Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:3261

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
15-06-2016
Datum publicatie
17-06-2016
Zaaknummer
16.659780-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Man heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag in Almere in 2015. De verdachte heeft het slachtoffer met een mes in de buikstreek heeft gestoken. De rechtbank veroordeelt de man tot een gevangenisstraf van 2 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingslocatie Lelystad

Parketnummer: 16.659780-15

Vonnis van de meervoudige kamer van 15 juni 2016

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1980] te [geboorteplaats] ,

thans verblijvende in Penitentiaire Inrichting Noord Holland Noord,

Huis van Bewaring Zwaag te Zwaag.

1 HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het onderzoek heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzitting van 1 juni 2016, waarbij de verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. H. Seton, advocaat te Amersfoort.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van officier van justitie mr. H. Leepel en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw naar voren is gebracht.

2 DE TENLASTELEGGING

De verdachte is, na een nadere omschrijving tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

Primair

hij op of omstreeks 30 oktober 2015 te Almere, althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [aangever] van het leven te beroven, met dat opzet als volgt heeft gehandeld:

zijnde en/of hebbende hij, verdachte, met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, (met kracht) in de buikstreek, althans in het lichaam, van die [aangever] gestoken, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

Subsidiair

hij op of omstreeks 30 oktober 2015 te Almere, althans in het arrondissement Midden-Nederland, aan [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een (diepe) steekwond in de buikstreek, althans de romp, heeft toegebracht, door met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp (met kracht) in de buikstreek, althans het lichaam, van die [aangever] te steken;

Meer subsidiair

hij op of omstreeks 30 oktober 2015 te Almere, althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

aan [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, als volgt heeft gehandeld: hebbende hij, verdachte, met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp (met kracht) in de buikstreek van die [aangever] gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3 DE VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht op grond van de inhoud van het dossier het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend te bewijzen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde, nu bij verdachte geen sprake is geweest van (voorwaardelijk) opzet op de dood van aangever.

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit op de grond dat het geconstateerde letsel van aangever niet kan worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel. Ten aanzien van het meer subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte niet met opzet heeft gehandeld.

De raadsvrouw heeft voornoemde standpunten nader verwoord in de ter zitting overgelegde pleitnota.

Het oordeel van de rechtbank1

Aangever [aangever] heeft verklaard dat hij op 30 oktober 2015 in Almere is gestoken in zijn maag.2 Terwijl hij in een vechtpartij was verkeerd tussen hemzelf en een man, voelde hij plotseling een raar gevoel aan de linkerzijde van zijn buik, alsof er iets uit zijn buik ging. [aangever] zag op dat moment een andere man achter zich staan.3 Even daarna zag aangever bloed op zijn buik en een diepe snee van ongeveer 10 cm lang op de linkerzijde van zijn buik.4 Verdachte heeft verklaard dat hij een mes uit zijn jaszak heeft gepakt5 en daarmee om zich heen heeft gezwaaid.6 Verdachte kan niet verklaren hoe aangever aan de steekwond komt, maar verklaart dat hij hem wel geraakt zou moeten hebben.7

Volgens de geneeskundige letselbeschrijving opgemaakt door S. van den Berg, forensisch arts, op 13 november 2015 had [aangever] een diepe buikwond, die de buikwand had geperforeerd. De wond is circa zes cm lang en bevindt zich op de linker onderbuik.8

Op grond van bovengenoemde verklaringen stelt de rechtbank vast dat verdachte de persoon moet zijn geweest die aangever [aangever] op 30 oktober 2015 in Almere met een mes heeft gestoken in zijn buik. De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat hij ‘zwaaiende bewegingen’ heeft gemaakt ongeloofwaardig, gelet op hetgeen aangever hierover heeft verklaard en het gegeven dat aangever een dikke jas aan had ten tijde van het incident en de buikwand van aangever is geperforeerd. Hierdoor is volstrekt onaannemelijk dat een dergelijke verwonding is ontstaan door slechts zwaaiende bewegingen.

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verdachte opzet had op het van het leven beroven van die [aangever] .

