hierdoor een pijnscheut. Hij heeft aan deze klap een bult op zijn hoofd overgehouden.3 Even later bewoog dezelfde man zijn rechterarm weer naar achteren en bewoog hij zijn arm met kracht in de richting van [aangever] , waardoor hij werd geraakt. [aangever] kan zich niet herinneren waar hij op dat moment precies is geraakt. Er ontstond vervolgens een vechtpartij tussen [aangever] en de man, waarbij over en weer is geslagen.4 Getuige [getuige 1] heeft ook verklaard dat de man die eerder op de container zat op [aangever] (aangever) af kwam lopen en hem toen op zijn hoofd sloeg.5 Verdachte heeft verklaard dat hij op een container zat toen hij in contact kwam met aangever.6 Op grond van bovengenoemde verklaringen stelt de rechtbank vast dat verdachte de persoon moet zijn geweest die aangever [aangever] op het hoofd heeft geslagen en gestompt.

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verdachte tijdens het slaan en stompen een boksbeugel in zijn handen heeft gehad.

Verdachte ontkent niet dat hij tijdens de vechtpartij een boksbeugel bij zich had. Hij stelt dat de boksbeugel in zijn broekzak zat en dat deze tijdens de vechtpartij, samen met zijn telefoon uit zijn zak op de grond gevallen is. Na de vechtpartij heeft hij beide voorwerpen van de grond opgeraapt en in zijn zak gestoken.

De rechtbank gaat bij haar oordeel hieromtrent uit van de getuigenverklaringen die kort na het voorval bij de politie zijn afgelegd. Deze getuigen, onder wie [getuige 1] en [getuige 2] , verklaren niet over het gebruik van een boksbeugel door verdachte. De rechtbank hecht meer waarde aan deze verklaringen, nu de getuigen deze hebben afgelegd met de gebeurtenissen nog vers in het geheugen. Daaraan doet niet af dat de getuige [getuige 2] later bij de rechter-commissaris wel over een boksbeugel rept.

Daar komt bij dat het letsel van aangever niet past bij het letsel dat veroorzaakt zou kunnen worden door het slaan/stompen met een boksbeugel.

Voorts acht de rechtbank het niet aantreffen van een DNA-profiel van aangever op de boksbeugel een contra-indicatie voor het gebruiken van een boksbeugel door verdachte jegens aangever en tenslotte acht de rechtbank de door verdachte afgelegde verklaring op dit punt geloofwaardig.

De rechtbank acht derhalve niet bewezen dat verdachte aangever [aangever] met een boksbeugel heeft geslagen/gestompt en zal verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.

Primair ten laste gelegde

Naar het oordeel van de rechtbank is de kans dat het slaan/stompen tegen het hoofd zwaar lichamelijk letsel oplevert niet zonder meer aanmerkelijk. Uit de aard van de verwondingen is evenmin af te leiden dat er sprake was van een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank acht de primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling derhalve niet bewezen en zal verdachte daarvan vrijspreken.

Subsidiair ten laste gelegde

De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van [aangever] door hem te slaan en te stompen tegen het hoofd. Het subsidiair ten laste gelegde kan wettig en overtuigend worden bewezen.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:

hij op 30 oktober 2015 te Almere opzettelijk mishandelend [aangever] meermalen met kracht tegen het hoofd heeft geslagen / gestompt, waardoor voornoemde [aangever] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Van het meer of anders ten laste gelegde zal verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

6 KWALIFICATIE

Het bewezene levert op:

Subsidiair:

Mishandeling.

7 STRAFBAARHEID

Het feit en verdachte zijn strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

8 STRAFOPLEGGING

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 38 dagen, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft - indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt - ten aanzien van een op te leggen straf verzocht om aan verdachte geen langere gevangenisstraf op te leggen dan dat hij reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling. Dit is een ernstig strafbaar feit waarbij de lichamelijke integriteit van het slachtoffer wordt aangetast en bij hem pijn en letsel is veroorzaakt.

De rechtbank maakt uit het uittreksel uit de justitiële documentatie van 7 april 2016 op dat verdachte vaker is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, waaronder wederspannigheid, bedreiging en mishandeling. De rechtbank heeft bij het opleggen van de straf op de voet van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht in rekening gebracht dat de verdachte bij vonnis van de politierechter te Utrecht d.d. 23 december 2015 ter zake van vernieling is veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 20 uren.

De rechtbank heeft kennis genomen van een beknopt reclasseringsadvies d.d. 28 december 2015, opgemaakt door reclasseringswerker [A] .

Verdachte heeft niet meegewerkt aan het opstellen van het advies. In een eerder advies van 16 juni 2014 is door de reclassering op vrijwel alle criminogene factoren problematiek geconstateerd. De indruk bestaat dat er nog steeds meerdere probleemgebieden aanwezig zijn. Alcoholgebruik speelt een rode draad in het leven van verdachte.

De reclassering adviseert om verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

Gelet op de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit, zijn strafblad, de inhoud van het reclasseringsrapport en de LOVS-oriëntatiepunten voor feiten als de onderhavige, is naar het oordeel van de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken met aftrek van voorarrest passend.

9 BESLAG

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd om de in beslag genomen boksbeugel te onttrekken aan het verkeer.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman refereert zich ten aanzien van het beslag aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank onthoudt zich van het nemen van een beslissing ten aanzien van de in beslag genomen boksbeugel, aangezien verdachte reeds afstand heeft gedaan van deze boksbeugel.

10 DE BENADEELDE PARTIJ

Voor aanvang van de terechtzitting heeft [aangever] zich als benadeelde partij in dit geding gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van schade ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde feit. De hoogte van die schade wordt door de benadeelde partij begroot op een bedrag van € 1.347,63, waarvan een bedrag van € 347,63 betrekking heeft op materiële schade en het overige bedrag op immateriële schade.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van de vordering van de benadeelde partij.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat verdachte van het desbetreffende feit vrijgesproken zou moeten worden. Subsidiair heeft de raadsman op inhoudelijke gronden verzocht de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren.

De raadsman heeft voornoemde standpunten nader verwoord in de ter zitting overgelegde pleitnota.

Het oordeel van de rechtbank

De benadeelde partij [aangever] dient in de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard nu de vordering geen betrekking heeft op het aan verdachte ten laste gelegde feit en derhalve een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

11 TOEPASSELIJKHEID WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 10, 27, 63, 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

12 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart niet bewezen hetgeen onder primair aan verdachte ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder subsidiair ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde feit strafbaar;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde straf in mindering zal worden gebracht;

Benadeelde partij

- bepaalt dat de benadeelde partij [aangever] in zijn vordering niet-ontvankelijk is en dat hij zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.B. Eigeman, voorzitter, mr. Z.J. Oosting en mr. W.S. Ludwig, rechters, in tegenwoordigheid van S. De Vita, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 juni 2016.

Mr. Z.J. Oosting is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer 2015328581, doorgenummerd 2A tot en met 2005.

2 Proces-verbaal blz. 1039.

3 Proces-verbaal blz. 1017.

4 Proces-verbaal blz. 1018.

5 Proces-verbaal blz. 1082.

6 Proces-verbaal blz. 111.