Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:3210

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
07-06-2016
Datum publicatie
15-06-2016
Zaaknummer
16/652117-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Man wordt veroordeeld voor een poging tot woninginbraak samen met twee mededaders in Mijdrecht in 2015. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een werkstraf van 120 uur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/652117-15

Vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken van 7 juni 2016, op tegenspraak gewezen in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1995] te [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres] te [woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2016 en 24 mei 2016. Als raadsvrouwe van verdachte is ter terechtzitting verschenen mr. S. Vermeulen, advocate te Utrecht. Het Openbaar Ministerie is vertegenwoordigd door mr. I.M.F. Graumans.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er – kort en feitelijk weergegeven – op neer dat verdachte:

feit 1 heeft gepoogd in vereniging in een woning gelegen aan de [adres] in te breken door middel van braak, op 11 februari 2015 te Mijdrecht;

feit 2 in vereniging een inbraak heeft gepleegd in een woning gelegen aan de [adres] , waarbij goederen zijn weggenomen, op 11 februari 2015 te Mijdrecht;

feit 3 in vereniging een inbraak heeft gepleegd in een woning gelegen aan de [adres] , waarbij goederen zijn weggenomen, in de periode van

24 januari 2015 tot en met 25 januari 2015 te Wilnis;

feit 4 in vereniging een inbraak heeft gepleegd in een woning gelegen aan de [adres] , waarbij goederen zijn weggenomen, in de periode van

24 januari 2015 tot en met 25 januari 2015 te Mijdrecht.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Rechtmatigheid van het bewijs

4.1

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouwe heeft ter terechtzitting betoogd dat uit het enkele feit dat er in de buurt van een auto een blanke man met een donkere jas en op de stoep een andere man stond, onvoldoende is om te komen tot een verdenking in de zin van artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering. Zeker nu het niet midden in de nacht was of sprake was van een andere verdachte omstandigheid. Omdat er geen verdenking was, waren de verbalisanten niet bevoegd de auto te doorzoeken. Dit leidt ertoe dat hetgeen bij die doorzoeking is aangetroffen, als vruchten van de onrechtmatige doorzoeking, dient te worden uitgesloten van het bewijs. Voorts heeft de raadsvrouwe betoogd dat op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening (hierna: APV) geen vervoersmiddel mag worden doorzocht.

4.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Ten aanzien van het standpunt van de raadsvrouwe over het doorzoeken van de auto zonder dat sprake was van het ontbreken van een redelijk vermoeden van schuld, stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat er wel sprake was van een redelijk vermoeden van schuld in de zin van artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering. Immers stond er, in een wijk waar op dat moment veel inbraken plaatsvonden, een auto die op naam stond van een persoon die antecedenten heeft op het gebied van inbraken en, in de nabijheid van die auto, een man op de uitkijk leek te staan, welke man wegdook toen de politie langs kwam rijden. Ten opzichte van het standpunt van de raadsvrouwe over de onrechtmatige doorzoeking brengt de officier van justitie naar voren dat er sprake was van een overtreding van de APV en dat de auto daarom mocht worden doorzocht.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank oordeelt, met de officier van justitie, dat uit de omstandigheden zoals die uit het dossier blijken sprake was van een verdenking van overtreding van de APV. De rechtbank komt derhalve niet toe aan bewijsuitsluiting op de grond dat er geen sprake was van een verdenking. Ten aanzien van de doorzoeking van de auto overweegt de rechtbank als volgt. De auto die is doorzocht was niet van verdachte, zodat met de doorzoeking geen rechtstreeks belang van verdachte zelf is geschonden. Nu niet is aangegeven welk belang van verdachte wel is geschonden – het feit dat belastend materiaal is gevonden valt daar niet onder – slaagt het verweer reeds hierom niet. Voor zover hieraan voorbij zou worden gegaan, oordeelt de rechtbank als volgt. De auto van medeverdachte [medeverdachte 2] is doorzocht op basis van de APV. Het doorzoeken van een vervoermiddel is volgens artikel 96b van het Wetboek van Strafvordering alleen toegestaan in geval van ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit of in geval van verdenking van een misdrijf zoals omschreven in artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. Nu hiervan in de onderhavige zaak geen sprake is, constateert de rechtbank dat sprake is van een vormverzuim dat niet meer kan worden hersteld. Aan dit vormverzuim, mocht de verdachte hiervan al rechtstreeks nadeel hebben ondervonden, zal de rechtbank echter geen rechtsgevolg verbinden. Het is vaste jurisprudentie dat slechts in een beperkt aantal gevallen wordt overgegaan tot bewijsuitsluiting op grond van art 359a van het Wetboek van Strafvordering. Kort gezegd, alleen in geval waarbij de betrouwbaarheid van het bewijsmateriaal door het begane vormverzuim is aangetast of niet meer kan worden gecontroleerd. In de onderhavige zaak is daarvan geen sprake. Het verweer, dat alleen strekt tot uitsluiting van bewijs, wordt hiermee verworpen. De resultaten van de doorzoeking worden dan ook niet uitgesloten van het bewijs. De rechtbank ziet geen aanleiding andere consequenties aan dit verzuim te verbinden en volstaat met de enkele constatering.