De rechtbank is van oordeel dat sprake is geweest van voorwaardelijk opzet. Verdachte heeft aangever met een mes in de buikstreek gestoken. Nu blijkens de medische informatie van S. van den Berg, forensisch arts, er sprake is van een diepe buikwond van circa zes centimeter lang, kan het niet anders dan dat verdachte met een zodanige kracht en met een zodanig mes heeft gestoken dat daarmee vitale organen in het bovenlichaam geraakt konden worden. De buikstreek is een plek waar zich enkele centimeters onder de huid vitale lichaamsdelen zoals de lever en (andere) interne organen bevinden. Naar algemene ervaringsregels is de kans dat iemand als gevolg van het steken met een mes in de buikstreek komt te overlijden aanmerkelijk, indien ten gevolge van het steken orgaanletsel ontstaat. Het letsel is in deze zaak weliswaar beperkt gebleven, maar dat is niet te danken aan het handelen van verdachte. Het met een mes krachtig steken in de buikstreek is naar de uiterlijke verschijningsvorm aan te merken als zodanig gericht op het beschadigen van vitale organen dat verdachte minst genomen de aanmerkelijke kans op het intreden van de dood bewust heeft aanvaard.

Het verweer van de raadsvrouw dat er geen sprake kan zijn van voorwaardelijk opzet, omdat geen vitale organen zijn geraakt en met niet meer dan geringe kracht is gestoken, verwerpt de rechtbank nu uit het aangetroffen letsel bij aangever blijkt dat verdachte met meer dan geringe kracht moet hebben gestoken, aangezien deze verwonding door de dikke jas van aangever heen is veroorzaakt.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat verdachte opzettelijk heeft gepoogd

[aangever] van het leven te beroven. Het primair ten laste gelegde kan wettig en overtuigend worden bewezen.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:

Primair

hij op 30 oktober 2015 te Almere, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [aangever] van het leven te beroven, met dat opzet als volgt heeft gehandeld:

zijnde en/of hebbende hij, verdachte, met een mes, met kracht in de buikstreek van die [aangever] gestoken, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

6 KWALIFICATIE

Het bewezene levert op:

Primair

Poging doodslag.

7 STRAFBAARHEID

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft een beroep op noodweer(exces) dan wel putatief noodweer gedaan en volgens de raadsvrouw dient de verdachte om die reden te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De raadsvrouw heeft hiertoe aangevoerd dat er sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van de lichamelijke integriteit van verdachte en eens anders lijf, namelijk zijn broertje, waartoe het handelen van verdachte geboden was. Subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat verdachte verontschuldigbaar heeft gedwaald omtrent het dreigende gevaar of de aard van de dreiging. Meer subsidiair is sprake van een verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van een noodzakelijke verdediging.

De raadsvrouw heeft voornoemde standpunten nader verwoord in de ter zitting overgelegde pleitnota.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat van een noodweersituatie geen sprake is. Verdachte is de confrontatie aangegaan met aangever, terwijl hij ervoor had kunnen kiezen om zich te distantiëren. De officier van justitie heeft – indien de rechtbank wel komt tot een noodweersituatie – betoogd dat het steken met een mes in deze situatie niet proportioneel was en dat aan verdachte om die reden geen beroep op noodweer toekomt. Ten slotte heeft de officier van justitie naar voren gebracht dat geen sprake was van een hevige gemoedstoestand, waardoor verdachte geen beroep kan doen op noodweerexces.

Het oordeel van de rechtbank

Noodweer(exces)

De rechtbank heeft ten aanzien van de hiervoor bewezen verklaarde poging tot doodslag overwogen dat verdachte met een mes in de buik van aangever heeft gestoken. De verdediging heeft gesteld dat dit steken ter verdediging was van de aanval die in eerste instantie jegens de broer van verdachte was gericht en welke aanval zich vervolgens jegens verdachte zelf heeft gericht.

Ingevolge artikel 41 Wetboek van Strafrecht dient er voor een geslaagd beroep op noodweer sprake te zijn van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding of een onmiddellijk dreigend gevaar voor een wederrechtelijke aanranding, waartegen de verdachte zich noodzakelijkerwijs diende te verdedigen.

