Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:3197

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
20-05-2016
Datum publicatie
15-06-2016
Zaaknummer
16/700054-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gegrondverklaring beklag voor zover het klaagschrift ziet op de door de rechtbank als geheimhouderstukken aangemerkte stukken

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2016/199

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/700054-16
Rekestnummer: 16/1240 en 16/1316

Beschikking van de meervoudige raadkamer in strafzaken, op de op 29 april 2016 ter griffie van deze rechtbank ingekomen klaagschriften, op grond van artikel 552a (16/1240) respectievelijk de artikelen 98 lid 4 jo. 552a (16/1316) van het Wetboek van Strafvordering (Sv), van

[klager] ,

geboren op [1987] te [geboorteplaats] ,

domicilie kiezende ten kantore van diens raadsman,

mr. P.J. Hoogendam, advocaat te Den Haag,

(hierna: [klager] )

en

Mr. P.J. Hoogendam,

advocaat te Den Haag,

(hierna: de raadsman).

1 Onderwerp van het geschil

De klaagschriften richten zich tegen de inbeslagname, kennisneming en gebruikmaking van stukken die op 14 april 2016 door de rechter-commissaris tijdens een doorzoeking in de cel van [klager] in beslag zijn genomen.

2 De procedure

De klaagschriften zijn behandeld in openbare raadkamer op 17 mei 2016.

Gehoord zijn [klager] , de raadsman en de officier van justitie.

De rechtbank heeft kennis genomen van de beslissing van de rechter-commissaris van 25 april 2016, de ingediende klaagschriften en de door de officier van justitie ter zitting overgelegde stukken.

3 De standpunten van partijen

[klager] en zijn raadsman hebben – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat de inbeslaggenomen stukken aantekeningen, vragen en/of opmerkingen betreffen die [klager] heeft gemaakt bij het strafdossier in het kader van een vertrouwelijke bespreking met zijn raadsman, alsmede in het kader van de voorbereiding van zijn strafzaak. De bescherming van artikel 98, eerste lid, Sv strekt zich immers eveneens uit tot stukken die zich onder de cliënt bevinden en die bedoeld zijn om aan de raadsman toe te vertrouwen.

De rechter-commissaris had de stukken dienen te verzegelen en had het standpunt c.q. de toestemming van de raadsman als geheimhouder dienen in te winnen. Door dit na te laten heeft de rechter-commissaris bij de inbeslagname onrechtmatig, althans te lichtvaardig gehandeld.

Tijdens de bespreking op het kabinet van de rechter-commissaris van 21 april jl. zijn de inbeslaggenomen stukken door de raadsman bestudeerd, waarbij de raadsman met betrekking tot de stukken die thans onderwerp van de beide klaagschriften vormen, heeft aangegeven dat dit naar zijn mening geheimhouderstukken betreffen. De rechter-commissaris is vervolgens ten onrechte ook zelf tot een inhoudelijke beoordeling overgegaan en heeft miskend dat van de juistheid van het standpunt van de raadsman dient te worden uitgegaan, tenzij er redelijkerwijze geen twijfel over kan bestaan dat de bewering van de raadsman onjuist is.

Nu in het geheel geen aanwijzingen bestaan dat de bewering van de raadsman onjuist is, dient zijn standpunt dat het gaat om geheimhouderstukken te worden gerespecteerd. De inbeslagneming heeft derhalve onrechtmatig plaatsgevonden.

[klager] en zijn raadsman zijn voorts van mening dat door de inbeslagneming het nemo teneturbeginsel is geschonden.

De officier van justitie heeft zich – zakelijk weergegeven – op het standpunt gesteld dat het standpunt van de raadsman dat de inbeslaggenomen stukken geheimhouderstukken zijn in het onderhavige geval niet bepalend is, nu het gaat om stukken die niet onder de raadsman als verschoningsgerechtigde in beslag zijn genomen. De stelling van de raadsman dat de stukken van vertrouwelijke aard zijn, mag in dit geval derhalve wel degelijk op haar aannemelijkheid worden getoetst.

Uit niets is gebleken dat de stukken zijn vervaardigd voor de raadsman of voor een (volgende) vertrouwelijke bespreking met zijn raadsman.

Een beroep op het nemo teneturbeginsel kan niet slagen, nu verdachte op geen enkele wijze is bewogen of gedwongen om aan zijn eigen veroordeling mee te werken.

4 De beoordeling door de rechtbank

De raadsman heeft desgevraagd te kennen gegeven dat de klaagschriften alleen zien op de stukken waarvan de raadsman tijdens de bespreking bij de rechter-commissaris van 21 april jl. heeft aangegeven dat het naar zijn mening geheimhouderstukken betreffen. Deze stukken zijn op dat moment door de rechter-commissaris in een envelop gedaan met het opschrift “wel geheimhouderstuk”, welke envelop de rechter-commissaris in bewaring heeft gehouden totdat onherroepelijk op het beslag is beslist. Waar in het navolgende wordt gesproken over ‘de (inbeslaggenomen) stukken’ wordt derhalve enkel gedoeld op de stukken die zich in deze envelop bevinden.