5. Waardering van het bewijs

5.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1. ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard en verwijst daartoe naar de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen. Ten aanzien van het onder 2., 3. en 4. ten laste gelegde heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken. Immers kan, volgens de officier van justitie, wel met zekerheid worden gezegd dat het in de auto aangetroffen inbrekerswerktuig is gebruikt bij deze inbraken, maar niet dat dit door verdachte, alleen ofwel met één of meer medeverdachten, is gedaan.

5.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouwe heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van het hem onder 1. ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken, nu uit het dossier onvoldoende blijkt dat verdachte betrokken is bij de poging tot inbraak van de woning. Immers kan, wegens de onduidelijkheid van de beelden, niet worden vastgesteld dat het verdachte is die op de camerabeelden is te zien. Het enkele feit dat verdachte in de auto was en misschien buiten de auto is geweest, is onvoldoende om vast te stellen dat hij bij het ten laste gelegde is betrokken geweest. Zelfs al zou verdachte gereedschap in zijn handen hebben gehad of weer weggegeven hebben, dan is dit nog onvoldoende om hem te veroordelen voor een poging tot inbraak. Tevens is geen materiaal van verdachte, zoals DNA of voetsporen, bij de woning of op de werktuigen aangetroffen. En al zou verdachte buiten de auto hebben gestaan en gereedschap hebben doorgegeven, dan is dit nog geen significante bijdrage aan de poging tot inbraak van de woning waardoor er sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking. Ten aanzien van het onder 2., 3. en 4. ten laste gelegde bepleit de raadsvrouwe vrijspraak.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van het onder 2., 3. en 4. ten laste gelegde

De rechtbank acht met de officier van justitie en de raadsvrouwe niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan. Verdachte zal derhalve van deze feiten worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 1. ten laste gelegde

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

Op 11 februari 2015 omstreeks 19.30 uur rijden verbalisanten in een onopvallend dienstvoertuig over de Saffier te Mijdrecht. De verbalisanten zien dat er bij een kleine personenauto een man staat die, bij passeren, direct zijn gezicht van de verbalisanten wegdraait. De verbalisanten zien dat op een voetpad ook een man staat. Deze man observeert de omgeving en ook de verbalisanten. De verbalisanten krijgen het gevoel dat deze man mogelijk op de uitkijk staat. Als de verbalisanten hun voertuig keren en terugrijden, zien zij de kleine personenauto, zijnde een Peugeot 106 met het kenteken [kenteken] , wegrijden.2 [medeverdachte 1] blijkt de bestuurder te zijn van de personenauto. Voorts zitten [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [verdachte] (hierna: verdachte) in de auto. Onder de motorkap van de personenauto worden een breekijzer, twee koevoeten, twee schroevendraaiers en drie handschoenen aangetroffen. De verdachten worden aangehouden.3

Op 11 februari 2015 doet [aangever 1] (hierna: aangever) namens benadeelde [benadeelde 1] aangifte van een poging tot inbraak in een woning gelegen aan het [adres] te Mijdrecht, gepleegd op 11 februari 2015 tussen 17.00 uur en 20.00 uur. Aangever ziet dat iemand via de achterzijde van de woning heeft gepoogd zich de toegang te verschaffen tot de woning.4

Op de beelden van een beveiligingscamera welke hangt aan een van de woningen aan de Saffier te Mijdrecht ziet een verbalisant dat op 11 februari 2015 omstreeks 19.12 uur de personenauto van verdachten komt aanrijden op de Saffier. Uit de personenauto stappen vier personen. Onder de motorkap worden door een man goederen gepakt die worden verdeeld over de overige personen. Om 19.15 uur loopt één van de mannen weg richting de Robijn. De andere drie mannen lopen in de richting van het Haitsmapark. Om 19.18 uur komen twee van de mannen los van elkaar terug bij de personenauto. Om 19.20 uur komen de overige twee mannen ook terug bij de personenauto. Het lijkt vervolgens of er weer goederen onder de motorkap worden gelegd.5