De rechtbank is van oordeel dat niet vastgesteld kan worden dat sprake was van een wederrechtelijke aanranding van het lichaam van medeverdachte [medeverdachte] dan wel van verdachte. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Verdachte heeft verklaard dat hij zag dat zijn broertje werd aangevallen door een groep en dat hij zijn broertje hiertegen wilde beschermen. Hij ging op de vechtpartij af waarna de groep zich vervolgens tegen verdachte heeft gericht.9 Deze lezing van verdachte duidt erop dat zich op dat moment geen ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van medeverdachte [medeverdachte] (meer) voordeed. Om die reden verwerpt de rechtbank het verweer dat sprake was van een noodweersituatie, dan wel een noodweerexcessituatie ten aanzien van eens anders lijf.

De rechtbank is voorts van oordeel dat zich in het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevinden om de stelling van verdachte, dat hij zichzelf moest verdedigen jegens de groep, te ondersteunen. De rechtbank constateert dat wisselend wordt verklaard door verdachte en dat de verklaringen van aangever, de getuigen en verdachte op essentiële punten niet overeenkomen. Het gegeven dat bij verdachte geen letsel is geconstateerd, acht de rechtbank voorts een contra-indicatie om een noodweersituatie ten aanzien van verdachte aan te nemen. Daar komt bij dat de handelingen van verdachte na het steken van aangever niet passen bij een noodweersituatie. Verdachte is weggerend nadat hij aangever heeft gestoken met het mes en heeft het mes waarmee hij heeft gestoken weggegooid. Gelet op het vorengaande komt aan de verdachte derhalve geen beroep op noodweer dan wel noodweerexces toe. De rechtbank verwerpt beide verweren.

Putatief noodweer

Een beroep op putatief noodweer slaagt evenmin, nu daar onvoldoende gronden voor zijn aangereikt.

Het feit en verdachte zijn strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

8 STRAFOPLEGGING

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich niet uitgelaten over een eventueel op te leggen straf.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door aangever met een mes in zijn buik te steken. Aangever heeft hierdoor een steekwond opgelopen in zijn buik van 6 cm lang en een geperforeerde buikwand. De rechtbank acht dit een zeer gewelddadig en ernstig feit dat evengoed een andere afloop had kunnen hebben. De rechtbank rekent verdachte dit alles zwaar aan. Verdachte heeft door zijn handelen geen respect getoond voor de lichamelijke integriteit en de gezondheid van aangever. Bovendien heeft het handelen van verdachte bijgedragen aan de gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving als geheel, te meer nu het feit zich heeft afgespeeld op straat en derhalve in de volle openbaarheid en ten overstaan van diverse getuigen. De rechtbank merkt hierbij als kanttekening op dat zowel aangever als verdachte hebben bijgedragen aan escalatie van de situatie, hetgeen mee dient te wegen in de aan verdachte op te leggen straf.


De rechtbank maakt uit het uittreksel uit de justitiële documentatie van 7 april 2016 op dat verdachte vaker is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, waaronder mishandeling, bedreiging en vernieling.

De rechtbank heeft kennis genomen van een beknopt reclasseringsadvies d.d. 22 december 2015, opgemaakt door reclasseringswerker [A] .

Verdachte heeft niet meegewerkt aan het opstellen van het advies. Er is volgens de reclassering sprake van een delictpatroon ten aanzien van het plegen van geweldsdelicten. Het recidiverisico wordt door de reclassering ingeschat als hoog. De reclassering heeft hiervoor gewezen op een aantal criminogene factoren. Verdachte heeft al jaren onvoldoende stabiliteit in zijn leven. Hij geniet een uitkering en het is aannemelijk dat er sprake is van forse financiële problematiek. Het ontbreekt verdachte aan een structureel zinvolle dagbesteding en hij vlucht in dagelijks gebruik van alcohol en drugs. Er zijn aanwijzingen voor het bestaan van psychische problematiek. In het reclasseringsdossier staat vermeld dat verdachte heeft verklaard tijdens het plegen van alle strafbare feiten onder invloed van alcohol te verkeren. Derhalve concludeert de reclassering dat aannemelijk is dat verdachte onder invloed van alcohol in onvoldoende mate in staat is om op juiste wijze om te gaan met gevoelens van agressie.