De rechtbank is, anders dan de rechter-commissaris, van oordeel dat ook stukken die onder een verdachte worden aangetroffen - en zich derhalve niet of nog niet in het bezit bevinden van de raadsman – geheimhouderstukken kunnen zijn, namelijk voor zover deze stukken het door het verschoningsrecht van de raadsman beschermde vertrouwelijke verkeer betreffen tussen de raadsman en zijn cliënt. Voor dergelijke stukken geldt dat zij niet vatbaar zijn voor inbeslagneming. Dat geldt niet alleen voor van de raadsman afkomstige stukken die onder een verdachte worden aangetroffen, maar ook voor stukken die door een verdachte zijn vervaardigd ter attentie van de raadsman, mits deze iets inhouden dat bedoeld is om de raadsman in zijn hoedanigheid toe te vertrouwen.

In het onderhavige geval gaat het om stukken die door [klager] zelf zijn vervaardigd en waarvan hij stelt dat deze door hem zijn opgesteld voor (bespreking met) zijn raadsman en derhalve geheimhouderstukken betreffen die worden beschermd door het verschoningsrecht.

De rechtbank verwerpt het betoog van de raadsman dat zijn standpunt dat de stukken geheimhouderstukken betreffen slechts in geval van evidente twijfel getoetst mag worden, nu het hier immers gaat om stukken die door [klager] zijn vervaardigd en die onder hem zijn aangetroffen en van de inhoud waarvan de raadsman (nog) geen wetenschap had en die ook niet aanstonds evident bedoeld bleken voor de raadsman (bijvoorbeeld middels adressering). In een dergelijk geval mag de stelling dat de stukken van bedoelde vertrouwelijke aard zijn, op haar aannemelijkheid worden getoetst.

Teneinde te kunnen beoordelen of sprake is van geheimhouderstukken, heeft de rechtbank de in beslag genomen stukken opgevraagd bij de griffier van de rechter-commissaris en in raadkamer gelezen en beoordeeld.

De rechtbank is van oordeel dat een drietal notities zijn aan te merken als geheimhouderstukken, nu de inhoud en het karakter van deze stukken de indruk wekken dat deze bedoeld zijn voor bespreking met de raadsman. Het betreft de volgende stukken:

- [stuk 1]

- [stuk 2] ’;

- [stuk 3] ’.

De rechtbank zal de klaagschriften gegrond verklaren voor zover ze bovengenoemde notities betreffen. Deze stukken (en de kopieën daarvan) dienen aan [klager] te worden terug gegeven. Nu deze stukken reeds aan [klager] worden terug gegeven, zal bij het klaagschrift van de raadsman worden volstaan met gegrondverklaring.

De rechtbank is voor de overige in beslag genomen stukken van oordeel dat het geen geheimhouderstukken betreffen. Deze stukken zijn duidelijk anders van inhoud en karakter dan de bovengenoemde notities, nu ze opsommingen van de bezigheden en ontmoetingen van [klager] behelzen, geschreven in de ik-vorm en in een soort dagboekstijl. Niets wijst erop dat deze stukken bedoeld zijn voor (bespreking met) de raadsman. Deze stukken vallen daarom niet onder het vertrouwelijke verkeer tussen raadsman en cliënt. De rechtbank verklaart de klaagschriften ongegrond voor zover ze deze stukken betreffen.

De rechtbank heeft de drie notities die zij wel aanmerkt als geheimhouderstukken in een aparte envelop gedaan, met het opschrift ‘wel geheimhouderstukken oordeel Rb 17/5/2016’ en met een paraaf van de voorzitter. De overige stukken zijn in een envelop gedaan met het opschrift ‘geen geheimhouderstukken oordeel Rb 17/5/2016’ en met een paraaf van de voorzitter. Beide enveloppen zijn geretourneerd aan het kabinet van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in het arrondissement Midden Nederland voor bewaring in de kluis.

5 De beslissing

De rechtbank:

Rekestnummer 16/1240

- verklaart het beklag van [klager] gegrond voor zover het klaagschrift ziet op de door de rechtbank als geheimhouderstukken aangemerkte stukken;

- gelast de teruggave van de door de rechtbank als geheimhouderstukken aangemerkte stukken (en kopieën daarvan) aan [klager] ;

- verklaart het beklag van [klager] voor het overige ongegrond;

Rekestnummer 16/1316

- verklaart het beklag van de raadsman gegrond voor zover het klaagschrift ziet op de door de rechtbank als geheimhouderstukken aangemerkte stukken;

- verklaart het beklag van de raadsman voor het overige ongegrond.

Deze beslissing is gewezen door

mr. A.J.P. Schotman, rechter, als voorzitter van de meervoudige raadkamer,

mr. P. Bender en mr. C.A.M. van Straalen, rechters, als leden van de meervoudige raadkamer,

in tegenwoordigheid van mr. C.M. van de Kamp, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting in deze rechtbank van 20 mei 2016.