Een verbalisant loopt, in een rustige looppas, vanaf de plek waar op de Saffier de personenauto stond geparkeerd in ongeveer 2 minuten en 45 seconden de route naar het [adres] . In ongeveer dezelfde tijd is hij teruggelopen. Op de camerabeelden is te zien dat de mannen om omstreeks 19.15.28 uur aan genoemde route beginnen en dat zij ongeveer 4 minuten en 45 seconden later weer zichtbaar op de camerabeelden zijn. Aangezien de verbalisant langzaam liep en de verdachten sneller hebben gelopen, en vermoedelijk rennend terug zijn gegaan, concludeert de verbalisant dat het mogelijk is om binnen de tijd vanaf de personenauto bij de woning aan het Schild te komen.6

Op 15 februari 2015 worden de camerabeelden nogmaals bekeken. De verbalisanten herkennen, aan de hand van de kleding die de verdachten tijdens hun verhoor droegen en aan de hand van de kleding en schoenen die in beslag zijn genomen7, op de beelden [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en verdachte.8

Op 20 februari 2015 wordt een vergelijkend werktuigsporenonderzoek verricht. Hierin wordt de conclusie getrokken dat, ten aanzien van het adres [adres] te Mijdrecht, werktuigspoor 1.1 waarschijnlijk is veroorzaakt met schroevendraaier B, werktuigspoor 1.2 waarschijnlijk is veroorzaakt met breekijzer A en werktuigspoor 1.3 zeker is veroorzaakt met breekijzer A. De onderlinge samenhang van sporen en werktuigen versterken de getrokken conclusies.9 Breekijzer A en schroevendraaier B zijn op 11 februari 2015 in beslag genomen nadat zij in het voertuig, waarin verdachten op dat moment zaten, werden aangetroffen.10

Bewijsoverweging

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] rondjes in de auto aan het rijden was en dat hij niets wist van het aangetroffen gereedschap in de auto. De rechtbank acht dit verhaal niet aannemelijk. Verdachtes verklaring dat ze na het in de auto zitten op de parkeerplaats bij Phoenix nergens meer zijn gestopt11, acht de rechtbank gelet op de overige bewijsmiddelen kennelijk leugenachtig en bedoeld om de waarheid te bemantelen. Deze verklaring draagt als zodanig bij aan het bewijs. Gelet op de bewijsmiddelen, in onderling verband en in samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte het onder 1. ten laste gelegde heeft medegepleegd.

6 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

Ten aanzien van het onder 1. ten laste gelegde

op 11 februari 2015 te Mijdrecht, gemeente De Ronde Venen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning (gelegen aan de [adres] ) weg te nemen goederen of geld naar hun gading, toebehorende aan [aangever 1] , en zich daarbij de toegang tot voornoemde woning te verschaffen en die weg te nemen goederen en geld onder hun bereik te brengen door middel van braak, tezamen en in vereniging met een anderen, met een breekijzer en een schroevendraaier de deur van voornoemde woning heeft getracht open te breken, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

7 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als

Ten aanzien van het onder 1. ten laste gelegde

Poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft of het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

8 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

9 Motivering van de straffen en maatregelen

9.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie vordert dat verdachte wordt veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 120 uren, bij niet of niet naar behoren verrichten te vervangen door 60 dagen hechtenis, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouwe heeft zich primair op het standpunt gesteld dat geen straf of maatregel dient te volgen nu verdachte integraal dient te worden vrijgesproken. Subsidiair verzoekt de raadsvrouwe aan te sluiten bij de eis van de officier van justitie, zij het dat zij verzoekt een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Uit hetgeen onder rubriek 4. is overwogen, blijkt dat verdachte wordt veroordeeld voor een poging tot woninginbraak. Dit is een ernstig feit dat zorgt voor overlast bij de benadeelden. Tevens veroorzaken dergelijke feiten in het algemeen gevoelens van angst en onveiligheid bij de bewoners van de buurt waarin deze feiten worden geleegd. Verdachte heeft met het plegen van dit feit voorts geen blijk gegeven respect te hebben voor de eigendomsrechten van een ander.

Uit het uittreksel justitiële documentatie d.d. 24 maart 2016 blijkt dat verdachte niet eerder met politie of justitie in aanraking is gekomen.

Uit een retourzending opdracht reclasseringsadvies d.d. 29 juni 2015 blijkt dat verdachte heeft aangegeven geen tijd te hebben voor een afspraak tot het opmaken van een reclasseringsadvies.