Door de houding van verdachte is het niet mogelijk om een plan van aanpak op te stellen teneinde de kans op recidive te verkleinen. De reclassering adviseert de rechtbank om over te gaan tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Gelet op de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit, zijn strafblad en de inhoud van het reclasseringsrapport, acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor langere duur noodzakelijk. De inhoud van het reclasseringsrapport en de houding van verdachte ter terechtzitting bieden de rechtbank geen aanknopingspunten om, met voorwaarden op het gebied van een agressieregulatie behandeling, een gedeelte van deze straf voorwaardelijk op te leggen. Omdat de rechtbank meer dan de officier van justitie rekening houdt met het feit dat zowel aangever als verdachte hebben bijgedragen aan de escalatie acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest passend.

9 DE BENADEELDE PARTIJ

Voor aanvang van de terechtzitting heeft [aangever] zich als benadeelde partij in dit geding gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van schade ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde feit. De hoogte van die schade wordt door de benadeelde partij begroot op een bedrag van € 1.347,63, waarvan een bedrag van € 347,63 betrekking heeft op materiële schade en het overige bedrag op immateriële schade.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gehele toewijzing van de vordering met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat verdachte van het desbetreffende feit vrijgesproken zou moeten worden dan wel dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht de vordering van de benadeelde partij wat betreft de materiële schade aanzienlijk te matigen en de immateriële schade af te wijzen.

De raadsvrouw heeft voornoemde standpunten nader verwoord in de ter zitting overgelegde pleitnota.

Het oordeel van de rechtbank

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij [aangever] rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het bewezen verklaarde feit. De hoogte van die schade is genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van

€ 907,68, vermeerderd met de kosten die – tot op heden – worden begroot op nihil en zal de vordering tot dit bedrag toewijzen.

De door de benadeelde partij gevorderde materiële schade ziet onder andere op medische kosten ad € 41,61 en reiskosten ad € 16,07. De rechtbank acht deze kosten voldoende onderbouwd en toewijsbaar. Het door de benadeelde partij gevorderde bedrag van € 289,95 ziet op de nieuwwaarde van een jas. Uit de onderbouwing van de vordering volgt echter niet dat de benadeelde partij deze jas ook voor ditzelfde bedrag heeft aangeschaft. Om die reden is de rechtbank van oordeel dat dit bedrag dient te worden gematigd. De rechtbank schat het bedrag op € 100,00.

De rechtbank is van oordeel dat een bedrag van € 750,00 voor de immateriële schade, gelet op de hoogte van immateriële schadevergoedingen in vergelijkbare zaken, eveneens voor toewijzing vatbaar is.

Het aldus te vergoeden bedrag van € 907,68 zal worden vermeerderd met de wettelijke rente en met de kosten die - tot op heden - worden begroot op nihil. De rechtbank zal voorts aan de verdachte op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een geldsom van € 907, 68 ten behoeve van het slachtoffer [aangever] .

De rechtbank zal bepalen dat de benadeelde partij [aangever] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk is en dat de vordering ter zake dit deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

10 TOEPASSELIJKHEID WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 10, 27, 36f, 45, 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart de bewezen verklaarde feit strafbaar;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Benadeelde partij

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever] van een bedrag van

€ 907,68 (zegge: negenhonderdzeven euro en achtenzestig eurocent), waarvan € 157,68 betrekking heeft op materiële schade en € 750,00 op immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop het thans bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd, te weten 30 oktober 2015, tot die van de voldoening;

- veroordeelt de verdachte voorts in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- legt op aan de verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 907,68 ten behoeve van het slachtoffer [aangever] voornoemd, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 18 dagen hechtenis;

- bepaalt dat de benadeelde partij voor wat het meer gevorderde betreft in zijn vordering niet-ontvankelijk is en dat hij zijn vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.B. Eigeman, voorzitter, mr. Z.J. Oosting en mr. W.S. Ludwig, rechters, in tegenwoordigheid van S. De Vita, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 juni 2016.

Mr. Z.J. Oosting is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer 2015328581, doorgenummerd 2A tot en met 2005.

2 blz. 1013.

3 blz. 1018.

4 blz. 1019.

5 blz. 223.

6 blz. 224.

7 Verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 1 juni 2016.

8 Geneeskundige verklaring blz. 1072.

9 Verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 1 juni 2016.