Ter terechtzitting heeft verdachte naar voren gebracht dat hij op dit moment voor het tweede jaar voor 30 à 40 uren per week als magazijnmedewerker aan het werk is. Verdachte heeft voorts aangegeven bij zijn ouders te wonen.

De rechtbank ziet in hetgeen ter terechtzitting naar voren is gebracht geen aanleiding af te wijken van het strafvoorstel zoals gedaan door de officier van justitie. De rechtbank neemt in haar oordeel mee dat verdachte niet eerder is veroordeeld. Ook na het plegen van onderhavig feit zijn geen contacten met politie en justitie gebleken. Voorts doet deze straf recht aan de ernst van het feit.

De rechtbank veroordeelt verdachte derhalve tot een werkstraf voor de duur van 120 uren, bij niet of niet naar behoren verrichten te vervangen door 60 dagen hechtenis, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, 22d, 45, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

11 Beslissing

De rechtbank:

Spreekt verdachte vrij van het onder 2., 3. en 4. ten laste gelegde.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 6. is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1. ten laste gelegde

Poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft of het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een werkstraf voor de duur van 120 uren bij niet of niet naar behoren verrichten te vervangen door 60 dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.C. Schroten, voorzitter,

mrs. P.J.M. Mol en M.P. Glerum, rechters,

in tegenwoordigheid van N. Kruijswijk, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 juni 2016.

BIJLAGE : De tenlastelegging

1.

hij op of omstreeks 11 februari 2015 te Mijdrecht, gemeente De Ronde Venen,

althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (gelegen aan de [adres] ) weg te nemen goederen en/of geld naar zijn/hun gading, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 1] en/of [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en zich daarbij de toegang tot voornoemde woning te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goederen en/of geld onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming en/of valse sleutel, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met een breekijzer en/of een schroevendraaier, althans met een voorwerp, de deur van voornoemde woning heeft getracht open te breken,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

(art 310 Wetboek van Strafrecht; art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht; art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht; art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij op of omstreeks 11 februari 2015 te Mijdrecht, gemeente De Ronde Venen, althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (gelegen aan de [adres] ) heeft weggenomen een computer/laptop, een luidspreker, een bril, een tablet, een mapje met bluetoothoortje en/of een (rug)tas, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;

(art 310 Wetboek van Strafrecht; art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht; art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht)

3.

hij in of omstreeks de periode van 24 januari 2015 tot en met 25 januari 2015 te Wilnis, gemeente De Ronde Venen, althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (gelegen aan de [adres] ) heeft weggenomen een tablet, televisie, smartcard, Google chromecast, computer (Hp), computer (Acer), mp3-speler, één

of meer spelcomputers, één of meer spellen, 50 euro, één of meer sieraden, één of meer horloges, één of meer documenten, één of meer bankpassen en/of een sier in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 3] en/of Stichting [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;

(art 310 Wetboek van Strafrecht; art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht; art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht)

4.

hij in of omstreeks de periode van 24 januari 2015 tot en met 25 januari 2015 te Mijdrecht, gemeente De Ronde Venen, althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (gelegen aan de [adres] ) heeft weggenomen een telefoon (Nokia Lumia), een computer (Dell), een computer (Msi) en/of een (computer)tas, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 4] en/of [benadeelde 5]

[benadeelde 5] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;

(art 310 Wetboek van Strafrecht; art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht; art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht)

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende proces-verbaal,nr. PL0900-2015047029 Z bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering (pagina 1 tot en met 326). Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Het proces-verbaal van bevindingen, opgenomen op pagina 21 tot en met 22.

3 Het proces-verbaal van bevindingen, opgenomen op pagina 23 tot en met 25.

4 Het proces-verbaal van aangifte, opgenomen op pagina 15 tot en met 16.

5 Het proces-verbaal van bevindingen, opgenomen op pagina 27 tot en met 29.

6 Het proces-verbaal van bevindingen, opgenomen op pagina 27 tot en met 29.

7 Het proces-verbaal van bevindingen met bijlage, opgenomen op pagina 115 tot en met 117.

8 Het proces-verbaal van bevindingen, opgenomen op pagina 118 tot en met 119.

9 Het proces-verbaal vergelijkend werktuigsporenonderzoek, opgenomen op pagina 203 tot en met 220.

10 De kennisgeving van inbeslagneming, opgenomen op de pagina’s voorafgaande aan pagina 1.

11 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, opgenomen op pagina 86 tot en met 88.